Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-08-22
ECLI:NL:GHARL:2023:7029
Civiel recht
Hoger beroep
22,965 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.302.702
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 361281)
arrest van 22 augustus 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [broer1] ,
advocaat: mr. M.G. Hees,
tegen:
1 [geïntimeerde1] ,
wonende te [woonplaats2] ,
2. [geïntimeerde2] ,
wonende te [woonplaats3] ,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [broer2] en [broer3] ,
advocaat: mr. A.J.C.M. van Acht.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
In het tussenarrest van 26 juli 2022 is een mondelinge behandeling gelast die, na een uitstel van een eerdere datum, op 16 mei 2023 heeft plaatsgevonden. Van deze zitting is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan partijen is verzonden. Het hof beslist dat de door mr. Van Acht ingediende producties 32 en 33 tijdig voor de zitting zijn ingebracht en dat deze onderdeel uitmaken van het procesdossier.
1.2
Partijen hebben na de mondelinge behandeling nog geprobeerd om onderling overeenstemming te bereiken over hun geschilpunten, maar dat is niet gelukt.
1.3
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn broers van elkaar. Hun ouders waren onder huwelijkse voorwaarden getrouwd (koude uitsluiting). Vader is op 18 april 1999 overleden; moeder en de drie broers waren ieder voor 1/4 deel gerechtigd tot de nalatenschap van vader. Zij hebben allen de nalatenschap zuiver aanvaard. Een boedelbeschrijving is toen niet gemaakt en er heeft geen verdeling plaatsgevonden. Op 19 mei 1999 heeft [broer1] een algehele boedelvolmacht getekend ten behoeve van moeder en [broer2] . Op 22-23 november 1999 heeft [broer1] een beperkte boedelvolmacht verstrekt aan moeder en [broer2] , die hij op 30 oktober 2013 heeft ingetrokken. Ook [broer3] heeft op 23 november 1999 een zelfde beperkte boedelvolmacht verstrekt aan moeder en [broer2] .
In april 2000 hebben moeder en partijen aangifte erfbelasting gedaan , waaruit onder meer blijkt dat vader over een effectenportefeuille beschikte van fl. 2.308.554. De nalatenschap van vader beliep in totaal om en nabij fl. 3.878.195,99 (€ 1.759.848).
2.2
Moeder is op 30 oktober 2015 overleden en had geen testament laten opmaken. De drie broers zijn wettelijk ieder voor 1/3 deel gerechtigd tot de nalatenschap van moeder. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
2.3
Notaris mr. Schutte te Ede is door de kantonrechter als boedelnotaris benoemd en hem is opgedragen een boedelbeschrijving op te maken van de nalatenschap van vader en ook van moeder.
2.4
Onder leiding van een kandidaat-notaris (voor de boedelnotaris) zijn op 21 februari 2017 in aanwezigheid van partijen vier kluisloketten bij de ABN AMRO bank geopend ( [nummer1] , [nummer2] , [nummer3] , [nummer4] ) en zijn nog enige andere inboedelgoederen geïnventariseerd; dit alles is vastgelegd in een proces-verbaal van 23 februari 2017.
2.5
De boedelnotaris heeft op 18 oktober 2018 een (uitvoerig) proces-verbaal van boedelbeschrijving opgemaakt met bijbehorende staten (I, II en III van de nalatenschap van vader, van moeder, respectievelijk van beiden). Vast staat, daarover is geen geschil, dat het saldo van de nalatenschap van vader € 1.759.848 bedroeg (staat I), dat het (voorlopig) saldo van de nalatenschap van moeder € 454.866,90 bedroeg (staat II) en dat het (voorlopig) saldo van de nalatenschap van vader en moeder € 1.936.181,74 bedroeg (staat III). Wél hebben partijen veel geschilpunten (gehad) over de afwikkeling van de nalatenschappen (beschreven in het proces-verbaal), waaronder vooral het vermogensverloop en -beheer vanaf overlijden vader tot aan overlijden moeder (periode 1999-2015). Deze geschilpunten zijn ook onderwerp van dan wel aanleiding geweest tot meerdere andere procedures tussen partijen en de onderhavige procedure.
Geschil
3.1
Partijen hebben over en weer vorderingen ingediend die zien op de (financiële) afwikkeling en de verdeling van de nalatenschappen. Op een aantal onderdelen hebben partijen tijdens de rechtbankprocedure overeenstemming bereikt (op 27 oktober 2020 en op 3 november 2020) waarna de rechtbank (op 21 juli 2021) de verdeling heeft vastgesteld van de nalatenschappen (met nevenbeslissingen). De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.
3.2
[broer1] is het met een aantal beslissingen van de rechtbank niet eens en heeft (principaal) hoger beroep ingesteld. Ook [broer2] en [broer3] zijn het niet eens met één beslissing van de rechtbank en hebben op hun beurt ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld.
3.3
Het hof zal de verschillende geschilpunten die nu nog voorliggen hierna per onderwerp beoordelen. Het hof komt overigens tot hetzelfde oordeel als de rechtbank (zij het met een andere motivering) en licht dat hieronder toe.
Motivering
Inleidende opmerkingen
4.1
De zaak kenmerkt zich door gebrek aan vertrouwen van partijen over en weer jegens elkaar en ook zelfs een zekere mate van wantrouwen (tijdens de mondelinge behandeling is verteld dat er rond 1980 gelden uit de familiekluis zijn verdwenen en zijn er “ernstige redenen om aan te nemen dat één van de drie dat heeft gedaan”; deze kwestie heeft flinke invloed gehad op de familieverhoudingen). Er is tussen partijen veel discussie geweest over de beschikbaarheid van stukken die zien op de financiële situatie van de ouders en die stukken zijn over en weer, in gedeelten, tijdens de rechtbankprocedure ingebracht en ook nog in hoger beroep. Het hof kan niet vaststellen of er nog andere, relevante stukken zijn die bij één van de partijen berusten en die niet zijn ingebracht, zodat het hof hier uitgaat van de beschikbare (vele) stukken in dit dossier. De kern van het geschil draait om
1) de gebruikmaking van de volmacht(en) na overlijden vader door moeder en [broer2] (a), de daarover af te leggen rekening en verantwoording (b) en de waardedaling van de effectenportefeuille als gevolg van het handelen van moeder en [broer2] (c);
2) de hoogte van de schenkingen die gedaan zijn vóór 1 januari 2003 aan partijen (die moeten worden ingebracht);
3) een vordering van vader op [broer2] van fl. 240.000 uit hoofde van een lening in 1995;
4) onttrekkingen van gelden aan de bankrekening(en) van vader en moeder door [broer2] en/of [broer3] ;
5) het leeghalen van de vier kluizen na overlijden moeder en
6) de gemaakte kosten ten behoeve van de nalatenschap (in het bijzonder betreffende de woning) na overlijden moeder).
De verleende volmachten
4.2
In de (algemene) volmacht van 22 november 1999 is onder meer opgenomen dat [broer2] en moeder “uitsluitend bevoegd [zijn] te beschikken over de tot de nalatenschap behorende rekeningen bij banken en girodiensten, ten laste daarvan betalingen te verrichten, deze betalingen op te heffen en de saldi te doen overboeken, alles met de macht van substitutie.” In de verklaring van erfrecht van 2 december 1999 wordt hier aan toegevoegd: “Mitsdien zijn [moeder, toev. hof] ….. en [ [broer2] , toev. hof] … gezamenlijk en zelfstandig bevoegd tot de hiervoor genoemde rechtshandelingen. In de begeleidende brief van 2 december 1999 van de notaris aan moederstaat als uitleg/toelichting bij de verzonden verklaring van erfrecht vermeld: “Met deze verklaring van erfrecht kunt u of uw zoon (…) zich bij de bank en bij overige instanties melden als rechthebbende op de tot de nalatenschap behorende tegoeden legitimeren.”
[broer2] en moeder hebben samen het beheer gevoerd over de nalatenschap van vader en ook (rechts)handelingen verricht met betrekking tot de bank- en effectenrekeningen.
4.3
[broer2] heeft aangevoerd dat hij en moeder uit de hiervoor onder 4.2 genoemde stukken altijd heeft begrepen dat zij bevoegd waren om te beschikken over de banktegoeden en de (daaraan gekoppelde) effectenrekeningen en dat zij daartoe beschikkingshandelingen mochten verrichten. Dat was in wezen, zo stelt [broer2] , een voortzetting van de situatie toen vader nog leefde (in 1997 is vader in een verzorgingshuis opgenomen in verband met zijn ziekte). Tijdens de mondelinge behandeling is hieraan nog toegevoegd dat [broer1] , na een schenking (van vader) in de jaren ’90 ook is begonnen met beleggen en dat hij hiervoor ook de “hulp” inschakelde van [broer2] omdat [broer1] in het buitenland verbleef. Op 17 oktober 2010, toen moeder nog leefde, hebben partijen met elkaar gesproken over het beheer van het vermogen van vader vanaf 1998. [broer3] heeft hiervan een (emotioneel) verslag gemaakt in een e-mail van 25 oktober 2010 die gericht was aan [broer1] en [broer2] . Partijen zouden hierover verder spreken op 31 oktober 2010. Wat de uitkomst is geweest van de besprekingen is niet duidelijk (gemaakt), behalve dat er kennelijk geen concrete afspraken zijn gemaakt over het verdere beheer van het vermogen.
Genoegzaam staat wel vast dat door [broer2] en moeder actief is gehandeld met de effectenportefeuille (aan- en verkopen) en dat ook de banken daaraan kennelijk steeds hun medewerking verleenden. De volledige administratie was bij moeder thuis aanwezig en was aldaar in te zien, ook door partijen.
4.4
[broer1] meent dat [broer2] en moeder op grond van de verleende volmacht niet gerechtigd waren om, kort gezegd, te handelen in effecten door aan- en verkoop daarvan. Dat is een kwestie van uitleg van de volmacht en hoe partijen over en weer die volmacht hebben begrepen. Gezien de letterlijke tekst van de volmacht is de visie/uitleg van [broer1] begrijpelijk, maar daartegenover staat de tekst van de verklaring van erfrecht van 2 december 1999. Daarin staat dat moeder en [broer2] bevoegd zijn tot het beschikken over de tot de nalatenschap behorende rekeningen bij banken en girodiensten, ten laste daarvan betalingen te verrichten, deze rekeningen op te heffen en de saldi te doen overboeken en dat moeder en [broer2] gezamenlijk en zelfstandig bevoegd zijn tot het verrichten van de genoemde rechtshandelingen. Daarbij komt dat de effectenrekeningen (ABN AMRO, ING en KBL) gekoppeld waren aan bankrekeningen en, terzijde, dat de ING en KBL steeds hun medewerking hebben verleend aan de transacties. De effectenrekening van ABN AMRO stond op naam van moeder. Ook [broer3] , die dezelfde volmacht heeft getekend als [broer1] , gaat ervan uit dat moeder en [broer2] hiertoe bevoegd waren. In de volmacht zelf wordt niet gerept over de omvangrijke effectenportefeuille, zodat daaruit in elk geval ook niet afgeleid kan worden dat moeder en [broer2] dús niet bevoegd waren om daarmee te handelen. In al die jaren is het beheer of handelen met betrekking tot de omvangrijke effectenportefeuille tussen partijen, onder wie dus ook [broer1] , ook geen onderwerp van bespreking geweest of zijn over de (bevoegdheid tot) aan- en verkoop geen vragen gesteld; althans dat kan het hof niet afleiden uit de stukken, behoudens de bespreking op 17 oktober 2010 waarvan [broer3] een eigen impressie heeft gegeven. Enige reactie van [broer1] hierop heeft het hof niet in de stukken aangetroffen.
