Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-10-17
ECLI:NL:GHARL:2023:8751
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,322 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.326.291
(zaaknummer rechtbank Gelderland 10317032)
beschikking van 17 oktober 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. W.R. Gorseling te Cuijk,
en
[de betrokkene]
,
verblijvende in instelling [naam1] te [plaats1] ,
verder te noemen: betrokkene,
en
Stichting [verweerster],
in [plaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [verweerster] ,
advocaten: mr. L.A.P. Arends en mr. M. Swelsen te Nijmegen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[naam2]
,
h.o.d.n. [naam3] ,
gevestigd te [plaats3] ,
verder te noemen: [naam2] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 februari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 april 2023;
- het verweerschrift met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2023 plaatsgevonden.
Verschenen zijn:
verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordiger namens [verweerster] , bijgestaan door mr. Swelsen.
2.3
In het bericht van 22 september 2023 heeft mr. Arends zich afgemeld voor de mondelinge behandeling.
2.4
Aan de heer [de stiefzoon] , zoon van verzoeker en stiefzoon van betrokkene (hierna: de (stief)zoon) is bijzondere toegang verleend.
Feiten
3.1
Betrokkene is geboren [in] 1944 te [plaats4] . Verzoeker is sinds 11 december 2012 gehuwd met betrokkene.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 2 februari 2023, heeft [verweerster] verzocht een mentorschap ten behoeve van betrokkene in te stellen.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verweerster] toegewezen en is [naam2] benoemd tot mentor.
4.2
Verzoeker is het niet eens met de benoeming van [naam2] tot mentor en is daarom in hoger beroep gekomen. Verzoeker verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: verzoeker te benoemen tot mentor van betrokkene;
subsidiair: de (stief)zoon te benoemen tot mentor van betrokkene.
4.3
[verweerster] voert verweer en vraagt het hof de verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.
Motivering
mentorschap
5.1
Ingevolge artikel 1:450 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.
5.2
Op grond van 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de benoeming van een mentor voor betrokkene nodig is en dat betrokkene geen uitdrukkelijke voorkeur voor een mentor kenbaar heeft gemaakt. Verzoeker is de echtgenoot van betrokkene en valt onder de voornoemde voorkeursregeling van artikel 1:452 lid 4 BW. Een stiefkind wordt daarin niet uitdrukkelijk genoemd. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag wie tot mentor moet worden benoemd: verzoeker, de (stief)zoon of een professionele partij zoals [naam2] .
5.4
Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van betrokkene is om verzoeker tot mentor te benoemen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.5
Betrokkene is een vrouw van 79 jaar. Uit het behandelplan rehabilitatie van 26 juni 2023 van de behandelaar, blijkt dat zij een schizo-affectieve stoornis heeft van het bipolaire type, met frequente stemmingsontregelingen en katatonische episodes in combinatie met een neurocognitieve stoornis door meerdere oorzaken met gedragsstoornissen. Daarbij heeft zij een toegenomen zorgbehoefte vanwege lichamelijke klachten en deconditionering. Zij is valgevaarlijk en is er sprake van een dementieel beeld.
Hoewel verzoeker aanvoert dat niet alles is gediagnosticeerd, staat voor het hof wel vast dat betrokkene een zeer complex ziektebeeld heeft en intensieve zorg nodig heeft van professionals. Betrokkene verblijft met een zorgmachtiging bij [verweerster] en er is sprake van dwangbehandeling.
5.6
Van belang is tevens de verstandhouding tussen verzoeker en [verweerster] . Hoewel verzoeker deze niet als problematisch ziet, blijkt uit de verslaglegging die als productie 4 bij het verweerschrift is gevoegd dat [verweerster] al vanaf 2020 problemen ervaart in de communicatie en samenwerking met verzoeker. In dat verslag wordt melding gemaakt van dreigementen, woede-uitbarstingen, beschuldigingen en verwijten van verzoeker naar [verweerster] . Ook wordt vermeld dat een gesprek over de diagnose en behandeling niet mogelijk is, dat strakke werkafspraken niet hebben geleid tot een effectieve samenwerking, dat verzoeker over grenzen gaat en dat er grote samenwerkingsproblemen zijn. Het hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat de verstandhouding met verzoeker in ieder geval door de zorgverleners van [verweerster] als slecht wordt ervaren. Dit maakt dat een constructieve samenwerking niet mogelijk is, terwijl samenwerking tussen een mentor en de zorgverleners van betrokkene in het belang van betrokkene wel noodzakelijk is.
