Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-11
ECLI:NL:GHARL:2023:6794
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,570 tokens
Inleiding
K23/210454
K21/210961
Beschikking op een verzoek van de officier van justitie bij het arrondissementsparket
Oost-Nederland in de beklagzaak van
[klager] ,
wonende [woonplaats] ,
hierna te noemen: klager,
tegen
[beklaagde] ,
domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde:
mr. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem,
hierna te noemen: beklaagde.
Het hof heeft te beslissen op een verzoek om bewilliging van de kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in artikel 243, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
1. Bij beschikking van 10 januari 2023 onder nummer K21/210961 heeft het hof in het kader van een procedure overeenkomstig artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bevolen dat door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland een strafvervolging tegen [beklaagde] zal worden ingesteld ter zake van het misdrijf omschreven in artikel 138ab, dan wel artikel 321/322 en/of artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft in dat verband het volgende overwogen:
“De stukken bevatten naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen voor een vervolging van beklaagde ter zake van – kort gezegd – computervredebreuk, verduistering (in dienstbetrekking) en/of oplichting. Niettegenstaande hetgeen namens beklaagde naar voren is gebracht, bevatten de stukken immers niet slechts de aangifte van klager, maar er zijn ook de door klager overgelegde facturen en gegevens over de geplaatste bestellingen, de chatconversatie over de geplaatste bestellingen met [technisch bedrijf] en de bevindingen van de politie naar aanleiding van het nader uitgevoerde onderzoek. Het hof is van oordeel dat een vervolging van beklaagde ter zake van dit feit ook opportuun is, gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor klager. De omstandigheid dat sprake is van enig tijdsverloop in deze zaak doet daar niet aan af.”
2. Op 4 maart 2023 heeft de gemachtigde van beklaagde een verzoekschrift tot het verrichten van nader onderzoek ex artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering van ingediend, om een ICT-deskundige op het gebied van netwerk- en serverbeheer te benoemen. Naar aanleiding van dat verzoek heeft senior beleidsadviseur [beleidsadviseur] , die door de officier van justitie, de rechter-commissaris en de advocaat-generaal als deskundige wordt aangemerkt, op verzoek van de officier van justitie, de in het verzoekschrift gestelde vragen en het dossier bestudeerd. Zijn bevindingen zijn samen met de bevindingen van de officier van justitie, die er kort samengevat op neerkomen dat het dossier relevante aanknopingspunten bevat om het scenario dat een ander dan beklaagde verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gepleegde feiten als reëel scenario te bestempelen, naar het kabinet rechter-commissaris en de gemachtigde van beklaagde verzonden.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 4 april 2023 het verzoek tot het benoemen van een deskundige afgewezen, omdat het voor de hand ligt dat de officier van justitie een verzoek tot bewilliging indient.
3. De officier van justitie heeft het hof bij brief van 7 april 2023 verzocht om bewilliging in de kennisgeving van niet verdere vervolging in deze zaak, omdat op basis van het dossier zoals dat er nu ligt en eventueel nader onderzoek dat nog gedaan zou kunnen worden, het genoemde reële alternatieve scenario – dat een ander dan beklaagde verantwoordelijk gehouden kan worden voor de gepleegde feiten – niet kan worden uitgesloten.
4. De advocaat-generaal steunt de visie van de officier van justitie. Zijn verslag van 20 juni 2023 is op diezelfde dag ter griffie van het hof ingekomen.
Beoordeling
Het hof verwijst voor wat betreft de stand van zaken tot en met de beslissing op het beklag naar de inhoud van zijn beschikking van 10 januari 2023, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.
Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat op basis van het dossier zoals dat er nu ligt en eventueel nader onderzoek dat nog gedaan zou kunnen worden, het genoemde reële alternatieve scenario niet kan worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande is de kans dat een eventueel later oordelende strafrechter bij deze stand van zaken tot een bewezenverklaring zal komen zeer gering.
Het hof is daarom van oordeel dat van verdere vervolging voor dit feit moet worden afgezien en zal derhalve als volgt beslissen.
