Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-10-17
ECLI:NL:GHARL:2023:8782
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,878 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.324.343
(zaaknummer rechtbank Overijssel 277842)
beschikking van 17 oktober 2023
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. Mercanoğlu te Almelo,
en
[verweerster]
,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T.H. Westerhof-Dijkstra te Zwolle.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 januari 2023 en 1 maart 2023 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 maart 2023;
het verweerschrift met producties;
een journaalbericht van mr. Westerhof-Dijkstra van 15 september 2023 met producties;
een journaalbericht van mr. Westerhof-Dijkstra van 21 september 2023 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man met zijn advocaat;
- mr. Westerhof-Dijkstra namens de vrouw.
Feiten
3.1
Partijen zijn [in] 2018 in Oekraïne met elkaar gehuwd. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Oekraïense nationaliteit.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
[de minderjarige1] , geboren [in] 2018, en
[de minderjarige2] , geboren [in] 2019.
3.3
Bij de beschikking van 10 januari 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (verder ook te noemen: de kinderen) bij de vrouw zal zijn.
Geschil
4.1
Bij de beschikking van 1 maart 2023 (verder ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder ook te noemen: kinderalimentatie) met ingang van 17 mei 2022 bepaald op € 67,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de draagkracht van de man. De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man geen draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen.
4.3
De vrouw voert verweer en zij vraagt, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en het beroep van de man af te wijzen en de man voorts te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Overwegingen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof is op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder b van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Alimentatieverordening) bevoegd kennis te nemen van de zaak betreffende de kinderalimentatie, omdat de vrouw en de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
5.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto artikel 4 lid 3 Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007 (Haags Protocol) Nederlands recht op het verzoek van toepassing is. Omdat geen van partijen daartegen een grief heeft gericht, zal ook het hof uitgaan van toepasselijkheid van het Nederlands recht.
Kinderalimentatie
5.3
De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte zijn draagkracht niet heeft gecorrigeerd met de bedragen die de man aflost. De man stelt dat hij in ieder geval drie leningen is aangegaan (voor in totaal € 45.000,-) en dat hij € 300,- per maand aflost. De man is deze leningen in persoon aangegaan en niet namens zijn bedrijven. De geleende bedragen zijn onder meer gebruikt voor de kosten van de kinderen. De man en de vrouw hebben in meerdere landen, namelijk Duitsland, België en Oekraïne, medisch deskundigen bezocht in verband met de ontwikkelingsproblemen van de kinderen. De kosten die met deze bezoeken gepaard zijn gegaan, zijn betaald met de genoemde leningen. De leningen waren daarnaast nodig om tijdens de coronacrisis het tekort aan inkomen van partijen aan te vullen om in het levensonderhoud te voorzien, aldus de man.
5.4
De vrouw betwist dat en voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat hij de vastgestelde onderhoudsbijdrage niet kan voldoen. Dat de man de door hem gestelde geleende bedragen daadwerkelijk heeft ontvangen en dat hij maandelijks daarop aflost is niet nader onderbouwd. Het is niet duidelijk waarvoor de leningen zijn aangegaan en de vrouw betwist het bestaan daarvan. Niet duidelijk is of de door de man gestelde schulden verwijtbaar en/of vermijdbaar zijn, aldus de vrouw.
5.5
Naar het oordeel van het hof heeft de man, tegenover de stelling van de vrouw dat hij voldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te voldoen, onvoldoende onderbouwd dat die draagkracht bij hem ontbreekt. Het hof overweegt daartoe als volgt. De man voert aan dat hij de bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage niet kan betalen omdat hij € 300,- per maand aflost op een schuld dan wel op meerdere schulden. Nog los van de vraag of de bedragen in de genoemde leningen daadwerkelijk zijn uitgekeerd, heeft de man geen enkel stuk in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij maandelijks enig bedrag aflost en dat daardoor zijn draagkracht lager is dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 134,- per maand. Nu deze onderbouwing ontbreekt moet het ervoor worden gehouden dat de man in staat is om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te voldoen. De grief faalt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.6
Het hof ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en deze procedure gaat over de bijdrage voor hun kinderen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep daarom compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 1 maart 2023;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have en is op 17 oktober 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.324.343
(zaaknummer rechtbank Overijssel 277842)
beschikking van 17 oktober 2023
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. Mercanoğlu te Almelo,
en
[verweerster]
,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T.H. Westerhof-Dijkstra te Zwolle.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 januari 2023 en 1 maart 2023 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 maart 2023;
het verweerschrift met producties;
een journaalbericht van mr. Westerhof-Dijkstra van 15 september 2023 met producties;
een journaalbericht van mr. Westerhof-Dijkstra van 21 september 2023 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man met zijn advocaat;
- mr. Westerhof-Dijkstra namens de vrouw.