Al met al concludeert het hof, gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, dat de volmacht ook ruimte bood voor het handelen in de aan- en verkoop van effecten die gekoppeld waren aan de bankrekeningen. [broer2] en moeder mochten in die context begrijpen uit de verleende volmacht(en) en de gedragingen van [broer3] en [broer1] dat zij ook bevoegd waren om te handelen met de effectenportefeuilles die aan de bankrekeningen gekoppeld waren.
Afleggen rekening en verantwoording
4.5
Tussen partijen is op zich niet in geschil dat [broer2] (en moeder) gehouden is (waren) om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem (hen) gevoerde beheer over het vermogen van vader, waaronder dus ook de beschikkingshandelingen ten aanzien van de effectenportefeuille. Nu moeder is overleden, zal het hof verder ervan uitgaan dat alleen [broer2] rekening en verantwoording moet afleggen. Complicerende factor hierbij is dat het gaat om een periode vanaf mei/oktober 1999 tot en met oktober 2013 (de periode van volmachtverlening) en dat [broer1] lange(re) tijd hier om niet heeft gevraagd waardoor mogelijk informatie niet meer is te achterhalen. Het eerst bekende, schriftelijke verzoek daartoe is afkomstig van de advocaat van [broer1] in een brief van 27 oktober 2014 aan zowel moeder als [broer2] . [broer1] stelt weliswaar dat hij “veelvuldig” heeft gevraagd naar de stand van zaken maar enige onderbouwing daarvan met bijvoorbeeld stukken van zijn kant heeft het hof niet aangetroffen in het dossier.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 21 juli 2021;
6.2
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M.L. van der Bel en K. Mans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2023.
vgl. HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.302.702
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 361281)
arrest van 22 augustus 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [broer1] ,
advocaat: mr. M.G. Hees,
tegen:
1 [geïntimeerde1] ,
wonende te [woonplaats2] ,
2. [geïntimeerde2] ,
wonende te [woonplaats3] ,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [broer2] en [broer3] ,
advocaat: mr. A.J.C.M. van Acht.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
In het tussenarrest van 26 juli 2022 is een mondelinge behandeling gelast die, na een uitstel van een eerdere datum, op 16 mei 2023 heeft plaatsgevonden. Van deze zitting is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan partijen is verzonden. Het hof beslist dat de door mr. Van Acht ingediende producties 32 en 33 tijdig voor de zitting zijn ingebracht en dat deze onderdeel uitmaken van het procesdossier.
1.2
Partijen hebben na de mondelinge behandeling nog geprobeerd om onderling overeenstemming te bereiken over hun geschilpunten, maar dat is niet gelukt.
1.3
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn broers van elkaar. Hun ouders waren onder huwelijkse voorwaarden getrouwd (koude uitsluiting). Vader is op 18 april 1999 overleden; moeder en de drie broers waren ieder voor 1/4 deel gerechtigd tot de nalatenschap van vader. Zij hebben allen de nalatenschap zuiver aanvaard. Een boedelbeschrijving is toen niet gemaakt en er heeft geen verdeling plaatsgevonden. Op 19 mei 1999 heeft [broer1] een algehele boedelvolmacht getekend ten behoeve van moeder en [broer2] . Op 22-23 november 1999 heeft [broer1] een beperkte boedelvolmacht verstrekt aan moeder en [broer2] , die hij op 30 oktober 2013 heeft ingetrokken. Ook [broer3] heeft op 23 november 1999 een zelfde beperkte boedelvolmacht verstrekt aan moeder en [broer2] .
In april 2000 hebben moeder en partijen aangifte erfbelasting gedaan , waaruit onder meer blijkt dat vader over een effectenportefeuille beschikte van fl. 2.308.554. De nalatenschap van vader beliep in totaal om en nabij fl. 3.878.195,99 (€ 1.759.848).
2.2
Moeder is op 30 oktober 2015 overleden en had geen testament laten opmaken. De drie broers zijn wettelijk ieder voor 1/3 deel gerechtigd tot de nalatenschap van moeder. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
2.3
Notaris mr. Schutte te Ede is door de kantonrechter als boedelnotaris benoemd en hem is opgedragen een boedelbeschrijving op te maken van de nalatenschap van vader en ook van moeder.
2.4
Onder leiding van een kandidaat-notaris (voor de boedelnotaris) zijn op 21 februari 2017 in aanwezigheid van partijen vier kluisloketten bij de ABN AMRO bank geopend ( [nummer1] , [nummer2] , [nummer3] , [nummer4] ) en zijn nog enige andere inboedelgoederen geïnventariseerd; dit alles is vastgelegd in een proces-verbaal van 23 februari 2017.
2.5
De boedelnotaris heeft op 18 oktober 2018 een (uitvoerig) proces-verbaal van boedelbeschrijving opgemaakt met bijbehorende staten (I, II en III van de nalatenschap van vader, van moeder, respectievelijk van beiden). Vast staat, daarover is geen geschil, dat het saldo van de nalatenschap van vader € 1.759.848 bedroeg (staat I), dat het (voorlopig) saldo van de nalatenschap van moeder € 454.866,90 bedroeg (staat II) en dat het (voorlopig) saldo van de nalatenschap van vader en moeder € 1.936.181,74 bedroeg (staat III). Wél hebben partijen veel geschilpunten (gehad) over de afwikkeling van de nalatenschappen (beschreven in het proces-verbaal), waaronder vooral het vermogensverloop en -beheer vanaf overlijden vader tot aan overlijden moeder (periode 1999-2015). Deze geschilpunten zijn ook onderwerp van dan wel aanleiding geweest tot meerdere andere procedures tussen partijen en de onderhavige procedure.
Geschil
3.1
Partijen hebben over en weer vorderingen ingediend die zien op de (financiële) afwikkeling en de verdeling van de nalatenschappen. Op een aantal onderdelen hebben partijen tijdens de rechtbankprocedure overeenstemming bereikt (op 27 oktober 2020 en op 3 november 2020) waarna de rechtbank (op 21 juli 2021) de verdeling heeft vastgesteld van de nalatenschappen (met nevenbeslissingen). De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.
3.2
[broer1] is het met een aantal beslissingen van de rechtbank niet eens en heeft (principaal) hoger beroep ingesteld. Ook [broer2] en [broer3] zijn het niet eens met één beslissing van de rechtbank en hebben op hun beurt ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld.
3.3
Het hof zal de verschillende geschilpunten die nu nog voorliggen hierna per onderwerp beoordelen. Het hof komt overigens tot hetzelfde oordeel als de rechtbank (zij het met een andere motivering) en licht dat hieronder toe.
Motivering
Inleidende opmerkingen
4.1
De zaak kenmerkt zich door gebrek aan vertrouwen van partijen over en weer jegens elkaar en ook zelfs een zekere mate van wantrouwen (tijdens de mondelinge behandeling is verteld dat er rond 1980 gelden uit de familiekluis zijn verdwenen en zijn er “ernstige redenen om aan te nemen dat één van de drie dat heeft gedaan”; deze kwestie heeft flinke invloed gehad op de familieverhoudingen). Er is tussen partijen veel discussie geweest over de beschikbaarheid van stukken die zien op de financiële situatie van de ouders en die stukken zijn over en weer, in gedeelten, tijdens de rechtbankprocedure ingebracht en ook nog in hoger beroep. Het hof kan niet vaststellen of er nog andere, relevante stukken zijn die bij één van de partijen berusten en die niet zijn ingebracht, zodat het hof hier uitgaat van de beschikbare (vele) stukken in dit dossier. De kern van het geschil draait om
1) de gebruikmaking van de volmacht(en) na overlijden vader door moeder en [broer2] (a), de daarover af te leggen rekening en verantwoording (b) en de waardedaling van de effectenportefeuille als gevolg van het handelen van moeder en [broer2] (c);
2) de hoogte van de schenkingen die gedaan zijn vóór 1 januari 2003 aan partijen (die moeten worden ingebracht);
3) een vordering van vader op [broer2] van fl. 240.000 uit hoofde van een lening in 1995;
4) onttrekkingen van gelden aan de bankrekening(en) van vader en moeder door [broer2] en/of [broer3] ;
5) het leeghalen van de vier kluizen na overlijden moeder en
6) de gemaakte kosten ten behoeve van de nalatenschap (in het bijzonder betreffende de woning) na overlijden moeder).
De verleende volmachten
4.2
In de (algemene) volmacht van 22 november 1999 is onder meer opgenomen dat [broer2] en moeder “uitsluitend bevoegd [zijn] te beschikken over de tot de nalatenschap behorende rekeningen bij banken en girodiensten, ten laste daarvan betalingen te verrichten, deze betalingen op te heffen en de saldi te doen overboeken, alles met de macht van substitutie.” In de verklaring van erfrecht van 2 december 1999 wordt hier aan toegevoegd: “Mitsdien zijn [moeder, toev. hof] ….. en [ [broer2] , toev. hof] … gezamenlijk en zelfstandig bevoegd tot de hiervoor genoemde rechtshandelingen. In de begeleidende brief van 2 december 1999 van de notaris aan moederstaat als uitleg/toelichting bij de verzonden verklaring van erfrecht vermeld: “Met deze verklaring van erfrecht kunt u of uw zoon (…) zich bij de bank en bij overige instanties melden als rechthebbende op de tot de nalatenschap behorende tegoeden legitimeren.”
[broer2] en moeder hebben samen het beheer gevoerd over de nalatenschap van vader en ook (rechts)handelingen verricht met betrekking tot de bank- en effectenrekeningen.
4.3
[broer2] heeft aangevoerd dat hij en moeder uit de hiervoor onder 4.2 genoemde stukken altijd heeft begrepen dat zij bevoegd waren om te beschikken over de banktegoeden en de (daaraan gekoppelde) effectenrekeningen en dat zij daartoe beschikkingshandelingen mochten verrichten. Dat was in wezen, zo stelt [broer2] , een voortzetting van de situatie toen vader nog leefde (in 1997 is vader in een verzorgingshuis opgenomen in verband met zijn ziekte). Tijdens de mondelinge behandeling is hieraan nog toegevoegd dat [broer1] , na een schenking (van vader) in de jaren ’90 ook is begonnen met beleggen en dat hij hiervoor ook de “hulp” inschakelde van [broer2] omdat [broer1] in het buitenland verbleef. Op 17 oktober 2010, toen moeder nog leefde, hebben partijen met elkaar gesproken over het beheer van het vermogen van vader vanaf 1998. [broer3] heeft hiervan een (emotioneel) verslag gemaakt in een e-mail van 25 oktober 2010 die gericht was aan [broer1] en [broer2] . Partijen zouden hierover verder spreken op 31 oktober 2010. Wat de uitkomst is geweest van de besprekingen is niet duidelijk (gemaakt), behalve dat er kennelijk geen concrete afspraken zijn gemaakt over het verdere beheer van het vermogen.
Genoegzaam staat wel vast dat door [broer2] en moeder actief is gehandeld met de effectenportefeuille (aan- en verkopen) en dat ook de banken daaraan kennelijk steeds hun medewerking verleenden. De volledige administratie was bij moeder thuis aanwezig en was aldaar in te zien, ook door partijen.
