Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-09-19
ECLI:NL:GHARL:2023:7909
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
12,948 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001031-22
Uitspraak d.d.: 19 september 2023
Tegenspraak
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 maart 2022 met het parketnummer 18-293258-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling, parketnummer 18-178968-18, in de strafzaak inzake de verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
wonende te [woonadres] , [postcode] [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 5 september 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte ter zake van het primair aan hem ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis. Daarnaast is gevorderd dat het gerechtshof de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal toewijzen, in die zin dat zal worden opgelegd een taakstraf voor de duur van achtentwintiguren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door veertien dagen hechtenis.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.R. van der Pol, is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte ter zake van het primair aan hem ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.
Voorts is de vordering na voorwaardelijke veroordeling toegewezen, leidende tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in of omstreeks een periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] (bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland) heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst "Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachen toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en/of daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] );
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij, in of omstreeks de periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] (bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord- Nederland) aan te randen, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst "Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachten toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en/of daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] ), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de in de tenlastelegging genoemde tekst en afbeelding heeft geplaatst op Facebook. Hij heeft verklaard dat hij het bericht uit boosheid en frustratie heeft geplaatst, omdat hij zich niet serieus genomen heeft gevoeld door [benadeelde] toen hij bij haar aangifte heeft gedaan van mishandeling. Voorts heeft hij verklaard dat hij het bericht heeft geplaatst op Facebook omdat hij aandacht wilde vragen voor hetgeen hem was overkomen en daarbij ook duidelijk wilde maken om wie het ging.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
Hiertoe is aangevoerd dat het bericht weliswaar laakbaar is, maar niet strafbaar is omdat het beledigende karakter ontbreekt, het bericht niet of nauwelijks te herleiden is naar aangeefster [benadeelde] persoonlijk en het bericht onvoldoende kenbaar is geweest voor het publiek. Daarnaast is aangevoerd dat de verdachte ervan overtuigd is dat het zo is gegaan als hij in het bericht heeft geschreven en dat het bericht dan dus “waar” is in de zin van het derde lid van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.
Het gerechtshof stelt voorop dat de tekst van het bericht dat de verdachte heeft geplaatst op Facebook letterlijk dient te worden opgevat en gelezen, aangezien dat de tekst is die de
- verder niet ingewijde en niet van enige nadere context voorziene - lezer te zien krijgt.
De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij heeft beoogd om uit te drukken dat [benadeelde] lacherig deed toen hij bij haar aangifte heeft gedaan van mishandeling, maar zo staat het echter niet vermeld in zijn bericht. De inhoud van het bericht drukt letterlijk uit dat [benadeelde] lacherig deed op het moment dat de verdachte werd mishandeld en suggereert aldus dat [benadeelde] bij die mishandeling zelf aanwezig is geweest en daarover lacherig heeft gedaan. Dat laatste is echter niet het geval geweest.
Aldus beschouwd heeft het bericht ontegenzeggelijk een opzettelijk smadelijk karakter, nu het de integriteit van aangeefster [benadeelde] aantast, én is de uitzondering van het derde lid van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht niet aan de orde. Met betrekking tot dit laatste merkt het gerechtshof bovendien op dat los van de vraag of het aan [benadeelde] te laste gelegde waar is, voor toepasselijkheid van de uitzondering is vereist dat het algemeen belang openbaarmaking vereist.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2019 met parketnummer 18-178968-18, te weten een gevangenisstraf van 2 weken met proeftijd van
3 jaren, een
taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. E.M.J. Brink en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 19 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van Weringh en Heblij zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001031-22
Uitspraak d.d.: 19 september 2023
Tegenspraak
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 maart 2022 met het parketnummer 18-293258-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling, parketnummer 18-178968-18, in de strafzaak inzake de verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
wonende te [woonadres] , [postcode] [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 5 september 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte ter zake van het primair aan hem ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis. Daarnaast is gevorderd dat het gerechtshof de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal toewijzen, in die zin dat zal worden opgelegd een taakstraf voor de duur van achtentwintiguren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door veertien dagen hechtenis.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.R. van der Pol, is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte ter zake van het primair aan hem ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.