Feiten
3.1
Partijen zijn [in] 2018 in Oekraïne met elkaar gehuwd. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Oekraïense nationaliteit.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
[de minderjarige1] , geboren [in] 2018, en
[de minderjarige2] , geboren [in] 2019.
3.3
Bij de beschikking van 10 januari 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (verder ook te noemen: de kinderen) bij de vrouw zal zijn.
Geschil
4.1
Bij de beschikking van 1 maart 2023 (verder ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder ook te noemen: kinderalimentatie) met ingang van 17 mei 2022 bepaald op € 67,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de draagkracht van de man. De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man geen draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen.
4.3
De vrouw voert verweer en zij vraagt, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en het beroep van de man af te wijzen en de man voorts te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Overwegingen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof is op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder b van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Alimentatieverordening) bevoegd kennis te nemen van de zaak betreffende de kinderalimentatie, omdat de vrouw en de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
5.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto artikel 4 lid 3 Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007 (Haags Protocol) Nederlands recht op het verzoek van toepassing is. Omdat geen van partijen daartegen een grief heeft gericht, zal ook het hof uitgaan van toepasselijkheid van het Nederlands recht.
Kinderalimentatie
5.3
De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte zijn draagkracht niet heeft gecorrigeerd met de bedragen die de man aflost. De man stelt dat hij in ieder geval drie leningen is aangegaan (voor in totaal € 45.000,-) en dat hij € 300,- per maand aflost. De man is deze leningen in persoon aangegaan en niet namens zijn bedrijven. De geleende bedragen zijn onder meer gebruikt voor de kosten van de kinderen. De man en de vrouw hebben in meerdere landen, namelijk Duitsland, België en Oekraïne, medisch deskundigen bezocht in verband met de ontwikkelingsproblemen van de kinderen. De kosten die met deze bezoeken gepaard zijn gegaan, zijn betaald met de genoemde leningen. De leningen waren daarnaast nodig om tijdens de coronacrisis het tekort aan inkomen van partijen aan te vullen om in het levensonderhoud te voorzien, aldus de man.
5.4
De vrouw betwist dat en voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat hij de vastgestelde onderhoudsbijdrage niet kan voldoen. Dat de man de door hem gestelde geleende bedragen daadwerkelijk heeft ontvangen en dat hij maandelijks daarop aflost is niet nader onderbouwd. Het is niet duidelijk waarvoor de leningen zijn aangegaan en de vrouw betwist het bestaan daarvan. Niet duidelijk is of de door de man gestelde schulden verwijtbaar en/of vermijdbaar zijn, aldus de vrouw.
5.5
Naar het oordeel van het hof heeft de man, tegenover de stelling van de vrouw dat hij voldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te voldoen, onvoldoende onderbouwd dat die draagkracht bij hem ontbreekt. Het hof overweegt daartoe als volgt. De man voert aan dat hij de bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage niet kan betalen omdat hij € 300,- per maand aflost op een schuld dan wel op meerdere schulden. Nog los van de vraag of de bedragen in de genoemde leningen daadwerkelijk zijn uitgekeerd, heeft de man geen enkel stuk in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij maandelijks enig bedrag aflost en dat daardoor zijn draagkracht lager is dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 134,- per maand. Nu deze onderbouwing ontbreekt moet het ervoor worden gehouden dat de man in staat is om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te voldoen. De grief faalt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.6
Het hof ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en deze procedure gaat over de bijdrage voor hun kinderen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep daarom compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 1 maart 2023;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have en is op 17 oktober 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.