4.4
[broer1] meent dat [broer2] en moeder op grond van de verleende volmacht niet gerechtigd waren om, kort gezegd, te handelen in effecten door aan- en verkoop daarvan. Dat is een kwestie van uitleg van de volmacht en hoe partijen over en weer die volmacht hebben begrepen. Gezien de letterlijke tekst van de volmacht is de visie/uitleg van [broer1] begrijpelijk, maar daartegenover staat de tekst van de verklaring van erfrecht van 2 december 1999. Daarin staat dat moeder en [broer2] bevoegd zijn tot het beschikken over de tot de nalatenschap behorende rekeningen bij banken en girodiensten, ten laste daarvan betalingen te verrichten, deze rekeningen op te heffen en de saldi te doen overboeken en dat moeder en [broer2] gezamenlijk en zelfstandig bevoegd zijn tot het verrichten van de genoemde rechtshandelingen. Daarbij komt dat de effectenrekeningen (ABN AMRO, ING en KBL) gekoppeld waren aan bankrekeningen en, terzijde, dat de ING en KBL steeds hun medewerking hebben verleend aan de transacties. De effectenrekening van ABN AMRO stond op naam van moeder. Ook [broer3] , die dezelfde volmacht heeft getekend als [broer1] , gaat ervan uit dat moeder en [broer2] hiertoe bevoegd waren. In de volmacht zelf wordt niet gerept over de omvangrijke effectenportefeuille, zodat daaruit in elk geval ook niet afgeleid kan worden dat moeder en [broer2] dús niet bevoegd waren om daarmee te handelen. In al die jaren is het beheer of handelen met betrekking tot de omvangrijke effectenportefeuille tussen partijen, onder wie dus ook [broer1] , ook geen onderwerp van bespreking geweest of zijn over de (bevoegdheid tot) aan- en verkoop geen vragen gesteld; althans dat kan het hof niet afleiden uit de stukken, behoudens de bespreking op 17 oktober 2010 waarvan [broer3] een eigen impressie heeft gegeven. Enige reactie van [broer1] hierop heeft het hof niet in de stukken aangetroffen.
Al met al concludeert het hof, gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, dat de volmacht ook ruimte bood voor het handelen in de aan- en verkoop van effecten die gekoppeld waren aan de bankrekeningen. [broer2] en moeder mochten in die context begrijpen uit de verleende volmacht(en) en de gedragingen van [broer3] en [broer1] dat zij ook bevoegd waren om te handelen met de effectenportefeuilles die aan de bankrekeningen gekoppeld waren.
Afleggen rekening en verantwoording
4.5
Tussen partijen is op zich niet in geschil dat [broer2] (en moeder) gehouden is (waren) om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem (hen) gevoerde beheer over het vermogen van vader, waaronder dus ook de beschikkingshandelingen ten aanzien van de effectenportefeuille. Nu moeder is overleden, zal het hof verder ervan uitgaan dat alleen [broer2] rekening en verantwoording moet afleggen. Complicerende factor hierbij is dat het gaat om een periode vanaf mei/oktober 1999 tot en met oktober 2013 (de periode van volmachtverlening) en dat [broer1] lange(re) tijd hier om niet heeft gevraagd waardoor mogelijk informatie niet meer is te achterhalen. Het eerst bekende, schriftelijke verzoek daartoe is afkomstig van de advocaat van [broer1] in een brief van 27 oktober 2014 aan zowel moeder als [broer2] . [broer1] stelt weliswaar dat hij “veelvuldig” heeft gevraagd naar de stand van zaken maar enige onderbouwing daarvan met bijvoorbeeld stukken van zijn kant heeft het hof niet aangetroffen in het dossier.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 21 juli 2021;
6.2
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M.L. van der Bel en K. Mans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2023.
vgl. HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.302.702
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 361281)
arrest van 22 augustus 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [broer1] ,
advocaat: mr. M.G. Hees,
tegen:
1 [geïntimeerde1] ,
wonende te [woonplaats2] ,
2. [geïntimeerde2] ,
wonende te [woonplaats3] ,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [broer2] en [broer3] ,
advocaat: mr. A.J.C.M. van Acht.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
In het tussenarrest van 26 juli 2022 is een mondelinge behandeling gelast die, na een uitstel van een eerdere datum, op 16 mei 2023 heeft plaatsgevonden. Van deze zitting is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan partijen is verzonden. Het hof beslist dat de door mr. Van Acht ingediende producties 32 en 33 tijdig voor de zitting zijn ingebracht en dat deze onderdeel uitmaken van het procesdossier.
1.2
Partijen hebben na de mondelinge behandeling nog geprobeerd om onderling overeenstemming te bereiken over hun geschilpunten, maar dat is niet gelukt.
1.3
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn broers van elkaar. Hun ouders waren onder huwelijkse voorwaarden getrouwd (koude uitsluiting). Vader is op 18 april 1999 overleden; moeder en de drie broers waren ieder voor 1/4 deel gerechtigd tot de nalatenschap van vader. Zij hebben allen de nalatenschap zuiver aanvaard. Een boedelbeschrijving is toen niet gemaakt en er heeft geen verdeling plaatsgevonden. Op 19 mei 1999 heeft [broer1] een algehele boedelvolmacht getekend ten behoeve van moeder en [broer2] . Op 22-23 november 1999 heeft [broer1] een beperkte boedelvolmacht verstrekt aan moeder en [broer2] , die hij op 30 oktober 2013 heeft ingetrokken. Ook [broer3] heeft op 23 november 1999 een zelfde beperkte boedelvolmacht verstrekt aan moeder en [broer2] .
In april 2000 hebben moeder en partijen aangifte erfbelasting gedaan , waaruit onder meer blijkt dat vader over een effectenportefeuille beschikte van fl. 2.308.554. De nalatenschap van vader beliep in totaal om en nabij fl. 3.878.195,99 (€ 1.759.848).
2.2
Moeder is op 30 oktober 2015 overleden en had geen testament laten opmaken. De drie broers zijn wettelijk ieder voor 1/3 deel gerechtigd tot de nalatenschap van moeder. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
2.3
Notaris mr. Schutte te Ede is door de kantonrechter als boedelnotaris benoemd en hem is opgedragen een boedelbeschrijving op te maken van de nalatenschap van vader en ook van moeder.
2.4
Onder leiding van een kandidaat-notaris (voor de boedelnotaris) zijn op 21 februari 2017 in aanwezigheid van partijen vier kluisloketten bij de ABN AMRO bank geopend ( [nummer1] , [nummer2] , [nummer3] , [nummer4] ) en zijn nog enige andere inboedelgoederen geïnventariseerd; dit alles is vastgelegd in een proces-verbaal van 23 februari 2017.
2.5
De boedelnotaris heeft op 18 oktober 2018 een (uitvoerig) proces-verbaal van boedelbeschrijving opgemaakt met bijbehorende staten (I, II en III van de nalatenschap van vader, van moeder, respectievelijk van beiden). Vast staat, daarover is geen geschil, dat het saldo van de nalatenschap van vader € 1.759.848 bedroeg (staat I), dat het (voorlopig) saldo van de nalatenschap van moeder € 454.866,90 bedroeg (staat II) en dat het (voorlopig) saldo van de nalatenschap van vader en moeder € 1.936.181,74 bedroeg (staat III). Wél hebben partijen veel geschilpunten (gehad) over de afwikkeling van de nalatenschappen (beschreven in het proces-verbaal), waaronder vooral het vermogensverloop en -beheer vanaf overlijden vader tot aan overlijden moeder (periode 1999-2015). Deze geschilpunten zijn ook onderwerp van dan wel aanleiding geweest tot meerdere andere procedures tussen partijen en de onderhavige procedure.
Geschil
3.1
Partijen hebben over en weer vorderingen ingediend die zien op de (financiële) afwikkeling en de verdeling van de nalatenschappen. Op een aantal onderdelen hebben partijen tijdens de rechtbankprocedure overeenstemming bereikt (op 27 oktober 2020 en op 3 november 2020) waarna de rechtbank (op 21 juli 2021) de verdeling heeft vastgesteld van de nalatenschappen (met nevenbeslissingen). De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.
3.2
[broer1] is het met een aantal beslissingen van de rechtbank niet eens en heeft (principaal) hoger beroep ingesteld. Ook [broer2] en [broer3] zijn het niet eens met één beslissing van de rechtbank en hebben op hun beurt ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld.
3.3
Het hof zal de verschillende geschilpunten die nu nog voorliggen hierna per onderwerp beoordelen. Het hof komt overigens tot hetzelfde oordeel als de rechtbank (zij het met een andere motivering) en licht dat hieronder toe.
Motivering
Inleidende opmerkingen
4.1
De zaak kenmerkt zich door gebrek aan vertrouwen van partijen over en weer jegens elkaar en ook zelfs een zekere mate van wantrouwen (tijdens de mondelinge behandeling is verteld dat er rond 1980 gelden uit de familiekluis zijn verdwenen en zijn er “ernstige redenen om aan te nemen dat één van de drie dat heeft gedaan”; deze kwestie heeft flinke invloed gehad op de familieverhoudingen). Er is tussen partijen veel discussie geweest over de beschikbaarheid van stukken die zien op de financiële situatie van de ouders en die stukken zijn over en weer, in gedeelten, tijdens de rechtbankprocedure ingebracht en ook nog in hoger beroep. Het hof kan niet vaststellen of er nog andere, relevante stukken zijn die bij één van de partijen berusten en die niet zijn ingebracht, zodat het hof hier uitgaat van de beschikbare (vele) stukken in dit dossier. De kern van het geschil draait om
1) de gebruikmaking van de volmacht(en) na overlijden vader door moeder en [broer2] (a), de daarover af te leggen rekening en verantwoording (b) en de waardedaling van de effectenportefeuille als gevolg van het handelen van moeder en [broer2] (c);
2) de hoogte van de schenkingen die gedaan zijn vóór 1 januari 2003 aan partijen (die moeten worden ingebracht);
3) een vordering van vader op [broer2] van fl. 240.000 uit hoofde van een lening in 1995;
4) onttrekkingen van gelden aan de bankrekening(en) van vader en moeder door [broer2] en/of [broer3] ;
5) het leeghalen van de vier kluizen na overlijden moeder en
6) de gemaakte kosten ten behoeve van de nalatenschap (in het bijzonder betreffende de woning) na overlijden moeder).
De verleende volmachten
4.2
In de (algemene) volmacht van 22 november 1999 is onder meer opgenomen dat [broer2] en moeder “uitsluitend bevoegd [zijn] te beschikken over de tot de nalatenschap behorende rekeningen bij banken en girodiensten, ten laste daarvan betalingen te verrichten, deze betalingen op te heffen en de saldi te doen overboeken, alles met de macht van substitutie.” In de verklaring van erfrecht van 2 december 1999 wordt hier aan toegevoegd: “Mitsdien zijn [moeder, toev. hof] ….. en [ [broer2] , toev. hof] … gezamenlijk en zelfstandig bevoegd tot de hiervoor genoemde rechtshandelingen. In de begeleidende brief van 2 december 1999 van de notaris aan moederstaat als uitleg/toelichting bij de verzonden verklaring van erfrecht vermeld: “Met deze verklaring van erfrecht kunt u of uw zoon (…) zich bij de bank en bij overige instanties melden als rechthebbende op de tot de nalatenschap behorende tegoeden legitimeren.”
[broer2] en moeder hebben samen het beheer gevoerd over de nalatenschap van vader en ook (rechts)handelingen verricht met betrekking tot de bank- en effectenrekeningen.