Voorts is de vordering na voorwaardelijke veroordeling toegewezen, leidende tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in of omstreeks een periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] (bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland) heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst "Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachen toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en/of daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] );
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij, in of omstreeks de periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] (bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord- Nederland) aan te randen, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst "Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachten toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en/of daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] ), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de in de tenlastelegging genoemde tekst en afbeelding heeft geplaatst op Facebook. Hij heeft verklaard dat hij het bericht uit boosheid en frustratie heeft geplaatst, omdat hij zich niet serieus genomen heeft gevoeld door [benadeelde] toen hij bij haar aangifte heeft gedaan van mishandeling. Voorts heeft hij verklaard dat hij het bericht heeft geplaatst op Facebook omdat hij aandacht wilde vragen voor hetgeen hem was overkomen en daarbij ook duidelijk wilde maken om wie het ging.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
Hiertoe is aangevoerd dat het bericht weliswaar laakbaar is, maar niet strafbaar is omdat het beledigende karakter ontbreekt, het bericht niet of nauwelijks te herleiden is naar aangeefster [benadeelde] persoonlijk en het bericht onvoldoende kenbaar is geweest voor het publiek. Daarnaast is aangevoerd dat de verdachte ervan overtuigd is dat het zo is gegaan als hij in het bericht heeft geschreven en dat het bericht dan dus “waar” is in de zin van het derde lid van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.
Het gerechtshof stelt voorop dat de tekst van het bericht dat de verdachte heeft geplaatst op Facebook letterlijk dient te worden opgevat en gelezen, aangezien dat de tekst is die de
- verder niet ingewijde en niet van enige nadere context voorziene - lezer te zien krijgt.
De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij heeft beoogd om uit te drukken dat [benadeelde] lacherig deed toen hij bij haar aangifte heeft gedaan van mishandeling, maar zo staat het echter niet vermeld in zijn bericht. De inhoud van het bericht drukt letterlijk uit dat [benadeelde] lacherig deed op het moment dat de verdachte werd mishandeld en suggereert aldus dat [benadeelde] bij die mishandeling zelf aanwezig is geweest en daarover lacherig heeft gedaan. Dat laatste is echter niet het geval geweest.
Aldus beschouwd heeft het bericht ontegenzeggelijk een opzettelijk smadelijk karakter, nu het de integriteit van aangeefster [benadeelde] aantast, én is de uitzondering van het derde lid van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht niet aan de orde. Met betrekking tot dit laatste merkt het gerechtshof bovendien op dat los van de vraag of het aan [benadeelde] te laste gelegde waar is, voor toepasselijkheid van de uitzondering is vereist dat het algemeen belang openbaarmaking vereist.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2019 met parketnummer 18-178968-18, te weten een gevangenisstraf van 2 weken met proeftijd van
3 jaren, een
taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. E.M.J. Brink en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 19 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van Weringh en Heblij zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001031-22
Uitspraak d.d.: 19 september 2023
Tegenspraak
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 maart 2022 met het parketnummer 18-293258-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling, parketnummer 18-178968-18, in de strafzaak inzake de verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
wonende te [woonadres] , [postcode] [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 5 september 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte ter zake van het primair aan hem ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis. Daarnaast is gevorderd dat het gerechtshof de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal toewijzen, in die zin dat zal worden opgelegd een taakstraf voor de duur van achtentwintiguren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door veertien dagen hechtenis.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.R. van der Pol, is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte ter zake van het primair aan hem ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.