5.7
Daar komt nog bij dat volgens het voornoemde overzicht verzoeker in gesprekken met de zorgverleners geen hoofd- en bijzaken van elkaar kan scheiden. Ook het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling geconstateerd dat verzoeker daar veel moeite mee heeft. Bij het beantwoorden van de vraag wat hij zou gaan doen als hij mentor zou worden, ging verzoeker in op een bijzonder voorval dat hij zou hebben meegemaakt waarbij in de buurt van de instelling waar betrokkene verblijft zijn autoruit zou zijn ingeslagen. De relevantie daarvan is niet duidelijk geworden. Dit levert eveneens een ernstige belemmering van de samenwerking tussen verzoeker en de zorgprofessionals op, wat niet in het belang van betrokkene is.
5.8
Het hof acht het verder van belang dat betrokkene een complex ziektebeeld heeft. De huidige professionele mentor [naam2] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij 25 jaar op het niveau van een HBO-verpleegkundige heeft gewerkt, ook op de spoedeisende hulp. Niettemin is het zelfs voor haar lastig om in te schatten wat goed voor betrokkene is. Dat verzoeker zijn echtgenote ongetwijfeld als geen ander kent, hij zeer betrokken is, van haar houdt en de hele situatie hem verdriet doet, weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het feit dat [naam2] over medische expertise beschikt die belangrijk is om in overleg met de zorgverleners de juiste keuzes voor betrokkene te kunnen maken. Het complexe ziektebeeld van betrokkene in combinatie met de moeizame communicatie en samenwerking tussen verzoeker en [verweerster] is naar het oordeel van het hof reden waarom niet verzoeker tot mentor moet worden benoemd.
5.9
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek overweegt het hof als volgt. Nog daargelaten of een stiefzoon valt onder de noemer kind als bedoeld in artikel 1:452 lid 4 BW, tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de stiefzoon betrokkene niet bezoekt of heeft bezocht in de instelling(en) waar zij al jarenlang verblijft en hij ook niet rechtstreeks bij haar betrokken is, noch dat hij een bijzondere band met haar heeft. Bovendien leidt het hof uit hetgeen de stiefzoon heeft verteld af dat hij onvoldoende inzicht heeft in wat het mentorschap inhoudt, wat in een complexe zaak als de onderhavige wel noodzakelijk is. Om deze redenen zal ook het subsidiaire verzoek worden afgewezen.
5.10
Het hof concludeert dat een professionele (en gekwalificeerde) mentor als [naam2] het beste in staat is om de immateriële belangen van betrokkene te behartigen.
6De slotsom
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 20 februari 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, I.G.M.T. Weijers- van der Marck en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 17 oktober 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.326.291
(zaaknummer rechtbank Gelderland 10317032)
beschikking van 17 oktober 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. W.R. Gorseling te Cuijk,
en
[de betrokkene]
,
verblijvende in instelling [naam1] te [plaats1] ,
verder te noemen: betrokkene,
en
Stichting [verweerster],
in [plaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [verweerster] ,
advocaten: mr. L.A.P. Arends en mr. M. Swelsen te Nijmegen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[naam2]
,
h.o.d.n. [naam3] ,
gevestigd te [plaats3] ,
verder te noemen: [naam2] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 februari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 april 2023;
- het verweerschrift met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2023 plaatsgevonden.
Verschenen zijn:
verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordiger namens [verweerster] , bijgestaan door mr. Swelsen.
2.3
In het bericht van 22 september 2023 heeft mr. Arends zich afgemeld voor de mondelinge behandeling.
2.4
Aan de heer [de stiefzoon] , zoon van verzoeker en stiefzoon van betrokkene (hierna: de (stief)zoon) is bijzondere toegang verleend.
Feiten
3.1
Betrokkene is geboren [in] 1944 te [plaats4] . Verzoeker is sinds 11 december 2012 gehuwd met betrokkene.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 2 februari 2023, heeft [verweerster] verzocht een mentorschap ten behoeve van betrokkene in te stellen.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verweerster] toegewezen en is [naam2] benoemd tot mentor.
4.2
Verzoeker is het niet eens met de benoeming van [naam2] tot mentor en is daarom in hoger beroep gekomen. Verzoeker verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: verzoeker te benoemen tot mentor van betrokkene;
subsidiair: de (stief)zoon te benoemen tot mentor van betrokkene.
4.3
[verweerster] voert verweer en vraagt het hof de verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.
Motivering
mentorschap
5.1
Ingevolge artikel 1:450 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.
5.2
Op grond van 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de benoeming van een mentor voor betrokkene nodig is en dat betrokkene geen uitdrukkelijke voorkeur voor een mentor kenbaar heeft gemaakt. Verzoeker is de echtgenoot van betrokkene en valt onder de voornoemde voorkeursregeling van artikel 1:452 lid 4 BW. Een stiefkind wordt daarin niet uitdrukkelijk genoemd. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag wie tot mentor moet worden benoemd: verzoeker, de (stief)zoon of een professionele partij zoals [naam2] .