4.3
[broer2] heeft aangevoerd dat hij en moeder uit de hiervoor onder 4.2 genoemde stukken altijd heeft begrepen dat zij bevoegd waren om te beschikken over de banktegoeden en de (daaraan gekoppelde) effectenrekeningen en dat zij daartoe beschikkingshandelingen mochten verrichten. Dat was in wezen, zo stelt [broer2] , een voortzetting van de situatie toen vader nog leefde (in 1997 is vader in een verzorgingshuis opgenomen in verband met zijn ziekte). Tijdens de mondelinge behandeling is hieraan nog toegevoegd dat [broer1] , na een schenking (van vader) in de jaren ’90 ook is begonnen met beleggen en dat hij hiervoor ook de “hulp” inschakelde van [broer2] omdat [broer1] in het buitenland verbleef. Op 17 oktober 2010, toen moeder nog leefde, hebben partijen met elkaar gesproken over het beheer van het vermogen van vader vanaf 1998. [broer3] heeft hiervan een (emotioneel) verslag gemaakt in een e-mail van 25 oktober 2010 die gericht was aan [broer1] en [broer2] . Partijen zouden hierover verder spreken op 31 oktober 2010. Wat de uitkomst is geweest van de besprekingen is niet duidelijk (gemaakt), behalve dat er kennelijk geen concrete afspraken zijn gemaakt over het verdere beheer van het vermogen.
Genoegzaam staat wel vast dat door [broer2] en moeder actief is gehandeld met de effectenportefeuille (aan- en verkopen) en dat ook de banken daaraan kennelijk steeds hun medewerking verleenden. De volledige administratie was bij moeder thuis aanwezig en was aldaar in te zien, ook door partijen.
4.4
[broer1] meent dat [broer2] en moeder op grond van de verleende volmacht niet gerechtigd waren om, kort gezegd, te handelen in effecten door aan- en verkoop daarvan. Dat is een kwestie van uitleg van de volmacht en hoe partijen over en weer die volmacht hebben begrepen. Gezien de letterlijke tekst van de volmacht is de visie/uitleg van [broer1] begrijpelijk, maar daartegenover staat de tekst van de verklaring van erfrecht van 2 december 1999. Daarin staat dat moeder en [broer2] bevoegd zijn tot het beschikken over de tot de nalatenschap behorende rekeningen bij banken en girodiensten, ten laste daarvan betalingen te verrichten, deze rekeningen op te heffen en de saldi te doen overboeken en dat moeder en [broer2] gezamenlijk en zelfstandig bevoegd zijn tot het verrichten van de genoemde rechtshandelingen. Daarbij komt dat de effectenrekeningen (ABN AMRO, ING en KBL) gekoppeld waren aan bankrekeningen en, terzijde, dat de ING en KBL steeds hun medewerking hebben verleend aan de transacties. De effectenrekening van ABN AMRO stond op naam van moeder. Ook [broer3] , die dezelfde volmacht heeft getekend als [broer1] , gaat ervan uit dat moeder en [broer2] hiertoe bevoegd waren. In de volmacht zelf wordt niet gerept over de omvangrijke effectenportefeuille, zodat daaruit in elk geval ook niet afgeleid kan worden dat moeder en [broer2] dús niet bevoegd waren om daarmee te handelen. In al die jaren is het beheer of handelen met betrekking tot de omvangrijke effectenportefeuille tussen partijen, onder wie dus ook [broer1] , ook geen onderwerp van bespreking geweest of zijn over de (bevoegdheid tot) aan- en verkoop geen vragen gesteld; althans dat kan het hof niet afleiden uit de stukken, behoudens de bespreking op 17 oktober 2010 waarvan [broer3] een eigen impressie heeft gegeven. Enige reactie van [broer1] hierop heeft het hof niet in de stukken aangetroffen.
Al met al concludeert het hof, gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, dat de volmacht ook ruimte bood voor het handelen in de aan- en verkoop van effecten die gekoppeld waren aan de bankrekeningen. [broer2] en moeder mochten in die context begrijpen uit de verleende volmacht(en) en de gedragingen van [broer3] en [broer1] dat zij ook bevoegd waren om te handelen met de effectenportefeuilles die aan de bankrekeningen gekoppeld waren.
Afleggen rekening en verantwoording
4.5
Tussen partijen is op zich niet in geschil dat [broer2] (en moeder) gehouden is (waren) om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem (hen) gevoerde beheer over het vermogen van vader, waaronder dus ook de beschikkingshandelingen ten aanzien van de effectenportefeuille. Nu moeder is overleden, zal het hof verder ervan uitgaan dat alleen [broer2] rekening en verantwoording moet afleggen. Complicerende factor hierbij is dat het gaat om een periode vanaf mei/oktober 1999 tot en met oktober 2013 (de periode van volmachtverlening) en dat [broer1] lange(re) tijd hier om niet heeft gevraagd waardoor mogelijk informatie niet meer is te achterhalen. Het eerst bekende, schriftelijke verzoek daartoe is afkomstig van de advocaat van [broer1] in een brief van 27 oktober 2014 aan zowel moeder als [broer2] . [broer1] stelt weliswaar dat hij “veelvuldig” heeft gevraagd naar de stand van zaken maar enige onderbouwing daarvan met bijvoorbeeld stukken van zijn kant heeft het hof niet aangetroffen in het dossier.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 21 juli 2021;
6.2
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M.L. van der Bel en K. Mans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2023.
vgl. HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561
Motivering
De eisen die aan een rekening en verantwoording moeten worden gesteld wordt van geval tot geval bepaald door de aard van de rechtsverhouding en de omstandigheden van het geval. Het gaat hier om beheer binnen het kader van familiaire verhoudingen: [broer2] is/was geen professioneel beheerder en [broer1] heeft, naar eigen zeggen, zich jarenlang afzijdig gehouden en tijdens de periode van volmachtverlening niet eerder om rekening en verantwoording gevraagd; zijn kale stellingen dat hij dat wel heeft gedaan zijn weersproken door [broer2] en er zijn geen onderbouwende stukken hier voor. Moeder leefde nog in de periode dat het beheer werd gevoerd, waarover zij ook rekening en verantwoording had moeten afleggen als medegevolmachtigde. Moeder was voor 1/4 deel wettelijk erfgenaam van vader en beheerde dus in die zin ook haar “eigen” (geërfde) vermogen.
4.6
Gezien de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan en behoeft van [broer2] niet verlangd te worden dat hij, bijvoorbeeld, de bankafschriften van de verschillende bank- en effectenrekeningen bewaarde omdat mogelijk nog een vraag zou komen om rekening en verantwoording af te leggen door [broer1] die zich al die jaren afzijdig had gehouden – en wel wist dat sprake was van een aanzienlijk vermogen dat beheerd werd. Het verwijt van [broer1] aan [broer2] dat hij geen (behoorlijke) administratie heeft gevoerd en bijgehouden (en bewaard)is gezien de genoemde feiten en omstandigheden in deze zaak dan ook niet terecht. In dit licht bezien is de verklaring van [broer2] van 7 juli 2016, voordat de onderhavige procedure begon, waarin hij op globale wijze rekening en verantwoording aflegt voldoende. Verder hebben [broer2] en [broer3] na de eerste mondelinge behandeling bij de rechtbank bij akte van 13 januari 2021 (productie 20) nog een nadere toelichting gegeven op het financiële beloop van de bank- en effectenrekeningen en daarvan een overzicht gemaakt en daarmee heeft [broer2] ook rekening en verantwoording gelegd. Uit deze akte blijkt dat [broer1] al beschikte over financiële gegevens, waaronder in ieder geval handgeschreven stukken ten behoeve van de aangiften IB van moeder over de periode van volmacht, waarin ook bank- en effectenrekeningen zijn opgenomen, alsmede het uitgekeerde dividend. Deze stukken had [broer1] al eerder, bij akte van 25 november 2020 als producties 33-43, zelf ingebracht. Deze stukken zouden aanwezig zijn geweest in de woning van moeder en door [broer1] meegenomen. Wanneer die door [broer1] zijn gevonden en meegenomen is niet bekend (geworden). Feit is wel dat ook die stukken inzicht geven in het vermogensverloop van erflater. Gelet op het voorgaande heeft [broer2] voldoende rekening en verantwoording afgelegd.
De waardedaling van de effectenportefeuille
4.7
In het verlengde van het verwijt dat [broer2] niet bevoegd was om met de effectenportefeuille ‘te handelen’ en daarover ook geen rekening en verantwoording heeft afgelegd, ligt het verwijt dat de waardedaling van de effectenportefeuille aan zijn handelen is te wijten. De bewijslast van deze stelling ligt op [broer1] . Hij stelt daartoe dat de waarde van de portefeuille bij aanvang van het beheer fl 2.308.554 / € 1.047.576 (afgerond) bedroeg en bij einde van het beheer € 384.006 (afgerond). Dat is dus een waardedaling van € 663.570 (afgerond). [broer1] meent dat er een actief beleid is gevoerd door [broer2] en een deskundige benoemd moet worden om de gevolgen hiervan voor de omvang van de nalatenschap in kaart te brengen. [broer1] persisteert in hoger beroep bij de benoeming van een deskundige. [broer1] heeft zijn vragen en berekeningen in de akte van 10 maart 2021 (conclusie van antwoord na comparitie) met producties neergelegd, waarop [broer2] en [broer3] bij akte van 19 mei 2021 hebben gereageerd en zijn stelling gemotiveerd hebben weersproken. Op dit stuk heeft [broer1] niet meer kunnen reageren en de rechtbank heeft toen eindvonnis gewezen. In hoger beroep heeft [broer1] deze kans wel gehad bij memorie van grieven (herstelfunctie van het hoger beroep). Hij vordert onder meer een bedrag van € 910.195,50 wegens gederfd (fictief) rendement (van 5% per jaar) op de effectenportefeuille. Tegenover deze stelling van [broer1] hebben [broer2] en [broer3] zowel bij de rechtbank als in hoger beroep uitvoerig verweer gevoerd (in het bijzonder ten aanzien van de afname van het vermogen en de invloed van externe factoren op de waardedaling van de effecten). [broer1] zelf gaat (in de memorie van grieven) uit van een startvermogen (banksaldi + effectenportefeuille) van € 1.169.559 en een eindvermogen van € 1.036.665,41 (datum overlijden moeder). [broer1] benoemt daarbij dat dit op zich geen bijzondere daling is maar dat er (dan) geen sprake is geweest van rendement op het startvermogen en dat sprake was van een zeer beperkte interingsbehoefte van moeder. Het belangrijkste voor [broer1] is die daling van de effectenportefeuille. Hiertegenover hebben [broer2] en [broer3] andermaal aangevoerd dat met het afnemen van het effectenvermogen de banktegoeden juist toenamen, vooral doordat de obligaties in de loop der tijd zijn verkocht. Voorts hebben zij erop gewezen dat in 2000-2002 en in 2008-2009 sprake is geweest van een ingrijpende beurscrisis (waardoor het aandelenvermogen afnam), dat uit het vermogende erfbelasting van ongeveer € 200.000 is betaald en ten laste van moeder € 73.000 boete voor de inkeerregeling, naast het gegeven dat moeder dezelfde (welvarende) levensstijl voerde als voor het overlijden van vader, de vermogensbelasting betaalde en alle kosten droeg voor de woning. Feit is dat moeder, die enkel een AOW-uitkering genoot, nog ruim 16 jaar heeft geleefd na het overlijden van vader, en dat zij kon interen op haar aandeel in het van vader geërfde vermogen. Naar het oordeel van het hof heeft [broer1] zijn stelling en vordering in hoger beroep onvoldoende van een feitelijke onderbouwing voorzien (bijvoorbeeld met een eigen deskundigenadvies dan wel door een voorlopig deskundigenbericht) en is hij onvoldoende ingegaan op de gemotiveerde verweren die [broer2] en [broer3] bij de rechtbank al voerden. Het (enkele) feit dat de waarde van de effectenportefeuille is gedaald onderbouwt niet dat sprake zou zijn van verwijtbaar handelen van [broer2] en al helemaal niet dat sprake is van een gederfd (fictief) rendement van 5% per jaar. Het hof komt door deze onvoldoende onderbouwing van [broer1] niet toe aan enige bewijsopdracht (ook een specifiek aanbod ontbreekt overigens) en heeft ook geen behoefte aan een deskundigenonderzoek als ‘fishing expedition’.