Voorts is de vordering na voorwaardelijke veroordeling toegewezen, leidende tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in of omstreeks een periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] (bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland) heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst "Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachen toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en/of daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] );
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij, in of omstreeks de periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] (bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord- Nederland) aan te randen, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst "Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachten toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en/of daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] ), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de in de tenlastelegging genoemde tekst en afbeelding heeft geplaatst op Facebook. Hij heeft verklaard dat hij het bericht uit boosheid en frustratie heeft geplaatst, omdat hij zich niet serieus genomen heeft gevoeld door [benadeelde] toen hij bij haar aangifte heeft gedaan van mishandeling. Voorts heeft hij verklaard dat hij het bericht heeft geplaatst op Facebook omdat hij aandacht wilde vragen voor hetgeen hem was overkomen en daarbij ook duidelijk wilde maken om wie het ging.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
Hiertoe is aangevoerd dat het bericht weliswaar laakbaar is, maar niet strafbaar is omdat het beledigende karakter ontbreekt, het bericht niet of nauwelijks te herleiden is naar aangeefster [benadeelde] persoonlijk en het bericht onvoldoende kenbaar is geweest voor het publiek. Daarnaast is aangevoerd dat de verdachte ervan overtuigd is dat het zo is gegaan als hij in het bericht heeft geschreven en dat het bericht dan dus “waar” is in de zin van het derde lid van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.
Het gerechtshof stelt voorop dat de tekst van het bericht dat de verdachte heeft geplaatst op Facebook letterlijk dient te worden opgevat en gelezen, aangezien dat de tekst is die de
- verder niet ingewijde en niet van enige nadere context voorziene - lezer te zien krijgt.
De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij heeft beoogd om uit te drukken dat [benadeelde] lacherig deed toen hij bij haar aangifte heeft gedaan van mishandeling, maar zo staat het echter niet vermeld in zijn bericht. De inhoud van het bericht drukt letterlijk uit dat [benadeelde] lacherig deed op het moment dat de verdachte werd mishandeld en suggereert aldus dat [benadeelde] bij die mishandeling zelf aanwezig is geweest en daarover lacherig heeft gedaan. Dat laatste is echter niet het geval geweest.
Aldus beschouwd heeft het bericht ontegenzeggelijk een opzettelijk smadelijk karakter, nu het de integriteit van aangeefster [benadeelde] aantast, én is de uitzondering van het derde lid van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht niet aan de orde. Met betrekking tot dit laatste merkt het gerechtshof bovendien op dat los van de vraag of het aan [benadeelde] te laste gelegde waar is, voor toepasselijkheid van de uitzondering is vereist dat het algemeen belang openbaarmaking vereist.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2019 met parketnummer 18-178968-18, te weten een gevangenisstraf van 2 weken met proeftijd van
3 jaren, een
taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. E.M.J. Brink en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 19 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van Weringh en Heblij zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.
Inleiding
Dat het algemeen belang dat vereiste, is op geen enkele manier aannemelijk geworden.
Uit de door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen, waaronder met name een door de advocaat-generaal ter terechtzitting van het gerechtshof ingebracht ambtsbericht van een medewerker van het ressortsparket van 31 augustus 2023, blijkt voorts op welke wijze het op Facebook geplaatste bericht kan leiden tot identificatie van die ambtenaar en in welke kring. In het programma BlueView , dat in principe ter beschikking staat aan iedere verbalisant in Nederland, kan gezocht worden op het dienstnummer en dan komen nadere gegevens van de betrokken politieambtenaar naar voren. Daarnaast worden dienstnummers gebruikt in combinatie met naam en rang van verbalisanten, zodat ook bij ketenpartners van de politie die gegevens in enige mate bekend zijn.
Het politieonderzoek zelf toont voorts aan dat een andere politiemedewerker dan aangeefster [benadeelde] het bericht van de verdachte heeft gelezen en bij onderzoek daarnaar inderdaad uitkwam bij aangeefster [benadeelde] . Op welke wijze dat dan exact is gegaan, is - anders dan de verdediging heeft aangevoerd - niet zo relevant. Vast staat immers dát het mogelijk is het bericht naar aangeefster [benadeelde] te herleiden.
Aldus is de inhoud van het bericht voldoende herleidbaar naar aangeefster [benadeelde] en is de kring van personen die kennis kunnen krijgen van dat bericht niet beperkt tot een relatief beperkte, afgebakende groep van personen.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof de bewijsverweren van de verdediging.
Bewezenverklaring
Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in een periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde] , bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeeldingen verspreid, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst
"Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachen toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] ).
Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit
Het primair bewezen verklaarde levert op:
smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
de omstandigheid dat de vorm van smaadschrift waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt een zeer ergerlijk feit is omdat het voor de betrokken politieambtenaar zeer grievend is en daarnaast inbreuk maakt op het gezag van de politie.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
3 augustus 2023, waaruit blijkt dat hij niet ter zake van een identiek strafbaar feit is veroordeeld. Wél is hij eerder veroordeeld ter zake van andere strafbare feiten, waaronder bedreigingen, welke veroordelingen onherroepelijk zijn;
de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daaruit blijkt dat het leven van de verdachte - na een minder florissante periode - thans weer redelijk op orde lijkt te zijn, in die zin dat hij kennelijk de weg naar de hulpverlenende instanties weet te vinden wanneer dat nodig is, hij werk heeft en hij zich fysiek veel beter voelt dan ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen acht. De aard en ernst van het gepleegde strafbaar feit en het grensoverschrijdende gedrag dat de verdachte daarmee heeft vertoond laten daartoe ook geen ruimte.
Het gerechtshof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbaar feit van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een taakstraf voor de duur van twintig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door tien dagen hechtenis. Het gerechtshof zal deze straf daarom opleggen aan de verdachte.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, opgelegd bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2019, parketnummer 18-178968-18. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen.
Op grond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het gerechtshof - in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf - een taakstraf van hierna te melden duur bevelen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63, 261 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Inleiding
Dat het algemeen belang dat vereiste, is op geen enkele manier aannemelijk geworden.
Uit de door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen, waaronder met name een door de advocaat-generaal ter terechtzitting van het gerechtshof ingebracht ambtsbericht van een medewerker van het ressortsparket van 31 augustus 2023, blijkt voorts op welke wijze het op Facebook geplaatste bericht kan leiden tot identificatie van die ambtenaar en in welke kring. In het programma BlueView , dat in principe ter beschikking staat aan iedere verbalisant in Nederland, kan gezocht worden op het dienstnummer en dan komen nadere gegevens van de betrokken politieambtenaar naar voren. Daarnaast worden dienstnummers gebruikt in combinatie met naam en rang van verbalisanten, zodat ook bij ketenpartners van de politie die gegevens in enige mate bekend zijn.
Het politieonderzoek zelf toont voorts aan dat een andere politiemedewerker dan aangeefster [benadeelde] het bericht van de verdachte heeft gelezen en bij onderzoek daarnaar inderdaad uitkwam bij aangeefster [benadeelde] . Op welke wijze dat dan exact is gegaan, is - anders dan de verdediging heeft aangevoerd - niet zo relevant. Vast staat immers dát het mogelijk is het bericht naar aangeefster [benadeelde] te herleiden.
Aldus is de inhoud van het bericht voldoende herleidbaar naar aangeefster [benadeelde] en is de kring van personen die kennis kunnen krijgen van dat bericht niet beperkt tot een relatief beperkte, afgebakende groep van personen.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof de bewijsverweren van de verdediging.
Bewezenverklaring
Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in een periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde] , bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeeldingen verspreid, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst
"Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachen toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] ).
Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit
Het primair bewezen verklaarde levert op:
smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
de omstandigheid dat de vorm van smaadschrift waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt een zeer ergerlijk feit is omdat het voor de betrokken politieambtenaar zeer grievend is en daarnaast inbreuk maakt op het gezag van de politie.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
3 augustus 2023, waaruit blijkt dat hij niet ter zake van een identiek strafbaar feit is veroordeeld. Wél is hij eerder veroordeeld ter zake van andere strafbare feiten, waaronder bedreigingen, welke veroordelingen onherroepelijk zijn;
de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daaruit blijkt dat het leven van de verdachte - na een minder florissante periode - thans weer redelijk op orde lijkt te zijn, in die zin dat hij kennelijk de weg naar de hulpverlenende instanties weet te vinden wanneer dat nodig is, hij werk heeft en hij zich fysiek veel beter voelt dan ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen acht. De aard en ernst van het gepleegde strafbaar feit en het grensoverschrijdende gedrag dat de verdachte daarmee heeft vertoond laten daartoe ook geen ruimte.
