Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2023-08-04
ECLI:NL:GHARL:2023:6650
Strafrecht
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.320.748/01 CJIB-nummer : 240639781 Uitspraak d.d. : 4 augustus 2023 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 augustus 2022, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht. 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “weg inrijden aan de andere zijde van het bord dan de pijl aangaf: bord D2/16”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 april 2021 om 12:26 uur op de Van Konijnenburgweg in Bergen op Zoom met het voertuig met het kenteken [kenteken] . 2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. De bestuurder heeft slechts de instructies van de verkeersregelaar ter plaatse opgevolgd. De betrokkene heeft foto’s overgelegd die aantonen dat het verkeer werd omgeleid. Daar ingevolge artikel 84 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) aanwijzingen van een verkeersregelaar boven verkeersregels en verkeerstekens gaan, kan de verweten gedraging niet worden vastgesteld. De kantonrechter heeft dit verweer met een standaardmotivering gepasseerd en heeft zich niet over de in het geding gebrachte foto’s uitgelaten. 3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Op het moment van de overtreding stonden wij ter plaatse in verband met een verkeersongeval. Ik zag dat de betrokkene het bord D2 aan de linkerzijde passeerde en hiermee op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer terechtkwam. Ik zag dat de betrokkene over deze rijbaan in tegengestelde richting reed en hiermee het verkeer in gevaar bracht. Ik zag dat de bestuurder over de voorsorteerstrook voor linksaf in tegengestelde richting reed. Ik kon niet op tijd bij het voertuig komen om de bestuurder staande te houden. (…) Bijlagen: een fotoblad.” 4. In het dossier bevindt zich ook een Overzicht Zaakgegevens Mulder, met daarin dezelfde informatie als in het zaakoverzicht en met als bijlagen 4 fotobladen. Op deze foto’s is een kruising te zien. Na de kruising bestaat de rechterweghelft uit 2 rijstroken. In de middengeleider staat een paal met een bord D2. De linker weghelft voor het tegemoetkomende verkeer bestaat uit 2 rijstroken voor rechtdoor en een voorsorteerstrook voor links afslaand verkeer. De rechterweghelft is afgesloten door middel van 2 verplaatsbare hekken met daarop een bord C1 (geslotenverklaring). Voor de hekken staan 2 mannen in een politie-uniform. Achter de hekken (dus op de rechterweghelft) is te zien dat een vrachtwagencombinatie overdwars over het naast de weg gelegen fietspad staat. Om deze vrachtwagen zijn rood-witte linten gespannen. 5. Op de namens de betrokkene overgelegde foto’s is dezelfde kruising te zien. Op de middengeleider staan 2 mensen in een uniform van handhaving bij elkaar. Een auto van een bergingsbedrijf staat bij de hiervoor genoemde vrachtwagen. 6. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal van 13 augustus 2021, waarin de ambtenaar onder meer verklaart: “Op (…) 7 april 2021 om 12.26 uur stond ik samen met politieambtenaren (…) bij een verkeersongeval op de Van Konijnenburgweg te Bergen op Zoom. Terwijl wij ter plaatse doende waren met het onderzoek naar het verkeersongeval, zagen we dat het betrokken voertuig deze overtreding pleegde. In verband met onze andere werkzaamheden ter plaatse, konden wij de bestuurder van het voertuig niet staande houden. Tevens waren we op dat moment te voet op straat aanwezig (…). Het voertuig reed na de overtreding vervolgens ook door. De eigenaresse van het voertuig is door ons telefonisch in kennis gesteld van deze overtreding en het feit dat er een proces-verbaal werd opgemaakt. De eigenaresse gaf aan op dat moment geen bestuurster te zijn geweest. Op een later moment kwam een jongen ter plaatse bij het ongeval, welke aangaf de bestuurder te zijn geweest van het betrokken voertuig. (…) Wij lieten hem ter plaatse zien wat de overtreding inhield. Hij maakte vervolgens foto’s van de verkeerssituatie en is daarna weer vertrokken.” 7. Niet is betwist dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene een weg is in gereden aan de andere zijde van het bord D2 dan de pijl aangaf. De gemachtigde doet een beroep op artikel 84 van het RVV 1990 en stelt daartoe dat de bestuurder van het voertuig een aanwijzing kreeg van een verkeersregelaar. Deze aanwijzing gaat boven het met bord D2 aangeduide verkeersteken. 8. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 84 van het RVV 1990 is een uitzondering op de in artikel 62 van het RVV 1990 neergelegde regel dat gevolg dient te worden gegeven aan een verkeersteken dat een gebod inhoudt. Dit betekent dat het op de weg van de gemachtigde van de betrokkene ligt om aannemelijk te maken dat die aanwijzing is gegeven. Daarin is de gemachtigde niet geslaagd. Op basis van hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd en de namens de betrokkene overgelegde foto’s is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het niet gevolg geven aan het met bord D2 aangeduide verkeersteken verkeersregelaars aanwezig waren. Uit de verklaringen van de ambtenaar blijkt dit niet. Uit het aanvullend proces-verbaal volgt dat de foto’s die de gemachtigde heeft overgelegd op een later moment zijn gemaakt. Dit blijkt ook daaruit dat op die foto’s reeds een bergingsvoertuig naast de vrachtwagen te zien is, terwijl op de foto’s die door de ambtenaar ter plaatse zijn gemaakt nog slechts een rood-wit lint om de vrachtwagen is gespannen. Overigens is ook op deze foto’s niet te zien dat er op dat moment verkeersregelaars werkzaam zijn. Hetgeen is aangevoerd treft geen doel, de gedraging kan worden vastgesteld. 9. Het betoog van de gemachtigde dat de beslissing van de kantonrechter niet deugdelijk is gemotiveerd, slaagt wel. De kantonrechter heeft hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd slechts weergegeven maar niet beoordeeld. De kantonrechter heeft slechts overwogen dat uit het proces-verbaal voldoende blijkt dat de gedraging is verricht, zonder in te gaan op de vraag of het bestaan van de aanwijzing aannemelijk is geworden. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter slechts kan worden bevestigd met verbetering van gronden. 10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.