Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-09-26
ECLI:NL:GHARL:2023:8020
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,872 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.329.683
(zaaknummer rechtbank Gelderland 417729)
beschikking van 26 september 2023
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.J. van Vliet te Nijmegen,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: vader,
en
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 1 mei 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking hierna noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 juli 2023;
- het verweerschrift van de raad;
- een journaalbericht van mr. van Vliet van 28 augustus 2023.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 29 augustus 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 te [plaats1] , en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2013 te [plaats2] ,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige2] woont bij de moeder.
3.2
[de minderjarige1] verblijft sinds 20 oktober 2022 bij haar tante (vaderszijde). Bij de bestreden
– uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin afgegeven voor [de minderjarige1] , met ingang van
1 mei 2023 tot 1 november 2023.
3.3
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter verder [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld voor de termijn van 1 mei 2023 tot 1 mei 2024.
4De omvang van het geschil
4.1
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] te vernietigen.
4.2
De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Mr. van Vliet heeft namens de moeder op 28 augustus 2023 een journaalbericht met bijlagen ingediend. In artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven staat dat stukken tot uiterlijk tien dagen voor de zitting kunnen worden ingediend. Het hof laat dit bericht en de bijlagen, zoals ook op de mondelinge behandeling is meegedeeld, daarom buiten beschouwing.
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
Volgens de raad is [de minderjarige2] een kwetsbare jongen die lijdt aan het Bosch-Boonstra-Schaaf opticus atrofie syndroom en die al veel heeft meegemaakt. Hij heeft een begeleid contact met zijn vader, hij ziet zijn zus [de minderjarige1] op het moment niet en er is sprake van een strijd tussen (de families van) zijn vader en moeder. Door de school en de BSO van [de minderjarige2] is opgemerkt dat [de minderjarige2] het afgelopen anderhalf jaar meer ageert en onrust en zelfbepalend gedrag laat zien. Ook zijn er zorgen over zijn persoonlijke hygiëne. Zij benoemen dat de samenwerking met de moeder moeizaam verloopt. Volgens de raad staat de moeder wel open voor hulpverlening, maar wijst zij adviezen van mensen waar zij geen vertrouwen in heeft af. Toezicht door een onafhankelijke professionele derde in een gedwongen kader in de persoon van een jeugdbeschermer acht de raad noodzakelijk zodat een neutrale partij de belangen van [de minderjarige2] kan waarborgen.
5.4
De moeder stelt zich op het standpunt dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] niet noodzakelijk is. Het rapport van de raad is onvolledig en bovendien onzorgvuldig tot stand gekomen. De hulpverlening die [de minderjarige2] nodig heeft kan ook in het vrijwillig kader georganiseerd worden zoals dit ook voorheen al het geval was. Volgens de moeder heeft de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde maar werkt het zelfs contraproductief. Het is bovendien niet in het belang van [de minderjarige2] om steeds met nieuwe gezichten te worden geconfronteerd.
5.5
Het hof overweegt als volgt. De raad benoemt twee punten op grond waarvan hij vindt dat [de minderjarige2] in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Ten eerste zijn er zorgen over de hulp die [de minderjarige2] nodig heeft vanwege zijn syndroom, en ten tweede zijn er zorgen over het gegeven dat [de minderjarige2] opgroeit in een strijd tussen twee families.
5.6
Het hof is van oordeel dat de zorgen die de raad benoemt over de hulpverlening van [de minderjarige2] onvoldoende zijn om te spreken van een ernstige bedreiging in zijn ontwikkeling. Uit het raadsrapport volgt dat [de minderjarige2] al bijna twee jaar gedragsproblemen laat zien. Voor de betrokken hulpverlening is dit echter niet dusdanig ernstig gebleken dat zij eerder een ondertoezichtstelling noodzakelijk hebben geacht. De moeder heeft bezwaren tegen hulp in een gedwongen kader maar heeft in het vrijwillig kader wel voldoende meegewerkt en laten zien dat zij het belang van [de minderjarige2] vooropstelt. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij in gesprek is met de school om te kijken of [de minderjarige2] hier nog op de juiste plek zit. Daarnaast is de moeder in samenwerking met [naam1] op zoek naar een nieuwe plek waar [de minderjarige2] kan gaan logeren. De moeder regelt dit zelf en ziet ook de noodzaak van deze hulp. De zorgen die er waren over de persoonlijke hygiëne van [de minderjarige2] zijn adequaat door de moeder opgepakt en door de school is bevestigd dat er op dit punt geen zorgen meer bestaan. De GI heeft desgevraagd bevestigd de nodige kennis over het syndroom van [de minderjarige2] nog te missen en benoemd dat zij om verschillende (waaronder organisatorische) redenen nog pas net een start heeft kunnen maken met uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zij ervaren de terughoudendheid van de moeder in het contact en zij hebben [de minderjarige2] nog niet kunnen spreken. Het hof is dan ook van oordeel dat de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige2] weinig toevoegt en eerder contraproductief kan werken.
5.7
De zorgen die er bestaan over de strijd tussen de families van [de minderjarige2] zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om een ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] noodzakelijk te achten. De moeder heeft verteld dat er tussen [de minderjarige2] en zijn vader om de week begeleid contact plaatsvindt. Deze regeling loopt over het algemeen goed. Het contact tussen [de minderjarige2] en [de minderjarige1] moet nog opgestart worden, maar het hof heeft er op dit moment voldoende vertrouwen in dat dit in het vrijwillig kader opgepakt kan worden. Een ondertoezichtstelling is hiervoor niet noodzakelijk.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 1 mei 2023 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os- ten Have, S. Kuijpers en C.F.L.A. van der Vegt- Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op
26 september 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.329.683
(zaaknummer rechtbank Gelderland 417729)
beschikking van 26 september 2023
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.J. van Vliet te Nijmegen,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: vader,
en
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 1 mei 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking hierna noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 juli 2023;
- het verweerschrift van de raad;
- een journaalbericht van mr. van Vliet van 28 augustus 2023.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 29 augustus 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 te [plaats1] , en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2013 te [plaats2] ,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige2] woont bij de moeder.
