Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-08-01
ECLI:NL:GHARL:2023:6507
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
4,412 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.997/01
CJIB-nummer
: 245220995
Uitspraak d.d.
: 1 augustus 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “13 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 oktober 2021 om 20:46 uur op de Bergweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat met het voertuig van de betrokkene is gereden van de Gordelweg in de richting van de Schieweg in Rotterdam en dat via die route de locatie van de vermeende gedraging op de Bergweg is bereikt. Namens de betrokkene wordt - naar het hof begrijpt - betwist dat op de met het voertuig afgelegde route een bord H1 aanwezig was. Op grond van de jurisprudentie van het hof dient de officier van justitie in een dergelijk geval aannemelijk te maken dat ten tijde van de gedraging deugdelijke bebording bij het binnenrijden van de bebouwde kom is gepasseerd. Er is in dat verband weliswaar een schouwrapport van 21 oktober 2020 ingebracht, maar dat betreft een schouw van de op de Bergweg aanwezige flitspaal en dit rapport ziet niet op de bebording. Daarnaast is de door de advocaat-generaal ingebrachte informatie evenmin afdoende om de aanwezigheid van het bord H1 op de aangegeven route ten tijde van de gedraging met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen. Gelet op die omstandigheid kan de gedraging niet worden vastgesteld. De gemachtigde wijst er voorts op dat het zaakoverzicht niet compleet is. Regels 21 en 22 van het zaakoverzicht dat aan de initiële beschikking ten grondslag is gelegd en aan de gemachtigde is verstrekt, zijn niet ingevuld. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld hoe de gedraging is vastgesteld. Reeds om die reden kan de inleidende beschikking niet in stand blijven, aldus de gemachtigde.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het Mulder zaakoverzicht van het Centraal Justitieel Incassobureau van 24 januari 2022, zoals overgelegd door de betrokken ambtenaar naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Toelichting verbalisant (…)
Gemeten (afgelezen) snelheid: 66 km/u.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 63 km/u.
Toegestane snelheid: 50 km/u.
Overschrijding met: 13 km/u. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal. (…)
Rijrichting van: Gordelweg
Rijrichting naar: Schieweg (…)
Naam van ambtenaar 1: [naam1]
Eed/belofte ambtenaar 1: belofte”
4. Het hof stelt vast dat het zaakoverzicht van 24 januari 2022 de gegevens bevat die kennelijk abusievelijk niet in het zaakoverzicht zijn opgenomen dat aan de initiële beschikking ten grondslag is gelegd. Nu de ambtenaar, zoals hiervoor weergegeven, op ambtsbelofte verklaart dat de overtreding geautomatiseerd werd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal, staat genoegzaam vast op welke wijze de gedraging is vastgesteld. De aangevoerde grond faalt.
5. De betrokkene wordt verweten te hebben gehandeld in strijd met artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 hierna: (RVV 1990) dat bepaalt dat de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom 50 km/h bedraagt. Het begin van de bebouwde kom wordt aangegeven door middel van een bord H1 van bijlage 1 bij het RVV 1990. Om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht is niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat iedere toegangsweg tot de bebouwde kom van een bord H1 is voorzien. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden is voorzien van een bord H1 (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:1803).
6. Naar aanleiding van hetgeen door de gemachtigde naar voren is gebracht en de door de advocaat-generaal via Google Maps verkregen kaarten, heeft het hof onderstaande afbeelding via de openbare bron Google Maps met betrekking tot de situatie ter plaatse verkregen:
rood = Gordelweg;
blauw = locatie flitspaal op de Bergweg;
geel = Schieweg.
© Google Maps
7. Het hof stelt op grond van deze kaart vast dat de Bergweg zich ruimschoots binnen de bebouwde kom van de gemeente Rotterdam bevindt. Hetzelfde kan worden gezegd van de Gordelweg en de Schieweg. Nu de gemachtigde heeft volstaan met de mededeling dat met het voertuig van de betrokkene is gereden van de Gordelweg in de richting van de Schieweg in Rotterdam, zodat in de kern wordt volstaan met het beschrijven van de rijrichting van het betrokken voertuig, kan niet worden vastgesteld langs welke route het voertuig van de betrokkene de bebouwde kom is ingereden, vervolgens de Gordelweg heeft bereikt en daarmee op welke locatie de betrokkene het bord H1 moet zijn gepasseerd. Het hof neemt daarbij mede in ogenschouw dat de gemachtigde in het beroepschrift voor de kantonrechter meldt dat hij navraag heeft gedaan bij de betrokkene en dat het goed mogelijk is dat de betrokkene van de andere kant is aan komen rijden, dat hij is gestopt en weer is gedraaid. Bij deze stand van zaken bestaat en bestond er geen aanleiding voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van een bord H1 op de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden ten tijde van de gedraging. De omstandigheid dat de gemachtigde in het hoger beroepschrift zijn verweer omtrent de bebording nader invult naar aanleiding van een bij het schouwrapport van 21 oktober 2020 door de ambtenaar beschreven route, zonder die route concreet te duiden als de met het voertuig afgelegde route, zijnde naar het oordeel van het hof overigens slechts een route die met het oog op de hiervoor weergegeven kaart mogelijk met het betrokken voertuig zou kunnen zijn afgelegd, doet aan het voorgaande niets af. De aangevoerde grond faalt. De gedraging kan worden vastgesteld.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.997/01
CJIB-nummer
: 245220995
Uitspraak d.d.
