Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-08-14
ECLI:NL:GHARL:2023:6793
Strafrecht
Hoger beroep
3,440 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001507-21
Uitspraak d.d.: 14 augustus 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2021 met parketnummer 16-209856-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H. Dijkstra en de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ter zake van een poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van twee jaar. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht, heeft toegebracht door die [benadeelde partij] in het gezicht te slaan/stompen met (kapot) bierflesje;subsidiairhij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde partij] met een (kapot) bierflesje in het gezicht heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;meer subsidiairhij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] met een (kapot) bierflesje te slaan/stompen in het gezicht, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht ten gevolge heeft gehad.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Op 1 maart 2020 vond een incident plaats in [café] te [pleegplaats] .
Daarbij waren twee vriendengroepen betrokken, onder wie in ieder geval verdachte met zijn broer [broer] , een vriend, [vriend] , en [naam] enerzijds en [benadeelde partij] met [toenmalige vriendin] (toenmalige vriendin van [benadeelde partij] ) en [ex-zwager] (ex-zwager van [benadeelde partij] ) anderzijds. Uit de verklaringen van getuigen blijkt dat het op dat moment zeer druk was in de bar.
De verklaringen van de getuigen over het verloop van het incident lopen uiteen.
Wel staat vast dat [benadeelde partij] letsel heeft opgelopen. Uit dat letsel blijkt dat hij moet zijn geslagen of gestoken met een scherp voorwerp. Uit de overgelegde verklaring van zijn huisarts blijkt dat hij geen ander letsel heeft opgelopen dan de twee sneeën in zijn gezicht. Het hof is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen en de aangifte onvoldoende overtuigend naar voren is gekomen dat het verdachte was die [benadeelde partij] heeft geslagen met een scherp voorwerp. Het was druk en chaotisch in de bar, de meeste betrokkenen hadden behoorlijk gedronken, [benadeelde partij] had al eerder op de avond ruzie gezocht met verschillende andere personen en de getuigenverklaringen lopen uiteen. Het hof heeft daarom niet de overtuiging gekregen dat verdachte zich aan zware mishandeling van [benadeelde partij] of een poging daartoe heeft schuldig gemaakt.
Meer subsidiair is verdachte tenlastegelegd dat hij [benadeelde partij] heeft mishandeld. Verdachte heeft toegegeven dat hij een slaande beweging naar [benadeelde partij] heeft gemaakt en dat hij hem mogelijk heeft geraakt. Zijn broer [broer] heeft verklaard dat verdachte [benadeelde partij] met zijn vuist heeft geraakt. Nu echter niet is gebleken dat het letsel of de pijn die [benadeelde partij] heeft opgelopen het gevolg zijn van een klap of vuistslag zal verdachte ook worden vrijgesproken van (eenvoudige) mishandeling.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.829,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 601,53. De benadeelde partij heeft de vordering gehandhaafd.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. F.A.M. Bakker en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,
en op 14 augustus 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001507-21
Uitspraak d.d.: 14 augustus 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2021 met parketnummer 16-209856-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H. Dijkstra en de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ter zake van een poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van twee jaar. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht, heeft toegebracht door die [benadeelde partij] in het gezicht te slaan/stompen met (kapot) bierflesje;subsidiairhij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde partij] met een (kapot) bierflesje in het gezicht heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;meer subsidiairhij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] met een (kapot) bierflesje te slaan/stompen in het gezicht, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht ten gevolge heeft gehad.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Op 1 maart 2020 vond een incident plaats in [café] te [pleegplaats] .
Daarbij waren twee vriendengroepen betrokken, onder wie in ieder geval verdachte met zijn broer [broer] , een vriend, [vriend] , en [naam] enerzijds en [benadeelde partij] met [toenmalige vriendin] (toenmalige vriendin van [benadeelde partij] ) en [ex-zwager] (ex-zwager van [benadeelde partij] ) anderzijds. Uit de verklaringen van getuigen blijkt dat het op dat moment zeer druk was in de bar.
De verklaringen van de getuigen over het verloop van het incident lopen uiteen.
Wel staat vast dat [benadeelde partij] letsel heeft opgelopen. Uit dat letsel blijkt dat hij moet zijn geslagen of gestoken met een scherp voorwerp. Uit de overgelegde verklaring van zijn huisarts blijkt dat hij geen ander letsel heeft opgelopen dan de twee sneeën in zijn gezicht. Het hof is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen en de aangifte onvoldoende overtuigend naar voren is gekomen dat het verdachte was die [benadeelde partij] heeft geslagen met een scherp voorwerp. Het was druk en chaotisch in de bar, de meeste betrokkenen hadden behoorlijk gedronken, [benadeelde partij] had al eerder op de avond ruzie gezocht met verschillende andere personen en de getuigenverklaringen lopen uiteen. Het hof heeft daarom niet de overtuiging gekregen dat verdachte zich aan zware mishandeling van [benadeelde partij] of een poging daartoe heeft schuldig gemaakt.
Meer subsidiair is verdachte tenlastegelegd dat hij [benadeelde partij] heeft mishandeld. Verdachte heeft toegegeven dat hij een slaande beweging naar [benadeelde partij] heeft gemaakt en dat hij hem mogelijk heeft geraakt. Zijn broer [broer] heeft verklaard dat verdachte [benadeelde partij] met zijn vuist heeft geraakt. Nu echter niet is gebleken dat het letsel of de pijn die [benadeelde partij] heeft opgelopen het gevolg zijn van een klap of vuistslag zal verdachte ook worden vrijgesproken van (eenvoudige) mishandeling.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.829,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 601,53. De benadeelde partij heeft de vordering gehandhaafd.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. F.A.M. Bakker en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,
en op 14 augustus 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.