Het gerechtshof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbaar feit van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een taakstraf voor de duur van twintig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door tien dagen hechtenis. Het gerechtshof zal deze straf daarom opleggen aan de verdachte.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, opgelegd bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2019, parketnummer 18-178968-18. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen.
Op grond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het gerechtshof - in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf - een taakstraf van hierna te melden duur bevelen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63, 261 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Inleiding
Dat het algemeen belang dat vereiste, is op geen enkele manier aannemelijk geworden.
Uit de door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen, waaronder met name een door de advocaat-generaal ter terechtzitting van het gerechtshof ingebracht ambtsbericht van een medewerker van het ressortsparket van 31 augustus 2023, blijkt voorts op welke wijze het op Facebook geplaatste bericht kan leiden tot identificatie van die ambtenaar en in welke kring. In het programma BlueView , dat in principe ter beschikking staat aan iedere verbalisant in Nederland, kan gezocht worden op het dienstnummer en dan komen nadere gegevens van de betrokken politieambtenaar naar voren. Daarnaast worden dienstnummers gebruikt in combinatie met naam en rang van verbalisanten, zodat ook bij ketenpartners van de politie die gegevens in enige mate bekend zijn.
Het politieonderzoek zelf toont voorts aan dat een andere politiemedewerker dan aangeefster [benadeelde] het bericht van de verdachte heeft gelezen en bij onderzoek daarnaar inderdaad uitkwam bij aangeefster [benadeelde] . Op welke wijze dat dan exact is gegaan, is - anders dan de verdediging heeft aangevoerd - niet zo relevant. Vast staat immers dát het mogelijk is het bericht naar aangeefster [benadeelde] te herleiden.
Aldus is de inhoud van het bericht voldoende herleidbaar naar aangeefster [benadeelde] en is de kring van personen die kennis kunnen krijgen van dat bericht niet beperkt tot een relatief beperkte, afgebakende groep van personen.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof de bewijsverweren van de verdediging.
Bewezenverklaring
Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in een periode van 30 september 2020 t/m 6 oktober 2020 te [pleegplaats] opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde] , bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeeldingen verspreid, door op Facebook een bericht te plaatsen met de tekst
"Deze politieagent vond het leuk om mij uit te lachen toen ik zwaar mishandeld werd. Jammer voor haar weet ik waar ze woont. Andere baan? Geen probleem, ik weet waar je nu werkt. Met trots zal ik zitten, wetend dat jij je eigen naam niet eens meer zal kunnen uitspreken" en daarbij gevoegd het dienstnummer " [dienstnr.] ", toebehorende aan die [benadeelde] met daarbij een foto van een andere vrouw dan voornoemde [benadeelde] (met dezelfde achternaam als die [benadeelde] ).
Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit
Het primair bewezen verklaarde levert op:
smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
de omstandigheid dat de vorm van smaadschrift waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt een zeer ergerlijk feit is omdat het voor de betrokken politieambtenaar zeer grievend is en daarnaast inbreuk maakt op het gezag van de politie.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
3 augustus 2023, waaruit blijkt dat hij niet ter zake van een identiek strafbaar feit is veroordeeld. Wél is hij eerder veroordeeld ter zake van andere strafbare feiten, waaronder bedreigingen, welke veroordelingen onherroepelijk zijn;
de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daaruit blijkt dat het leven van de verdachte - na een minder florissante periode - thans weer redelijk op orde lijkt te zijn, in die zin dat hij kennelijk de weg naar de hulpverlenende instanties weet te vinden wanneer dat nodig is, hij werk heeft en hij zich fysiek veel beter voelt dan ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen acht. De aard en ernst van het gepleegde strafbaar feit en het grensoverschrijdende gedrag dat de verdachte daarmee heeft vertoond laten daartoe ook geen ruimte.
Het gerechtshof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbaar feit van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een taakstraf voor de duur van twintig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door tien dagen hechtenis. Het gerechtshof zal deze straf daarom opleggen aan de verdachte.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, opgelegd bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2019, parketnummer 18-178968-18. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen.
Op grond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het gerechtshof - in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf - een taakstraf van hierna te melden duur bevelen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63, 261 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.