5.4
Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van betrokkene is om verzoeker tot mentor te benoemen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.5
Betrokkene is een vrouw van 79 jaar. Uit het behandelplan rehabilitatie van 26 juni 2023 van de behandelaar, blijkt dat zij een schizo-affectieve stoornis heeft van het bipolaire type, met frequente stemmingsontregelingen en katatonische episodes in combinatie met een neurocognitieve stoornis door meerdere oorzaken met gedragsstoornissen. Daarbij heeft zij een toegenomen zorgbehoefte vanwege lichamelijke klachten en deconditionering. Zij is valgevaarlijk en is er sprake van een dementieel beeld.
Hoewel verzoeker aanvoert dat niet alles is gediagnosticeerd, staat voor het hof wel vast dat betrokkene een zeer complex ziektebeeld heeft en intensieve zorg nodig heeft van professionals. Betrokkene verblijft met een zorgmachtiging bij [verweerster] en er is sprake van dwangbehandeling.
5.6
Van belang is tevens de verstandhouding tussen verzoeker en [verweerster] . Hoewel verzoeker deze niet als problematisch ziet, blijkt uit de verslaglegging die als productie 4 bij het verweerschrift is gevoegd dat [verweerster] al vanaf 2020 problemen ervaart in de communicatie en samenwerking met verzoeker. In dat verslag wordt melding gemaakt van dreigementen, woede-uitbarstingen, beschuldigingen en verwijten van verzoeker naar [verweerster] . Ook wordt vermeld dat een gesprek over de diagnose en behandeling niet mogelijk is, dat strakke werkafspraken niet hebben geleid tot een effectieve samenwerking, dat verzoeker over grenzen gaat en dat er grote samenwerkingsproblemen zijn. Het hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat de verstandhouding met verzoeker in ieder geval door de zorgverleners van [verweerster] als slecht wordt ervaren. Dit maakt dat een constructieve samenwerking niet mogelijk is, terwijl samenwerking tussen een mentor en de zorgverleners van betrokkene in het belang van betrokkene wel noodzakelijk is.
5.7
Daar komt nog bij dat volgens het voornoemde overzicht verzoeker in gesprekken met de zorgverleners geen hoofd- en bijzaken van elkaar kan scheiden. Ook het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling geconstateerd dat verzoeker daar veel moeite mee heeft. Bij het beantwoorden van de vraag wat hij zou gaan doen als hij mentor zou worden, ging verzoeker in op een bijzonder voorval dat hij zou hebben meegemaakt waarbij in de buurt van de instelling waar betrokkene verblijft zijn autoruit zou zijn ingeslagen. De relevantie daarvan is niet duidelijk geworden. Dit levert eveneens een ernstige belemmering van de samenwerking tussen verzoeker en de zorgprofessionals op, wat niet in het belang van betrokkene is.
5.8
Het hof acht het verder van belang dat betrokkene een complex ziektebeeld heeft. De huidige professionele mentor [naam2] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij 25 jaar op het niveau van een HBO-verpleegkundige heeft gewerkt, ook op de spoedeisende hulp. Niettemin is het zelfs voor haar lastig om in te schatten wat goed voor betrokkene is. Dat verzoeker zijn echtgenote ongetwijfeld als geen ander kent, hij zeer betrokken is, van haar houdt en de hele situatie hem verdriet doet, weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het feit dat [naam2] over medische expertise beschikt die belangrijk is om in overleg met de zorgverleners de juiste keuzes voor betrokkene te kunnen maken. Het complexe ziektebeeld van betrokkene in combinatie met de moeizame communicatie en samenwerking tussen verzoeker en [verweerster] is naar het oordeel van het hof reden waarom niet verzoeker tot mentor moet worden benoemd.
5.9
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek overweegt het hof als volgt. Nog daargelaten of een stiefzoon valt onder de noemer kind als bedoeld in artikel 1:452 lid 4 BW, tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de stiefzoon betrokkene niet bezoekt of heeft bezocht in de instelling(en) waar zij al jarenlang verblijft en hij ook niet rechtstreeks bij haar betrokken is, noch dat hij een bijzondere band met haar heeft. Bovendien leidt het hof uit hetgeen de stiefzoon heeft verteld af dat hij onvoldoende inzicht heeft in wat het mentorschap inhoudt, wat in een complexe zaak als de onderhavige wel noodzakelijk is. Om deze redenen zal ook het subsidiaire verzoek worden afgewezen.
5.10
Het hof concludeert dat een professionele (en gekwalificeerde) mentor als [naam2] het beste in staat is om de immateriële belangen van betrokkene te behartigen.
6De slotsom
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 20 februari 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, I.G.M.T. Weijers- van der Marck en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 17 oktober 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.