3.2
[de minderjarige1] verblijft sinds 20 oktober 2022 bij haar tante (vaderszijde). Bij de bestreden
– uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin afgegeven voor [de minderjarige1] , met ingang van
1 mei 2023 tot 1 november 2023.
3.3
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter verder [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld voor de termijn van 1 mei 2023 tot 1 mei 2024.
4De omvang van het geschil
4.1
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] te vernietigen.
4.2
De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Mr. van Vliet heeft namens de moeder op 28 augustus 2023 een journaalbericht met bijlagen ingediend. In artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven staat dat stukken tot uiterlijk tien dagen voor de zitting kunnen worden ingediend. Het hof laat dit bericht en de bijlagen, zoals ook op de mondelinge behandeling is meegedeeld, daarom buiten beschouwing.
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
Volgens de raad is [de minderjarige2] een kwetsbare jongen die lijdt aan het Bosch-Boonstra-Schaaf opticus atrofie syndroom en die al veel heeft meegemaakt. Hij heeft een begeleid contact met zijn vader, hij ziet zijn zus [de minderjarige1] op het moment niet en er is sprake van een strijd tussen (de families van) zijn vader en moeder. Door de school en de BSO van [de minderjarige2] is opgemerkt dat [de minderjarige2] het afgelopen anderhalf jaar meer ageert en onrust en zelfbepalend gedrag laat zien. Ook zijn er zorgen over zijn persoonlijke hygiëne. Zij benoemen dat de samenwerking met de moeder moeizaam verloopt. Volgens de raad staat de moeder wel open voor hulpverlening, maar wijst zij adviezen van mensen waar zij geen vertrouwen in heeft af. Toezicht door een onafhankelijke professionele derde in een gedwongen kader in de persoon van een jeugdbeschermer acht de raad noodzakelijk zodat een neutrale partij de belangen van [de minderjarige2] kan waarborgen.
5.4
De moeder stelt zich op het standpunt dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] niet noodzakelijk is. Het rapport van de raad is onvolledig en bovendien onzorgvuldig tot stand gekomen. De hulpverlening die [de minderjarige2] nodig heeft kan ook in het vrijwillig kader georganiseerd worden zoals dit ook voorheen al het geval was. Volgens de moeder heeft de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde maar werkt het zelfs contraproductief. Het is bovendien niet in het belang van [de minderjarige2] om steeds met nieuwe gezichten te worden geconfronteerd.
5.5
Het hof overweegt als volgt. De raad benoemt twee punten op grond waarvan hij vindt dat [de minderjarige2] in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Ten eerste zijn er zorgen over de hulp die [de minderjarige2] nodig heeft vanwege zijn syndroom, en ten tweede zijn er zorgen over het gegeven dat [de minderjarige2] opgroeit in een strijd tussen twee families.
5.6
Het hof is van oordeel dat de zorgen die de raad benoemt over de hulpverlening van [de minderjarige2] onvoldoende zijn om te spreken van een ernstige bedreiging in zijn ontwikkeling. Uit het raadsrapport volgt dat [de minderjarige2] al bijna twee jaar gedragsproblemen laat zien. Voor de betrokken hulpverlening is dit echter niet dusdanig ernstig gebleken dat zij eerder een ondertoezichtstelling noodzakelijk hebben geacht. De moeder heeft bezwaren tegen hulp in een gedwongen kader maar heeft in het vrijwillig kader wel voldoende meegewerkt en laten zien dat zij het belang van [de minderjarige2] vooropstelt. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij in gesprek is met de school om te kijken of [de minderjarige2] hier nog op de juiste plek zit. Daarnaast is de moeder in samenwerking met [naam1] op zoek naar een nieuwe plek waar [de minderjarige2] kan gaan logeren. De moeder regelt dit zelf en ziet ook de noodzaak van deze hulp. De zorgen die er waren over de persoonlijke hygiëne van [de minderjarige2] zijn adequaat door de moeder opgepakt en door de school is bevestigd dat er op dit punt geen zorgen meer bestaan. De GI heeft desgevraagd bevestigd de nodige kennis over het syndroom van [de minderjarige2] nog te missen en benoemd dat zij om verschillende (waaronder organisatorische) redenen nog pas net een start heeft kunnen maken met uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zij ervaren de terughoudendheid van de moeder in het contact en zij hebben [de minderjarige2] nog niet kunnen spreken. Het hof is dan ook van oordeel dat de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige2] weinig toevoegt en eerder contraproductief kan werken.
5.7
De zorgen die er bestaan over de strijd tussen de families van [de minderjarige2] zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om een ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] noodzakelijk te achten. De moeder heeft verteld dat er tussen [de minderjarige2] en zijn vader om de week begeleid contact plaatsvindt. Deze regeling loopt over het algemeen goed. Het contact tussen [de minderjarige2] en [de minderjarige1] moet nog opgestart worden, maar het hof heeft er op dit moment voldoende vertrouwen in dat dit in het vrijwillig kader opgepakt kan worden. Een ondertoezichtstelling is hiervoor niet noodzakelijk.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 1 mei 2023 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os- ten Have, S. Kuijpers en C.F.L.A. van der Vegt- Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op
26 september 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.