Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-10-11
ECLI:NL:GHARL:2023:8539
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,502 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.651/01
CJIB-nummer
: 247909467
Uitspraak d.d.
: 11 oktober 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 maart 2022 om 8:12 uur op de Homerusstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene het oordeel van de kantonrechter, dat de enkele verklaring dat de voorruit van het voertuig voor de helft met ijs was bedekt de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van onvoldoende zicht, niet kan volgen. Weliswaar was de voorruit deels bedekt met ijs, maar dat betekent niet onmiddellijk dat hij onvoldoende zicht had.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag een bedrijfsvoertuig rijden. Ik had goed zicht op het voertuig. Ik zag dat de helft van de voorruit bedekt was met een laag ijs. Ik zag dat de bestuurder hierdoor zeer beperkt zicht had.
Verklaring betrokkene: Ik had echt heel erg haast.”
5. De gedraging betreft overtreding van artikel 5.18.4, aanhef en onder a, van de Regeling voertuigen, dat luidt:
“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…).
6. In de toelichting op deze regeling (Staatscourant 2011, 19193) staat over dit artikel onder meer het volgende:
“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in dit gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder.”
7. De ambtenaar verklaart dat de helft van de voorruit bedekt was met een laag ijs en dat de bestuurder hierdoor zeer beperkt zicht had. Dit wordt op zichzelf ook niet betwist. Dit is gelet op wat hiervoor is overwogen voldoende om de gedraging te kunnen vaststellen. De grond treft geen doel.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.651/01
CJIB-nummer
: 247909467
Uitspraak d.d.
: 11 oktober 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 maart 2022 om 8:12 uur op de Homerusstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene het oordeel van de kantonrechter, dat de enkele verklaring dat de voorruit van het voertuig voor de helft met ijs was bedekt de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van onvoldoende zicht, niet kan volgen. Weliswaar was de voorruit deels bedekt met ijs, maar dat betekent niet onmiddellijk dat hij onvoldoende zicht had.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag een bedrijfsvoertuig rijden. Ik had goed zicht op het voertuig. Ik zag dat de helft van de voorruit bedekt was met een laag ijs. Ik zag dat de bestuurder hierdoor zeer beperkt zicht had.
Verklaring betrokkene: Ik had echt heel erg haast.”
5. De gedraging betreft overtreding van artikel 5.18.4, aanhef en onder a, van de Regeling voertuigen, dat luidt:
“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…).
6. In de toelichting op deze regeling (Staatscourant 2011, 19193) staat over dit artikel onder meer het volgende:
“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in dit gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder.”
7. De ambtenaar verklaart dat de helft van de voorruit bedekt was met een laag ijs en dat de bestuurder hierdoor zeer beperkt zicht had. Dit wordt op zichzelf ook niet betwist. Dit is gelet op wat hiervoor is overwogen voldoende om de gedraging te kunnen vaststellen. De grond treft geen doel.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.