: 1 augustus 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “13 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 oktober 2021 om 20:46 uur op de Bergweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat met het voertuig van de betrokkene is gereden van de Gordelweg in de richting van de Schieweg in Rotterdam en dat via die route de locatie van de vermeende gedraging op de Bergweg is bereikt. Namens de betrokkene wordt - naar het hof begrijpt - betwist dat op de met het voertuig afgelegde route een bord H1 aanwezig was. Op grond van de jurisprudentie van het hof dient de officier van justitie in een dergelijk geval aannemelijk te maken dat ten tijde van de gedraging deugdelijke bebording bij het binnenrijden van de bebouwde kom is gepasseerd. Er is in dat verband weliswaar een schouwrapport van 21 oktober 2020 ingebracht, maar dat betreft een schouw van de op de Bergweg aanwezige flitspaal en dit rapport ziet niet op de bebording. Daarnaast is de door de advocaat-generaal ingebrachte informatie evenmin afdoende om de aanwezigheid van het bord H1 op de aangegeven route ten tijde van de gedraging met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen. Gelet op die omstandigheid kan de gedraging niet worden vastgesteld. De gemachtigde wijst er voorts op dat het zaakoverzicht niet compleet is. Regels 21 en 22 van het zaakoverzicht dat aan de initiële beschikking ten grondslag is gelegd en aan de gemachtigde is verstrekt, zijn niet ingevuld. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld hoe de gedraging is vastgesteld. Reeds om die reden kan de inleidende beschikking niet in stand blijven, aldus de gemachtigde.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het Mulder zaakoverzicht van het Centraal Justitieel Incassobureau van 24 januari 2022, zoals overgelegd door de betrokken ambtenaar naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Toelichting verbalisant (…)
Gemeten (afgelezen) snelheid: 66 km/u.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 63 km/u.
Toegestane snelheid: 50 km/u.
Overschrijding met: 13 km/u. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal. (…)
Rijrichting van: Gordelweg
Rijrichting naar: Schieweg (…)
Naam van ambtenaar 1: [naam1]
Eed/belofte ambtenaar 1: belofte”
4. Het hof stelt vast dat het zaakoverzicht van 24 januari 2022 de gegevens bevat die kennelijk abusievelijk niet in het zaakoverzicht zijn opgenomen dat aan de initiële beschikking ten grondslag is gelegd. Nu de ambtenaar, zoals hiervoor weergegeven, op ambtsbelofte verklaart dat de overtreding geautomatiseerd werd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal, staat genoegzaam vast op welke wijze de gedraging is vastgesteld. De aangevoerde grond faalt.
5. De betrokkene wordt verweten te hebben gehandeld in strijd met artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 hierna: (RVV 1990) dat bepaalt dat de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom 50 km/h bedraagt. Het begin van de bebouwde kom wordt aangegeven door middel van een bord H1 van bijlage 1 bij het RVV 1990. Om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht is niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat iedere toegangsweg tot de bebouwde kom van een bord H1 is voorzien. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden is voorzien van een bord H1 (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:1803).
6. Naar aanleiding van hetgeen door de gemachtigde naar voren is gebracht en de door de advocaat-generaal via Google Maps verkregen kaarten, heeft het hof onderstaande afbeelding via de openbare bron Google Maps met betrekking tot de situatie ter plaatse verkregen:
rood = Gordelweg;
blauw = locatie flitspaal op de Bergweg;
geel = Schieweg.
© Google Maps
7. Het hof stelt op grond van deze kaart vast dat de Bergweg zich ruimschoots binnen de bebouwde kom van de gemeente Rotterdam bevindt. Hetzelfde kan worden gezegd van de Gordelweg en de Schieweg. Nu de gemachtigde heeft volstaan met de mededeling dat met het voertuig van de betrokkene is gereden van de Gordelweg in de richting van de Schieweg in Rotterdam, zodat in de kern wordt volstaan met het beschrijven van de rijrichting van het betrokken voertuig, kan niet worden vastgesteld langs welke route het voertuig van de betrokkene de bebouwde kom is ingereden, vervolgens de Gordelweg heeft bereikt en daarmee op welke locatie de betrokkene het bord H1 moet zijn gepasseerd. Het hof neemt daarbij mede in ogenschouw dat de gemachtigde in het beroepschrift voor de kantonrechter meldt dat hij navraag heeft gedaan bij de betrokkene en dat het goed mogelijk is dat de betrokkene van de andere kant is aan komen rijden, dat hij is gestopt en weer is gedraaid. Bij deze stand van zaken bestaat en bestond er geen aanleiding voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van een bord H1 op de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden ten tijde van de gedraging. De omstandigheid dat de gemachtigde in het hoger beroepschrift zijn verweer omtrent de bebording nader invult naar aanleiding van een bij het schouwrapport van 21 oktober 2020 door de ambtenaar beschreven route, zonder die route concreet te duiden als de met het voertuig afgelegde route, zijnde naar het oordeel van het hof overigens slechts een route die met het oog op de hiervoor weergegeven kaart mogelijk met het betrokken voertuig zou kunnen zijn afgelegd, doet aan het voorgaande niets af. De aangevoerde grond faalt. De gedraging kan worden vastgesteld.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.