Dictum
Het hof bewilligt in het verzoek van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tot het doen uitgaan van een kennisgeving van niet verdere vervolging.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Bek, voorzitter,
mr. A.H. Garos en mr. R.D.J. Visschers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
op 11 juli 2023 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Inleiding
K23/210454
K21/210961
Beschikking op een verzoek van de officier van justitie bij het arrondissementsparket
Oost-Nederland in de beklagzaak van
[klager] ,
wonende [woonplaats] ,
hierna te noemen: klager,
tegen
[beklaagde] ,
domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde:
mr. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem,
hierna te noemen: beklaagde.
Het hof heeft te beslissen op een verzoek om bewilliging van de kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in artikel 243, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
1. Bij beschikking van 10 januari 2023 onder nummer K21/210961 heeft het hof in het kader van een procedure overeenkomstig artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bevolen dat door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland een strafvervolging tegen [beklaagde] zal worden ingesteld ter zake van het misdrijf omschreven in artikel 138ab, dan wel artikel 321/322 en/of artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft in dat verband het volgende overwogen:
“De stukken bevatten naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen voor een vervolging van beklaagde ter zake van – kort gezegd – computervredebreuk, verduistering (in dienstbetrekking) en/of oplichting. Niettegenstaande hetgeen namens beklaagde naar voren is gebracht, bevatten de stukken immers niet slechts de aangifte van klager, maar er zijn ook de door klager overgelegde facturen en gegevens over de geplaatste bestellingen, de chatconversatie over de geplaatste bestellingen met [technisch bedrijf] en de bevindingen van de politie naar aanleiding van het nader uitgevoerde onderzoek. Het hof is van oordeel dat een vervolging van beklaagde ter zake van dit feit ook opportuun is, gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor klager. De omstandigheid dat sprake is van enig tijdsverloop in deze zaak doet daar niet aan af.”
2. Op 4 maart 2023 heeft de gemachtigde van beklaagde een verzoekschrift tot het verrichten van nader onderzoek ex artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering van ingediend, om een ICT-deskundige op het gebied van netwerk- en serverbeheer te benoemen. Naar aanleiding van dat verzoek heeft senior beleidsadviseur [beleidsadviseur] , die door de officier van justitie, de rechter-commissaris en de advocaat-generaal als deskundige wordt aangemerkt, op verzoek van de officier van justitie, de in het verzoekschrift gestelde vragen en het dossier bestudeerd. Zijn bevindingen zijn samen met de bevindingen van de officier van justitie, die er kort samengevat op neerkomen dat het dossier relevante aanknopingspunten bevat om het scenario dat een ander dan beklaagde verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gepleegde feiten als reëel scenario te bestempelen, naar het kabinet rechter-commissaris en de gemachtigde van beklaagde verzonden.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 4 april 2023 het verzoek tot het benoemen van een deskundige afgewezen, omdat het voor de hand ligt dat de officier van justitie een verzoek tot bewilliging indient.
3. De officier van justitie heeft het hof bij brief van 7 april 2023 verzocht om bewilliging in de kennisgeving van niet verdere vervolging in deze zaak, omdat op basis van het dossier zoals dat er nu ligt en eventueel nader onderzoek dat nog gedaan zou kunnen worden, het genoemde reële alternatieve scenario – dat een ander dan beklaagde verantwoordelijk gehouden kan worden voor de gepleegde feiten – niet kan worden uitgesloten.
4. De advocaat-generaal steunt de visie van de officier van justitie. Zijn verslag van 20 juni 2023 is op diezelfde dag ter griffie van het hof ingekomen.
Beoordeling
Het hof verwijst voor wat betreft de stand van zaken tot en met de beslissing op het beklag naar de inhoud van zijn beschikking van 10 januari 2023, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.
Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat op basis van het dossier zoals dat er nu ligt en eventueel nader onderzoek dat nog gedaan zou kunnen worden, het genoemde reële alternatieve scenario niet kan worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande is de kans dat een eventueel later oordelende strafrechter bij deze stand van zaken tot een bewezenverklaring zal komen zeer gering.
Het hof is daarom van oordeel dat van verdere vervolging voor dit feit moet worden afgezien en zal derhalve als volgt beslissen.
Dictum
Het hof bewilligt in het verzoek van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tot het doen uitgaan van een kennisgeving van niet verdere vervolging.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Bek, voorzitter,
mr. A.H. Garos en mr. R.D.J. Visschers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
op 11 juli 2023 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.