De hoogte van de schenkingen voor 1 januari 2003
4.8
[broer1] stelt dat zowel [broer2] als [broer3] ieder fl. 265.000 geschonken hebben gekregen en dat hij slechts fl. 100.000 als schenking heeft ontvangen (dit alles vóór 1 januari 2003). Uit de aangiften schenkingsbelasting blijkt het volgende: in mei 1990 is een (contant) bedrag van fl. 33.000 geschonken; op 18 februari 1998 is een bedrag van fl. 132.000 geschonken en op 20 juni 1995 een bedrag van fl. 100.000. Die schenkingen zijn steeds gedaan door [de vader] , de vader van partijen. [broer1] wijst erop dat die aangiften niet zijn ondertekend door vader (en door hemzelf) en dat deze aangiften dus geen bewijs leveren van de schenkingen. Hierop hebben [broer2] en [broer3] gerespondeerd dat dit kopie-aangiften zijn voor de eigen administratie, die dus niet ondertekend hoeven te zijn. Wat betreft de schenking van fl. 132.000 constateert het hof dat deze schenking ook bij de aangifte IB 1998 is vermeld en dat dit document ook (als bijlage XVIII) aan de het proces-verbaal van boedelbeschrijvingen is gehecht. Voorts is over deze schenking ook nog een brief van 9 februari 1999 van de accountant aan moeder waarin geschreven wordt over de schenking van fl. 132.000 aan [broer1] . Daarmee staat die schenking naar het oordeel van het hof genoegzaam vast. Wat betreft de (contante) schenking van fl.
Motivering
De eisen die aan een rekening en verantwoording moeten worden gesteld wordt van geval tot geval bepaald door de aard van de rechtsverhouding en de omstandigheden van het geval. Het gaat hier om beheer binnen het kader van familiaire verhoudingen: [broer2] is/was geen professioneel beheerder en [broer1] heeft, naar eigen zeggen, zich jarenlang afzijdig gehouden en tijdens de periode van volmachtverlening niet eerder om rekening en verantwoording gevraagd; zijn kale stellingen dat hij dat wel heeft gedaan zijn weersproken door [broer2] en er zijn geen onderbouwende stukken hier voor. Moeder leefde nog in de periode dat het beheer werd gevoerd, waarover zij ook rekening en verantwoording had moeten afleggen als medegevolmachtigde. Moeder was voor 1/4 deel wettelijk erfgenaam van vader en beheerde dus in die zin ook haar “eigen” (geërfde) vermogen.
4.6
Gezien de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan en behoeft van [broer2] niet verlangd te worden dat hij, bijvoorbeeld, de bankafschriften van de verschillende bank- en effectenrekeningen bewaarde omdat mogelijk nog een vraag zou komen om rekening en verantwoording af te leggen door [broer1] die zich al die jaren afzijdig had gehouden – en wel wist dat sprake was van een aanzienlijk vermogen dat beheerd werd. Het verwijt van [broer1] aan [broer2] dat hij geen (behoorlijke) administratie heeft gevoerd en bijgehouden (en bewaard)is gezien de genoemde feiten en omstandigheden in deze zaak dan ook niet terecht. In dit licht bezien is de verklaring van [broer2] van 7 juli 2016, voordat de onderhavige procedure begon, waarin hij op globale wijze rekening en verantwoording aflegt voldoende. Verder hebben [broer2] en [broer3] na de eerste mondelinge behandeling bij de rechtbank bij akte van 13 januari 2021 (productie 20) nog een nadere toelichting gegeven op het financiële beloop van de bank- en effectenrekeningen en daarvan een overzicht gemaakt en daarmee heeft [broer2] ook rekening en verantwoording gelegd. Uit deze akte blijkt dat [broer1] al beschikte over financiële gegevens, waaronder in ieder geval handgeschreven stukken ten behoeve van de aangiften IB van moeder over de periode van volmacht, waarin ook bank- en effectenrekeningen zijn opgenomen, alsmede het uitgekeerde dividend. Deze stukken had [broer1] al eerder, bij akte van 25 november 2020 als producties 33-43, zelf ingebracht. Deze stukken zouden aanwezig zijn geweest in de woning van moeder en door [broer1] meegenomen. Wanneer die door [broer1] zijn gevonden en meegenomen is niet bekend (geworden). Feit is wel dat ook die stukken inzicht geven in het vermogensverloop van erflater. Gelet op het voorgaande heeft [broer2] voldoende rekening en verantwoording afgelegd.
De waardedaling van de effectenportefeuille
4.7
In het verlengde van het verwijt dat [broer2] niet bevoegd was om met de effectenportefeuille ‘te handelen’ en daarover ook geen rekening en verantwoording heeft afgelegd, ligt het verwijt dat de waardedaling van de effectenportefeuille aan zijn handelen is te wijten. De bewijslast van deze stelling ligt op [broer1] . Hij stelt daartoe dat de waarde van de portefeuille bij aanvang van het beheer fl 2.308.554 / € 1.047.576 (afgerond) bedroeg en bij einde van het beheer € 384.006 (afgerond). Dat is dus een waardedaling van € 663.570 (afgerond). [broer1] meent dat er een actief beleid is gevoerd door [broer2] en een deskundige benoemd moet worden om de gevolgen hiervan voor de omvang van de nalatenschap in kaart te brengen. [broer1] persisteert in hoger beroep bij de benoeming van een deskundige. [broer1] heeft zijn vragen en berekeningen in de akte van 10 maart 2021 (conclusie van antwoord na comparitie) met producties neergelegd, waarop [broer2] en [broer3] bij akte van 19 mei 2021 hebben gereageerd en zijn stelling gemotiveerd hebben weersproken. Op dit stuk heeft [broer1] niet meer kunnen reageren en de rechtbank heeft toen eindvonnis gewezen. In hoger beroep heeft [broer1] deze kans wel gehad bij memorie van grieven (herstelfunctie van het hoger beroep). Hij vordert onder meer een bedrag van € 910.195,50 wegens gederfd (fictief) rendement (van 5% per jaar) op de effectenportefeuille. Tegenover deze stelling van [broer1] hebben [broer2] en [broer3] zowel bij de rechtbank als in hoger beroep uitvoerig verweer gevoerd (in het bijzonder ten aanzien van de afname van het vermogen en de invloed van externe factoren op de waardedaling van de effecten). [broer1] zelf gaat (in de memorie van grieven) uit van een startvermogen (banksaldi + effectenportefeuille) van € 1.169.559 en een eindvermogen van € 1.036.665,41 (datum overlijden moeder). [broer1] benoemt daarbij dat dit op zich geen bijzondere daling is maar dat er (dan) geen sprake is geweest van rendement op het startvermogen en dat sprake was van een zeer beperkte interingsbehoefte van moeder. Het belangrijkste voor [broer1] is die daling van de effectenportefeuille. Hiertegenover hebben [broer2] en [broer3] andermaal aangevoerd dat met het afnemen van het effectenvermogen de banktegoeden juist toenamen, vooral doordat de obligaties in de loop der tijd zijn verkocht. Voorts hebben zij erop gewezen dat in 2000-2002 en in 2008-2009 sprake is geweest van een ingrijpende beurscrisis (waardoor het aandelenvermogen afnam), dat uit het vermogende erfbelasting van ongeveer € 200.000 is betaald en ten laste van moeder € 73.000 boete voor de inkeerregeling, naast het gegeven dat moeder dezelfde (welvarende) levensstijl voerde als voor het overlijden van vader, de vermogensbelasting betaalde en alle kosten droeg voor de woning. Feit is dat moeder, die enkel een AOW-uitkering genoot, nog ruim 16 jaar heeft geleefd na het overlijden van vader, en dat zij kon interen op haar aandeel in het van vader geërfde vermogen. Naar het oordeel van het hof heeft [broer1] zijn stelling en vordering in hoger beroep onvoldoende van een feitelijke onderbouwing voorzien (bijvoorbeeld met een eigen deskundigenadvies dan wel door een voorlopig deskundigenbericht) en is hij onvoldoende ingegaan op de gemotiveerde verweren die [broer2] en [broer3] bij de rechtbank al voerden. Het (enkele) feit dat de waarde van de effectenportefeuille is gedaald onderbouwt niet dat sprake zou zijn van verwijtbaar handelen van [broer2] en al helemaal niet dat sprake is van een gederfd (fictief) rendement van 5% per jaar. Het hof komt door deze onvoldoende onderbouwing van [broer1] niet toe aan enige bewijsopdracht (ook een specifiek aanbod ontbreekt overigens) en heeft ook geen behoefte aan een deskundigenonderzoek als ‘fishing expedition’.
De hoogte van de schenkingen voor 1 januari 2003
4.8
[broer1] stelt dat zowel [broer2] als [broer3] ieder fl. 265.000 geschonken hebben gekregen en dat hij slechts fl. 100.000 als schenking heeft ontvangen (dit alles vóór 1 januari 2003). Uit de aangiften schenkingsbelasting blijkt het volgende: in mei 1990 is een (contant) bedrag van fl. 33.000 geschonken; op 18 februari 1998 is een bedrag van fl. 132.000 geschonken en op 20 juni 1995 een bedrag van fl. 100.000. Die schenkingen zijn steeds gedaan door [de vader] , de vader van partijen. [broer1] wijst erop dat die aangiften niet zijn ondertekend door vader (en door hemzelf) en dat deze aangiften dus geen bewijs leveren van de schenkingen. Hierop hebben [broer2] en [broer3] gerespondeerd dat dit kopie-aangiften zijn voor de eigen administratie, die dus niet ondertekend hoeven te zijn. Wat betreft de schenking van fl. 132.000 constateert het hof dat deze schenking ook bij de aangifte IB 1998 is vermeld en dat dit document ook (als bijlage XVIII) aan de het proces-verbaal van boedelbeschrijvingen is gehecht. Voorts is over deze schenking ook nog een brief van 9 februari 1999 van de accountant aan moeder waarin geschreven wordt over de schenking van fl. 132.000 aan [broer1] . Daarmee staat die schenking naar het oordeel van het hof genoegzaam vast. Wat betreft de (contante) schenking van fl.
