Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-10-10
ECLI:NL:GHARL:2023:8529
Strafrecht
Hoger beroep
4,876 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003818-22
Uitspraak van 10 oktober 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 september 2022 met parketnummer 16-139516-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1975,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 september 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022 te [pleegplaats] , [naam gemeente] , althans in Nederland, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [naam school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Nu de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en er geen vrijspraak is bepleit kan, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 26 september 2023: “Het klopt dat ik [naam zoon verdachte] niet naar school heb laten gaan en thuis heb gehouden van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022.”;
Het proces-verbaal leerplicht tegen [verdachte] , schooljaar 2021/2022, proces-verbaalnummer 1095/1, [naam gemeente] , opgemaakt door [persoon] , buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten en getekend op 14 april 2022.
Aanvullende overweging
De verdachte heeft verzuimd zijn zoontje [naam zoon verdachte] in de periode van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022 naar school te laten gaan. De verdachte heeft verklaard dat hij [naam zoon verdachte] in deze (corona)periode niet naar school heeft gebracht om hem te beschermen. De maatregelen die door de school werden genomen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zouden mogelijk schadelijk kunnen zijn voor de psychische ontwikkeling van [naam zoon verdachte] , aldus de verdachte. Hij heeft verklaard dat de kinderen in die periode op school onder meer looproutes moesten volgen en geen fysiek contact met klasgenoten mochten hebben.
Uit het hetgeen door de verdachte is aangevoerd, is echter niet gebleken dat er in de tenlastegelegde periode door de school getroffen maatregelen van toepassing waren die daadwerkelijk schadelijk waren voor de psychische ontwikkeling van [naam zoon verdachte] . In maart 2022 zijn na de voorjaarsvakantie de coronamaatregelen verder afgeschaald, waardoor de school weer min of meer functioneerde zoals voor de coronapandemie.
De leerplichtambtenaar heeft de verdachte geïnformeerd dat [naam zoon verdachte] vanaf 21 maart 2022 weer op school werd verwacht en dat zijn afwezigheid als ongeoorloofd verzuim zou worden beschouwd. Desondanks heeft de verdachte de keuze gemaakt om [naam zoon verdachte] niet naar school te brengen.
Het hof overweegt ten overvloede dat het lang thuishouden van een kind – terwijl zijn klasgenoten wel naar school gaan – schadelijk kan zijn voor in het bijzonder de sociale ontwikkeling van een kind.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeks
de periode van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022 te [pleegplaats] , [naam gemeente] ,
althans in Nederland,
als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [naam school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die hem niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
In eerste aanleg is de verdachte – kort gezegd en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode nagelaten zijn zoontje [naam zoon verdachte] naar school te brengen, terwijl hem bekend was dat het thuishouden van zijn zoon na 21 maart 2022 niet langer gedoogd zou worden. Daarmee is [naam zoon verdachte] tien schooldagen ongeoorloofd afwezig geweest.
De verdachte heeft ter zitting van het hof uitgebreid uiteengezet waarom hij ervoor heeft gekozen om [naam zoon verdachte] niet naar school te laten gaan. Dat deed hij “ter bescherming van mijn rijkdom, mijn zoontje”.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. J.H. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. Kaatman, griffier,
en op 10 oktober 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 10 oktober 2023.
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,
mr. S.H. Diepeveen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003818-22
Uitspraak van 10 oktober 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 september 2022 met parketnummer 16-139516-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1975,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 september 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022 te [pleegplaats] , [naam gemeente] , althans in Nederland, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [naam school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Nu de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en er geen vrijspraak is bepleit kan, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 26 september 2023: “Het klopt dat ik [naam zoon verdachte] niet naar school heb laten gaan en thuis heb gehouden van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022.”;
Het proces-verbaal leerplicht tegen [verdachte] , schooljaar 2021/2022, proces-verbaalnummer 1095/1, [naam gemeente] , opgemaakt door [persoon] , buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten en getekend op 14 april 2022.
Aanvullende overweging
De verdachte heeft verzuimd zijn zoontje [naam zoon verdachte] in de periode van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022 naar school te laten gaan. De verdachte heeft verklaard dat hij [naam zoon verdachte] in deze (corona)periode niet naar school heeft gebracht om hem te beschermen. De maatregelen die door de school werden genomen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zouden mogelijk schadelijk kunnen zijn voor de psychische ontwikkeling van [naam zoon verdachte] , aldus de verdachte. Hij heeft verklaard dat de kinderen in die periode op school onder meer looproutes moesten volgen en geen fysiek contact met klasgenoten mochten hebben.
Uit het hetgeen door de verdachte is aangevoerd, is echter niet gebleken dat er in de tenlastegelegde periode door de school getroffen maatregelen van toepassing waren die daadwerkelijk schadelijk waren voor de psychische ontwikkeling van [naam zoon verdachte] . In maart 2022 zijn na de voorjaarsvakantie de coronamaatregelen verder afgeschaald, waardoor de school weer min of meer functioneerde zoals voor de coronapandemie.
De leerplichtambtenaar heeft de verdachte geïnformeerd dat [naam zoon verdachte] vanaf 21 maart 2022 weer op school werd verwacht en dat zijn afwezigheid als ongeoorloofd verzuim zou worden beschouwd. Desondanks heeft de verdachte de keuze gemaakt om [naam zoon verdachte] niet naar school te brengen.
Het hof overweegt ten overvloede dat het lang thuishouden van een kind – terwijl zijn klasgenoten wel naar school gaan – schadelijk kan zijn voor in het bijzonder de sociale ontwikkeling van een kind.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeks
de periode van 21 maart 2022 tot en met 1 april 2022 te [pleegplaats] , [naam gemeente] ,
althans in Nederland,
als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [naam zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2016, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [naam school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die hem niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
In eerste aanleg is de verdachte – kort gezegd en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode nagelaten zijn zoontje [naam zoon verdachte] naar school te brengen, terwijl hem bekend was dat het thuishouden van zijn zoon na 21 maart 2022 niet langer gedoogd zou worden. Daarmee is [naam zoon verdachte] tien schooldagen ongeoorloofd afwezig geweest.
De verdachte heeft ter zitting van het hof uitgebreid uiteengezet waarom hij ervoor heeft gekozen om [naam zoon verdachte] niet naar school te laten gaan. Dat deed hij “ter bescherming van mijn rijkdom, mijn zoontje”.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. J.H. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. Kaatman, griffier,
en op 10 oktober 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 10 oktober 2023.
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,
mr. S.H. Diepeveen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.