Motivering
De eisen die aan een rekening en verantwoording moeten worden gesteld wordt van geval tot geval bepaald door de aard van de rechtsverhouding en de omstandigheden van het geval. Het gaat hier om beheer binnen het kader van familiaire verhoudingen: [broer2] is/was geen professioneel beheerder en [broer1] heeft, naar eigen zeggen, zich jarenlang afzijdig gehouden en tijdens de periode van volmachtverlening niet eerder om rekening en verantwoording gevraagd; zijn kale stellingen dat hij dat wel heeft gedaan zijn weersproken door [broer2] en er zijn geen onderbouwende stukken hier voor. Moeder leefde nog in de periode dat het beheer werd gevoerd, waarover zij ook rekening en verantwoording had moeten afleggen als medegevolmachtigde. Moeder was voor 1/4 deel wettelijk erfgenaam van vader en beheerde dus in die zin ook haar “eigen” (geërfde) vermogen.
4.6
Gezien de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan en behoeft van [broer2] niet verlangd te worden dat hij, bijvoorbeeld, de bankafschriften van de verschillende bank- en effectenrekeningen bewaarde omdat mogelijk nog een vraag zou komen om rekening en verantwoording af te leggen door [broer1] die zich al die jaren afzijdig had gehouden – en wel wist dat sprake was van een aanzienlijk vermogen dat beheerd werd. Het verwijt van [broer1] aan [broer2] dat hij geen (behoorlijke) administratie heeft gevoerd en bijgehouden (en bewaard)is gezien de genoemde feiten en omstandigheden in deze zaak dan ook niet terecht. In dit licht bezien is de verklaring van [broer2] van 7 juli 2016, voordat de onderhavige procedure begon, waarin hij op globale wijze rekening en verantwoording aflegt voldoende. Verder hebben [broer2] en [broer3] na de eerste mondelinge behandeling bij de rechtbank bij akte van 13 januari 2021 (productie 20) nog een nadere toelichting gegeven op het financiële beloop van de bank- en effectenrekeningen en daarvan een overzicht gemaakt en daarmee heeft [broer2] ook rekening en verantwoording gelegd. Uit deze akte blijkt dat [broer1] al beschikte over financiële gegevens, waaronder in ieder geval handgeschreven stukken ten behoeve van de aangiften IB van moeder over de periode van volmacht, waarin ook bank- en effectenrekeningen zijn opgenomen, alsmede het uitgekeerde dividend. Deze stukken had [broer1] al eerder, bij akte van 25 november 2020 als producties 33-43, zelf ingebracht. Deze stukken zouden aanwezig zijn geweest in de woning van moeder en door [broer1] meegenomen. Wanneer die door [broer1] zijn gevonden en meegenomen is niet bekend (geworden). Feit is wel dat ook die stukken inzicht geven in het vermogensverloop van erflater. Gelet op het voorgaande heeft [broer2] voldoende rekening en verantwoording afgelegd.
De waardedaling van de effectenportefeuille
4.7
In het verlengde van het verwijt dat [broer2] niet bevoegd was om met de effectenportefeuille ‘te handelen’ en daarover ook geen rekening en verantwoording heeft afgelegd, ligt het verwijt dat de waardedaling van de effectenportefeuille aan zijn handelen is te wijten. De bewijslast van deze stelling ligt op [broer1] . Hij stelt daartoe dat de waarde van de portefeuille bij aanvang van het beheer fl 2.308.554 / € 1.047.576 (afgerond) bedroeg en bij einde van het beheer € 384.006 (afgerond). Dat is dus een waardedaling van € 663.570 (afgerond). [broer1] meent dat er een actief beleid is gevoerd door [broer2] en een deskundige benoemd moet worden om de gevolgen hiervan voor de omvang van de nalatenschap in kaart te brengen. [broer1] persisteert in hoger beroep bij de benoeming van een deskundige. [broer1] heeft zijn vragen en berekeningen in de akte van 10 maart 2021 (conclusie van antwoord na comparitie) met producties neergelegd, waarop [broer2] en [broer3] bij akte van 19 mei 2021 hebben gereageerd en zijn stelling gemotiveerd hebben weersproken. Op dit stuk heeft [broer1] niet meer kunnen reageren en de rechtbank heeft toen eindvonnis gewezen. In hoger beroep heeft [broer1] deze kans wel gehad bij memorie van grieven (herstelfunctie van het hoger beroep). Hij vordert onder meer een bedrag van € 910.195,50 wegens gederfd (fictief) rendement (van 5% per jaar) op de effectenportefeuille. Tegenover deze stelling van [broer1] hebben [broer2] en [broer3] zowel bij de rechtbank als in hoger beroep uitvoerig verweer gevoerd (in het bijzonder ten aanzien van de afname van het vermogen en de invloed van externe factoren op de waardedaling van de effecten). [broer1] zelf gaat (in de memorie van grieven) uit van een startvermogen (banksaldi + effectenportefeuille) van € 1.169.559 en een eindvermogen van € 1.036.665,41 (datum overlijden moeder). [broer1] benoemt daarbij dat dit op zich geen bijzondere daling is maar dat er (dan) geen sprake is geweest van rendement op het startvermogen en dat sprake was van een zeer beperkte interingsbehoefte van moeder. Het belangrijkste voor [broer1] is die daling van de effectenportefeuille. Hiertegenover hebben [broer2] en [broer3] andermaal aangevoerd dat met het afnemen van het effectenvermogen de banktegoeden juist toenamen, vooral doordat de obligaties in de loop der tijd zijn verkocht. Voorts hebben zij erop gewezen dat in 2000-2002 en in 2008-2009 sprake is geweest van een ingrijpende beurscrisis (waardoor het aandelenvermogen afnam), dat uit het vermogende erfbelasting van ongeveer € 200.000 is betaald en ten laste van moeder € 73.000 boete voor de inkeerregeling, naast het gegeven dat moeder dezelfde (welvarende) levensstijl voerde als voor het overlijden van vader, de vermogensbelasting betaalde en alle kosten droeg voor de woning. Feit is dat moeder, die enkel een AOW-uitkering genoot, nog ruim 16 jaar heeft geleefd na het overlijden van vader, en dat zij kon interen op haar aandeel in het van vader geërfde vermogen. Naar het oordeel van het hof heeft [broer1] zijn stelling en vordering in hoger beroep onvoldoende van een feitelijke onderbouwing voorzien (bijvoorbeeld met een eigen deskundigenadvies dan wel door een voorlopig deskundigenbericht) en is hij onvoldoende ingegaan op de gemotiveerde verweren die [broer2] en [broer3] bij de rechtbank al voerden. Het (enkele) feit dat de waarde van de effectenportefeuille is gedaald onderbouwt niet dat sprake zou zijn van verwijtbaar handelen van [broer2] en al helemaal niet dat sprake is van een gederfd (fictief) rendement van 5% per jaar. Het hof komt door deze onvoldoende onderbouwing van [broer1] niet toe aan enige bewijsopdracht (ook een specifiek aanbod ontbreekt overigens) en heeft ook geen behoefte aan een deskundigenonderzoek als ‘fishing expedition’.
De hoogte van de schenkingen voor 1 januari 2003
4.8
[broer1] stelt dat zowel [broer2] als [broer3] ieder fl. 265.000 geschonken hebben gekregen en dat hij slechts fl. 100.000 als schenking heeft ontvangen (dit alles vóór 1 januari 2003). Uit de aangiften schenkingsbelasting blijkt het volgende: in mei 1990 is een (contant) bedrag van fl. 33.000 geschonken; op 18 februari 1998 is een bedrag van fl. 132.000 geschonken en op 20 juni 1995 een bedrag van fl. 100.000. Die schenkingen zijn steeds gedaan door [de vader] , de vader van partijen. [broer1] wijst erop dat die aangiften niet zijn ondertekend door vader (en door hemzelf) en dat deze aangiften dus geen bewijs leveren van de schenkingen. Hierop hebben [broer2] en [broer3] gerespondeerd dat dit kopie-aangiften zijn voor de eigen administratie, die dus niet ondertekend hoeven te zijn. Wat betreft de schenking van fl. 132.000 constateert het hof dat deze schenking ook bij de aangifte IB 1998 is vermeld en dat dit document ook (als bijlage XVIII) aan de het proces-verbaal van boedelbeschrijvingen is gehecht. Voorts is over deze schenking ook nog een brief van 9 februari 1999 van de accountant aan moeder waarin geschreven wordt over de schenking van fl. 132.000 aan [broer1] . Daarmee staat die schenking naar het oordeel van het hof genoegzaam vast. Wat betreft de (contante) schenking van fl.
Motivering
33.000 constateert het hof dat in de aangifte van mei 1990 ook staat opgenomen dat bij deze schenking (door schenker) een beroep wordt gedaan op de eenmalige vrijstelling van fl. 33.311. Het hof ziet niet in dat deze schenking desondanks niet zou hebben plaatsgevonden, zoals [broer1] stelt, terwijl er wel een aangifte hiervan is opgemaakt. Het hof gaat ervan uit dat die schenking ook daadwerkelijk is gedaan, want waarom zou vader anders die aangifte hebben gedaan? Dat betekent aldus dat ook het hof uitgaat van een totaal aan schenkingen van fl. 265.000 aan [broer1] .
4.9
[broer2] en [broer3] voeren in hoger beroep aan dat het volharden van [broer1] in de ontkenning van de ontvangst van de schenkingen van fl. 33.000 en fl. 132.000 gekwalificeerd kan worden als verzwijging (in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW zo begrijpt het hof) en dat [broer1] ’s aandeel in deze in te brengen schenking is verbeurd. Het hof volgt hen daarin niet. Het gaat hier om een erfrechtelijk geschil waarbij de verhoudingen tussen partijen flink zijn verstoord en waarbij het ook gaat om gebeurtenissen van vele jaren geleden, waarbij het geheugen soms een onvoldoende betrouwbare bron is. In deze context is nog geen sprake van een “opzettelijke verzwijging” als bedoeld in bovengenoemde wettelijke bepaling.
De vordering van fl. 240.000 van vader op [broer2]
4.10
[broer1] stelt dat [broer2] bij overlijden van vader nog een schuld aan vader had van fl. 240.000 (een vorderingsrecht van de nalatenschap) en dat deze schuld dan ook moet worden ingebracht bij de boedelbeschrijving. [broer1] draagt de bewijslast van deze stelling. [broer1] baseert zijn stelling op de aangifte IB 1995 van vader waarin staat opgenomen “vordering op zoon [broer2] van fl. 240.000”. In de aangifte IB 1996 van vader staat vermeld “correctie vordering [broer2] fl. 240.000”. Tijdens een bespreking bij de notaris in maart 1996 heeft [broer2] op een vraag hierover aangegeven dat deze vordering zou zijn terugbetaald en dat hij een en ander zou uitzoeken. Tijdens een bespreking van 20 maart 2016 is dit nogmaals voorgehouden aan [broer2] waarop hij antwoordde dat hij dat nog zou uitzoeken. Later heeft [broer2] zijn antwoord gewijzigd en verklaard dat sprake moet zijn geweest van een vergissing van de zijde van vader.
4.11
Op zich heeft [broer2] de feitelijke inhoud van de aangiften IB 1995 en 1996 van vader niet bestreden. [broer2] heeft wel aangegeven dat hij niet betrokken is geweest bij deze aangiften, maar dat de accountant deze heeft verzorgd, en dat hijzelf kan hiervoor verder ook geen verklaring geven. [broer2] is hiermee pas bekend geraakt bij de bespreking op het kantoor van de notaris in 2016. Naast deze twee aangiften IB zijn er geen andere documenten voorhanden waaruit een (niet afbetaalde) schuld of schenking blijkt. In de aangiften IB na 1996 komt deze vordering niet meer voor. Naar het oordeel van het hof heeft [broer2] met zijn uitingen tijdens de bespreking op het notariskantoor mogelijk verwarring gezaaid door te zeggen dat hij deze vordering zou hebben terugbetaald, maar hij heeft toen ook gezegd dat hij een en ander nog zou uitzoeken. Het ging om gegevens uit 1995-1996, dus zo’n 20 jaar daarvóór; dat [broer2] in 2016 een en ander niet geheel paraat had en daarmee mogelijk verwarring heeft gezaaid levert geen bewijs op voor de stelling van [broer1] dat sprake is geweest van een (niet terugbetaalde lening) of schenking van fl. 240.000. Ook [broer1] kon zich alle gebeurtenissen uit het verleden niet herinneren (het hof verwijst naar rov. 4.9 hierboven). De (kale) stelling van [broer1] dat sprake is geweest van een niet terugbetaalde lening of schenking is voldoende gemotiveerd weersproken door [broer2] en de stelling van [broer1] wordt ook niet gedragen door feitelijke gegevens. Aan enige bewijsopdracht komt het hof dan ook niet toe.
De gestelde onttrekkingen van gelden aan de bankrekeningen door [broer2] en [broer3]
4.12
[broer1] heeft aangevoerd dat sprake is geweest van vele betalingen van moeder aan [broer2] en [broer3] en dat zij daartoe niet bevoegd was. Het gaat in hoger beroep nog om een bedrag van € 19.700 dat op 13 juni 2013 door [broer2] in het bijzijn van [broer3] is opgenomen bij KBL European Private Bankers “op volmacht of instructie van moeder aan [broer2] ”. [broer1] stelt dat dit bedrag niet aan moeder is gegeven ( [broer2] en [broer3] hebben dit nog onder zich) en dat zij gehouden zijn tot terugbetaling aan de nalatenschap. Hiervan draagt [broer1] de bewijslast. Het gaat daarnaast (in hoger beroep) nog om een totaalbedrag van € 36.568,14 (vanaf overlijden vader tot medio 2015) dat door moeder op [broer2] bankrekening is overgeschreven en om een totaal bedrag van € 11.578,50 dat op [broer2] bankrekening is overgeschreven (vaak zonder vermelding maar soms ook onder vermelding van ‘Golfclub’). Verder zijn er nog diverse bedragen ten goede gekomen aan [broer2] via creditcardoverschrijvingen. [broer1] wil dat deze bedragen als vorderingen op [broer2] (en [broer3] ) in de verdeling worden ingebracht.
4.13
[broer2] en [broer3] hebben tijdens de rechtbankprocedure uitvoerig op deze stellingen gereageerd in hun akte van 19 mei 2021 en zij persisteren hierbij in hoger beroep. De kale stelling of veronderstelling van [broer1] dat [broer2] en [broer3] nog een bedrag van € 19.700 onder zich hebben is bestreden en voor deze veronderstelling is verder geen énkele feitelijke onderbouwing gegeven door [broer1] . [broer2] en [broer3] hebben aangegeven (proces-verbaal boedelbeschrijvingen d.d. 18 oktober 2018) dat moeder dit bedrag aan hen bij helfte heeft geschonken. Als moeder al betalingen aan [broer2] en [broer3] heeft gedaan (en aan [broer1] ) waartoe zij niet bevoegd zou zijn geweest omdat het geld kwam uit de (onverdeelde) nalatenschap van vader, dan kan dat niet aan [broer2] en [broer3] worden tegengeworpen in die zin dat sprake is geweest van (onrechtmatige) onttrekkingen aan de nalatenschap van vader door [broer2] en [broer3] . Daarnaast geldt dat moeder zelf ook vermogen had uit de (onverdeelde) nalatenschap van vader (1/4 deel) waarmee zou kon doen wat zij wilde, dus ook schenkingen doen. Dat sprake is geweest van schenkingen door moeder die zouden moeten worden ingebracht is niet gesteld of gebleken, althans daarvoor is geen grondslag te vinden in de stukken.
De inhoud van de kluizen
4.14
Het gaat hier om vier gehuurde kluizen: nummer [nummer4] staat op naam van erflater(s) en [broer3] , de nummers [nummer2] , [nummer3] en [nummer1] staan op naam van erflater(s) en [broer2] . Uit de registratiekaarten blijkt (volgens [broer1] ) dat tussen datum overlijden moeder (30 oktober 2015) en het bezoek van de notaris (5 april 2017) zowel [broer3] als [broer2] zich in februari 2016 en februari 2017 toegang hebben verschaft tot die kluizen. Volgens [broer1] hadden [broer3] en [broer2] hem daarvan in kennis moeten stellen (hij stelt dat dit “heimelijk” is gebeurd) en zij hadden, zo verstaat het hof het betoog van [broer1] , als redelijk en billijk handelende erfgenamen hierover openheid van zaken moeten verschaffen. [broer1] realiseert zich ook dat hij nimmer het bewijs rond kan krijgen dat door [broer2] en [broer3] zaken uit de kluizen zijn verwijderd die tot de nalatenschappen van vader en moeder behoorden. [broer1] wenst echter alsnog kennis te nemen van het doel van de bezoeken aan de kluizen en of zij zaken uit de kluizen hebben gehaald en zo ja, welke.
4.15
[broer2] en [broer3] hebben hiertegen aangevoerd dat zich in de kluizen ook persoonlijke eigendommen van henzelf bevonden, dat zij als medehuurder van die kluizen ook gerechtigd waren om zich de toegang daartoe te verschaffen en dat zij geen zaken die tot de nalatenschap behoorden hebben meegenomen.
Motivering
33.000 constateert het hof dat in de aangifte van mei 1990 ook staat opgenomen dat bij deze schenking (door schenker) een beroep wordt gedaan op de eenmalige vrijstelling van fl. 33.311. Het hof ziet niet in dat deze schenking desondanks niet zou hebben plaatsgevonden, zoals [broer1] stelt, terwijl er wel een aangifte hiervan is opgemaakt. Het hof gaat ervan uit dat die schenking ook daadwerkelijk is gedaan, want waarom zou vader anders die aangifte hebben gedaan? Dat betekent aldus dat ook het hof uitgaat van een totaal aan schenkingen van fl. 265.000 aan [broer1] .
4.9
[broer2] en [broer3] voeren in hoger beroep aan dat het volharden van [broer1] in de ontkenning van de ontvangst van de schenkingen van fl. 33.000 en fl. 132.000 gekwalificeerd kan worden als verzwijging (in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW zo begrijpt het hof) en dat [broer1] ’s aandeel in deze in te brengen schenking is verbeurd. Het hof volgt hen daarin niet. Het gaat hier om een erfrechtelijk geschil waarbij de verhoudingen tussen partijen flink zijn verstoord en waarbij het ook gaat om gebeurtenissen van vele jaren geleden, waarbij het geheugen soms een onvoldoende betrouwbare bron is. In deze context is nog geen sprake van een “opzettelijke verzwijging” als bedoeld in bovengenoemde wettelijke bepaling.
De vordering van fl. 240.000 van vader op [broer2]
4.10
[broer1] stelt dat [broer2] bij overlijden van vader nog een schuld aan vader had van fl. 240.000 (een vorderingsrecht van de nalatenschap) en dat deze schuld dan ook moet worden ingebracht bij de boedelbeschrijving. [broer1] draagt de bewijslast van deze stelling. [broer1] baseert zijn stelling op de aangifte IB 1995 van vader waarin staat opgenomen “vordering op zoon [broer2] van fl. 240.000”. In de aangifte IB 1996 van vader staat vermeld “correctie vordering [broer2] fl. 240.000”. Tijdens een bespreking bij de notaris in maart 1996 heeft [broer2] op een vraag hierover aangegeven dat deze vordering zou zijn terugbetaald en dat hij een en ander zou uitzoeken. Tijdens een bespreking van 20 maart 2016 is dit nogmaals voorgehouden aan [broer2] waarop hij antwoordde dat hij dat nog zou uitzoeken. Later heeft [broer2] zijn antwoord gewijzigd en verklaard dat sprake moet zijn geweest van een vergissing van de zijde van vader.
4.11
Op zich heeft [broer2] de feitelijke inhoud van de aangiften IB 1995 en 1996 van vader niet bestreden. [broer2] heeft wel aangegeven dat hij niet betrokken is geweest bij deze aangiften, maar dat de accountant deze heeft verzorgd, en dat hijzelf kan hiervoor verder ook geen verklaring geven. [broer2] is hiermee pas bekend geraakt bij de bespreking op het kantoor van de notaris in 2016. Naast deze twee aangiften IB zijn er geen andere documenten voorhanden waaruit een (niet afbetaalde) schuld of schenking blijkt. In de aangiften IB na 1996 komt deze vordering niet meer voor. Naar het oordeel van het hof heeft [broer2] met zijn uitingen tijdens de bespreking op het notariskantoor mogelijk verwarring gezaaid door te zeggen dat hij deze vordering zou hebben terugbetaald, maar hij heeft toen ook gezegd dat hij een en ander nog zou uitzoeken. Het ging om gegevens uit 1995-1996, dus zo’n 20 jaar daarvóór; dat [broer2] in 2016 een en ander niet geheel paraat had en daarmee mogelijk verwarring heeft gezaaid levert geen bewijs op voor de stelling van [broer1] dat sprake is geweest van een (niet terugbetaalde lening) of schenking van fl. 240.000. Ook [broer1] kon zich alle gebeurtenissen uit het verleden niet herinneren (het hof verwijst naar rov. 4.9 hierboven). De (kale) stelling van [broer1] dat sprake is geweest van een niet terugbetaalde lening of schenking is voldoende gemotiveerd weersproken door [broer2] en de stelling van [broer1] wordt ook niet gedragen door feitelijke gegevens. Aan enige bewijsopdracht komt het hof dan ook niet toe.
De gestelde onttrekkingen van gelden aan de bankrekeningen door [broer2] en [broer3]
4.12
[broer1] heeft aangevoerd dat sprake is geweest van vele betalingen van moeder aan [broer2] en [broer3] en dat zij daartoe niet bevoegd was. Het gaat in hoger beroep nog om een bedrag van € 19.700 dat op 13 juni 2013 door [broer2] in het bijzijn van [broer3] is opgenomen bij KBL European Private Bankers “op volmacht of instructie van moeder aan [broer2] ”. [broer1] stelt dat dit bedrag niet aan moeder is gegeven ( [broer2] en [broer3] hebben dit nog onder zich) en dat zij gehouden zijn tot terugbetaling aan de nalatenschap. Hiervan draagt [broer1] de bewijslast. Het gaat daarnaast (in hoger beroep) nog om een totaalbedrag van € 36.568,14 (vanaf overlijden vader tot medio 2015) dat door moeder op [broer2] bankrekening is overgeschreven en om een totaal bedrag van € 11.578,50 dat op [broer2] bankrekening is overgeschreven (vaak zonder vermelding maar soms ook onder vermelding van ‘Golfclub’). Verder zijn er nog diverse bedragen ten goede gekomen aan [broer2] via creditcardoverschrijvingen. [broer1] wil dat deze bedragen als vorderingen op [broer2] (en [broer3] ) in de verdeling worden ingebracht.
4.13
[broer2] en [broer3] hebben tijdens de rechtbankprocedure uitvoerig op deze stellingen gereageerd in hun akte van 19 mei 2021 en zij persisteren hierbij in hoger beroep. De kale stelling of veronderstelling van [broer1] dat [broer2] en [broer3] nog een bedrag van € 19.700 onder zich hebben is bestreden en voor deze veronderstelling is verder geen énkele feitelijke onderbouwing gegeven door [broer1] . [broer2] en [broer3] hebben aangegeven (proces-verbaal boedelbeschrijvingen d.d. 18 oktober 2018) dat moeder dit bedrag aan hen bij helfte heeft geschonken. Als moeder al betalingen aan [broer2] en [broer3] heeft gedaan (en aan [broer1] ) waartoe zij niet bevoegd zou zijn geweest omdat het geld kwam uit de (onverdeelde) nalatenschap van vader, dan kan dat niet aan [broer2] en [broer3] worden tegengeworpen in die zin dat sprake is geweest van (onrechtmatige) onttrekkingen aan de nalatenschap van vader door [broer2] en [broer3] . Daarnaast geldt dat moeder zelf ook vermogen had uit de (onverdeelde) nalatenschap van vader (1/4 deel) waarmee zou kon doen wat zij wilde, dus ook schenkingen doen. Dat sprake is geweest van schenkingen door moeder die zouden moeten worden ingebracht is niet gesteld of gebleken, althans daarvoor is geen grondslag te vinden in de stukken.
De inhoud van de kluizen
4.14
Het gaat hier om vier gehuurde kluizen: nummer [nummer4] staat op naam van erflater(s) en [broer3] , de nummers [nummer2] , [nummer3] en [nummer1] staan op naam van erflater(s) en [broer2] . Uit de registratiekaarten blijkt (volgens [broer1] ) dat tussen datum overlijden moeder (30 oktober 2015) en het bezoek van de notaris (5 april 2017) zowel [broer3] als [broer2] zich in februari 2016 en februari 2017 toegang hebben verschaft tot die kluizen. Volgens [broer1] hadden [broer3] en [broer2] hem daarvan in kennis moeten stellen (hij stelt dat dit “heimelijk” is gebeurd) en zij hadden, zo verstaat het hof het betoog van [broer1] , als redelijk en billijk handelende erfgenamen hierover openheid van zaken moeten verschaffen. [broer1] realiseert zich ook dat hij nimmer het bewijs rond kan krijgen dat door [broer2] en [broer3] zaken uit de kluizen zijn verwijderd die tot de nalatenschappen van vader en moeder behoorden. [broer1] wenst echter alsnog kennis te nemen van het doel van de bezoeken aan de kluizen en of zij zaken uit de kluizen hebben gehaald en zo ja, welke.
4.15
[broer2] en [broer3] hebben hiertegen aangevoerd dat zich in de kluizen ook persoonlijke eigendommen van henzelf bevonden, dat zij als medehuurder van die kluizen ook gerechtigd waren om zich de toegang daartoe te verschaffen en dat zij geen zaken die tot de nalatenschap behoorden hebben meegenomen.
Motivering
33.000 constateert het hof dat in de aangifte van mei 1990 ook staat opgenomen dat bij deze schenking (door schenker) een beroep wordt gedaan op de eenmalige vrijstelling van fl. 33.311. Het hof ziet niet in dat deze schenking desondanks niet zou hebben plaatsgevonden, zoals [broer1] stelt, terwijl er wel een aangifte hiervan is opgemaakt. Het hof gaat ervan uit dat die schenking ook daadwerkelijk is gedaan, want waarom zou vader anders die aangifte hebben gedaan? Dat betekent aldus dat ook het hof uitgaat van een totaal aan schenkingen van fl. 265.000 aan [broer1] .
4.9
[broer2] en [broer3] voeren in hoger beroep aan dat het volharden van [broer1] in de ontkenning van de ontvangst van de schenkingen van fl. 33.000 en fl. 132.000 gekwalificeerd kan worden als verzwijging (in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW zo begrijpt het hof) en dat [broer1] ’s aandeel in deze in te brengen schenking is verbeurd. Het hof volgt hen daarin niet. Het gaat hier om een erfrechtelijk geschil waarbij de verhoudingen tussen partijen flink zijn verstoord en waarbij het ook gaat om gebeurtenissen van vele jaren geleden, waarbij het geheugen soms een onvoldoende betrouwbare bron is. In deze context is nog geen sprake van een “opzettelijke verzwijging” als bedoeld in bovengenoemde wettelijke bepaling.
De vordering van fl. 240.000 van vader op [broer2]
4.10
[broer1] stelt dat [broer2] bij overlijden van vader nog een schuld aan vader had van fl. 240.000 (een vorderingsrecht van de nalatenschap) en dat deze schuld dan ook moet worden ingebracht bij de boedelbeschrijving. [broer1] draagt de bewijslast van deze stelling. [broer1] baseert zijn stelling op de aangifte IB 1995 van vader waarin staat opgenomen “vordering op zoon [broer2] van fl. 240.000”. In de aangifte IB 1996 van vader staat vermeld “correctie vordering [broer2] fl. 240.000”. Tijdens een bespreking bij de notaris in maart 1996 heeft [broer2] op een vraag hierover aangegeven dat deze vordering zou zijn terugbetaald en dat hij een en ander zou uitzoeken. Tijdens een bespreking van 20 maart 2016 is dit nogmaals voorgehouden aan [broer2] waarop hij antwoordde dat hij dat nog zou uitzoeken. Later heeft [broer2] zijn antwoord gewijzigd en verklaard dat sprake moet zijn geweest van een vergissing van de zijde van vader.
4.11
Op zich heeft [broer2] de feitelijke inhoud van de aangiften IB 1995 en 1996 van vader niet bestreden. [broer2] heeft wel aangegeven dat hij niet betrokken is geweest bij deze aangiften, maar dat de accountant deze heeft verzorgd, en dat hijzelf kan hiervoor verder ook geen verklaring geven. [broer2] is hiermee pas bekend geraakt bij de bespreking op het kantoor van de notaris in 2016. Naast deze twee aangiften IB zijn er geen andere documenten voorhanden waaruit een (niet afbetaalde) schuld of schenking blijkt. In de aangiften IB na 1996 komt deze vordering niet meer voor. Naar het oordeel van het hof heeft [broer2] met zijn uitingen tijdens de bespreking op het notariskantoor mogelijk verwarring gezaaid door te zeggen dat hij deze vordering zou hebben terugbetaald, maar hij heeft toen ook gezegd dat hij een en ander nog zou uitzoeken. Het ging om gegevens uit 1995-1996, dus zo’n 20 jaar daarvóór; dat [broer2] in 2016 een en ander niet geheel paraat had en daarmee mogelijk verwarring heeft gezaaid levert geen bewijs op voor de stelling van [broer1] dat sprake is geweest van een (niet terugbetaalde lening) of schenking van fl. 240.000. Ook [broer1] kon zich alle gebeurtenissen uit het verleden niet herinneren (het hof verwijst naar rov. 4.9 hierboven). De (kale) stelling van [broer1] dat sprake is geweest van een niet terugbetaalde lening of schenking is voldoende gemotiveerd weersproken door [broer2] en de stelling van [broer1] wordt ook niet gedragen door feitelijke gegevens. Aan enige bewijsopdracht komt het hof dan ook niet toe.
De gestelde onttrekkingen van gelden aan de bankrekeningen door [broer2] en [broer3]
4.12
[broer1] heeft aangevoerd dat sprake is geweest van vele betalingen van moeder aan [broer2] en [broer3] en dat zij daartoe niet bevoegd was. Het gaat in hoger beroep nog om een bedrag van € 19.700 dat op 13 juni 2013 door [broer2] in het bijzijn van [broer3] is opgenomen bij KBL European Private Bankers “op volmacht of instructie van moeder aan [broer2] ”. [broer1] stelt dat dit bedrag niet aan moeder is gegeven ( [broer2] en [broer3] hebben dit nog onder zich) en dat zij gehouden zijn tot terugbetaling aan de nalatenschap. Hiervan draagt [broer1] de bewijslast. Het gaat daarnaast (in hoger beroep) nog om een totaalbedrag van € 36.568,14 (vanaf overlijden vader tot medio 2015) dat door moeder op [broer2] bankrekening is overgeschreven en om een totaal bedrag van € 11.578,50 dat op [broer2] bankrekening is overgeschreven (vaak zonder vermelding maar soms ook onder vermelding van ‘Golfclub’). Verder zijn er nog diverse bedragen ten goede gekomen aan [broer2] via creditcardoverschrijvingen. [broer1] wil dat deze bedragen als vorderingen op [broer2] (en [broer3] ) in de verdeling worden ingebracht.
4.13
[broer2] en [broer3] hebben tijdens de rechtbankprocedure uitvoerig op deze stellingen gereageerd in hun akte van 19 mei 2021 en zij persisteren hierbij in hoger beroep. De kale stelling of veronderstelling van [broer1] dat [broer2] en [broer3] nog een bedrag van € 19.700 onder zich hebben is bestreden en voor deze veronderstelling is verder geen énkele feitelijke onderbouwing gegeven door [broer1] . [broer2] en [broer3] hebben aangegeven (proces-verbaal boedelbeschrijvingen d.d. 18 oktober 2018) dat moeder dit bedrag aan hen bij helfte heeft geschonken. Als moeder al betalingen aan [broer2] en [broer3] heeft gedaan (en aan [broer1] ) waartoe zij niet bevoegd zou zijn geweest omdat het geld kwam uit de (onverdeelde) nalatenschap van vader, dan kan dat niet aan [broer2] en [broer3] worden tegengeworpen in die zin dat sprake is geweest van (onrechtmatige) onttrekkingen aan de nalatenschap van vader door [broer2] en [broer3] . Daarnaast geldt dat moeder zelf ook vermogen had uit de (onverdeelde) nalatenschap van vader (1/4 deel) waarmee zou kon doen wat zij wilde, dus ook schenkingen doen. Dat sprake is geweest van schenkingen door moeder die zouden moeten worden ingebracht is niet gesteld of gebleken, althans daarvoor is geen grondslag te vinden in de stukken.
De inhoud van de kluizen
4.14
Het gaat hier om vier gehuurde kluizen: nummer [nummer4] staat op naam van erflater(s) en [broer3] , de nummers [nummer2] , [nummer3] en [nummer1] staan op naam van erflater(s) en [broer2] . Uit de registratiekaarten blijkt (volgens [broer1] ) dat tussen datum overlijden moeder (30 oktober 2015) en het bezoek van de notaris (5 april 2017) zowel [broer3] als [broer2] zich in februari 2016 en februari 2017 toegang hebben verschaft tot die kluizen. Volgens [broer1] hadden [broer3] en [broer2] hem daarvan in kennis moeten stellen (hij stelt dat dit “heimelijk” is gebeurd) en zij hadden, zo verstaat het hof het betoog van [broer1] , als redelijk en billijk handelende erfgenamen hierover openheid van zaken moeten verschaffen. [broer1] realiseert zich ook dat hij nimmer het bewijs rond kan krijgen dat door [broer2] en [broer3] zaken uit de kluizen zijn verwijderd die tot de nalatenschappen van vader en moeder behoorden. [broer1] wenst echter alsnog kennis te nemen van het doel van de bezoeken aan de kluizen en of zij zaken uit de kluizen hebben gehaald en zo ja, welke.
4.15
[broer2] en [broer3] hebben hiertegen aangevoerd dat zich in de kluizen ook persoonlijke eigendommen van henzelf bevonden, dat zij als medehuurder van die kluizen ook gerechtigd waren om zich de toegang daartoe te verschaffen en dat zij geen zaken die tot de nalatenschap behoorden hebben meegenomen.