Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-26
ECLI:NL:GHARL:2023:6445
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,164 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.999/01
CJIB-nummer
: 240343777
Uitspraak d.d.
: 26 juli 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [kenteken] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 april 2021 om 19:50 uur op de Groene Kruisweg in [kenteken] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich in hoger beroep onder verwijzing naar het arrest van het hof van 5 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1143 op het standpunt dat de gedraging onvoldoende vaststaat. Het rijbewijs is niet gevorderd, maar er is slechts verzocht dit te tonen. Het openbaar ministerie heeft deze stelling niet weersproken, ook niet ter zitting.
3. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Deze bepaling luidt:
“Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:
b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs:”
4. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. Met de term 'op de eerste vordering' wordt beoogd weggebruikers in te scherpen dat aan de desbetreffende vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt (vgl. Hoge Raad 4-5-1965, NJ 1965, 294). Voor het doen van een vordering als bedoeld in artikel 160 van de WVW 1994 is niet vereist dat een politiemedewerker het woord vorderen letterlijk gebruikt. Voldoende is dat zodanige woorden worden gebruikt dat het voor een betrokkene duidelijk is wat hij moet doen (vgl. het arrest van het hof van 4 augustus 2016, met vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2016:6326, ov. 6).
5. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt onder meer in:
“Ik, verbalisant, heb de betrokkene gevorderd om het rijbewijs ter inzage af te geven. De betrokkene heeft geen gehoor gegeven aan deze vordering.”
6. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene wordt aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij inzage van het rijbewijs heeft gevorderd. Bovendien was het in dit geval voor de betrokkene ook duidelijk wat hij moest doen. In het administratief beroepschrift staat: “Bij ons dorp [kenteken] was controle, onze auto werd aangehouden bij een politie controle. De politie vroeg naar zijn rijbewijs maar helaas had hij het niet bij zich. Vervolgens deed ik mijn gordel snel los en zei ik dat ik het binnen 5/10 minuten ging halen.” De gedraging kan worden vastgesteld.
7. De gemachtigde herhaalt verder dat als de ambtenaar aangeeft dat de betrokkene geen boete krijgt als de passagier het rijbewijs alsnog ophaalt, wat ook is gebeurd, niet alsnog kan worden bekeurd. De ambtenaar heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank is hieraan voorbij gegaan en heeft ten onrechte overwogen dat de betrokkene aannemelijk moest maken dat aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar dient te worden getwijfeld.
8. Gelet op het onder 4 genoemde arrest van de Hoge Raad heeft de kantonrechter onder 2.5. van zijn beslissing kunnen overwegen dat de betrokkene zijn stelling (omtrent de toezegging) niet aannemelijk heeft gemaakt en dat uit de omstandigheid dat het rijbewijs mocht worden opgehaald niet volgt dat het opleggen van een sanctie achterwege zou blijven.
9. Tot slot wordt aangevoerd dat in het zaakoverzicht staat dat uit onderzoek bleek dat de betrokkene een geldig rijbewijs bleek te hebben. Niet nader onderbouwd wordt of dat is omdat de betrokkene het rijbewijs heeft afgegeven of door onderzoek in het systeem van de politie.
10. Nu dit voor de vaststelling van de gedraging en de vraag of de sanctie terecht is opgelegd niet relevant is, gaat het hof hieraan voorbij.
11. De aangevoerde gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.999/01
CJIB-nummer
: 240343777
Uitspraak d.d.
: 26 juli 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [kenteken] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 april 2021 om 19:50 uur op de Groene Kruisweg in [kenteken] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich in hoger beroep onder verwijzing naar het arrest van het hof van 5 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1143 op het standpunt dat de gedraging onvoldoende vaststaat. Het rijbewijs is niet gevorderd, maar er is slechts verzocht dit te tonen. Het openbaar ministerie heeft deze stelling niet weersproken, ook niet ter zitting.
3. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Deze bepaling luidt:
“Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:
b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs:”
4. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. Met de term 'op de eerste vordering' wordt beoogd weggebruikers in te scherpen dat aan de desbetreffende vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt (vgl. Hoge Raad 4-5-1965, NJ 1965, 294). Voor het doen van een vordering als bedoeld in artikel 160 van de WVW 1994 is niet vereist dat een politiemedewerker het woord vorderen letterlijk gebruikt. Voldoende is dat zodanige woorden worden gebruikt dat het voor een betrokkene duidelijk is wat hij moet doen (vgl. het arrest van het hof van 4 augustus 2016, met vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2016:6326, ov. 6).
5. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt onder meer in:
“Ik, verbalisant, heb de betrokkene gevorderd om het rijbewijs ter inzage af te geven. De betrokkene heeft geen gehoor gegeven aan deze vordering.”
6. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene wordt aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij inzage van het rijbewijs heeft gevorderd. Bovendien was het in dit geval voor de betrokkene ook duidelijk wat hij moest doen. In het administratief beroepschrift staat: “Bij ons dorp [kenteken] was controle, onze auto werd aangehouden bij een politie controle. De politie vroeg naar zijn rijbewijs maar helaas had hij het niet bij zich. Vervolgens deed ik mijn gordel snel los en zei ik dat ik het binnen 5/10 minuten ging halen.” De gedraging kan worden vastgesteld.
7. De gemachtigde herhaalt verder dat als de ambtenaar aangeeft dat de betrokkene geen boete krijgt als de passagier het rijbewijs alsnog ophaalt, wat ook is gebeurd, niet alsnog kan worden bekeurd. De ambtenaar heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank is hieraan voorbij gegaan en heeft ten onrechte overwogen dat de betrokkene aannemelijk moest maken dat aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar dient te worden getwijfeld.
8. Gelet op het onder 4 genoemde arrest van de Hoge Raad heeft de kantonrechter onder 2.5. van zijn beslissing kunnen overwegen dat de betrokkene zijn stelling (omtrent de toezegging) niet aannemelijk heeft gemaakt en dat uit de omstandigheid dat het rijbewijs mocht worden opgehaald niet volgt dat het opleggen van een sanctie achterwege zou blijven.
9. Tot slot wordt aangevoerd dat in het zaakoverzicht staat dat uit onderzoek bleek dat de betrokkene een geldig rijbewijs bleek te hebben. Niet nader onderbouwd wordt of dat is omdat de betrokkene het rijbewijs heeft afgegeven of door onderzoek in het systeem van de politie.
10. Nu dit voor de vaststelling van de gedraging en de vraag of de sanctie terecht is opgelegd niet relevant is, gaat het hof hieraan voorbij.
11. De aangevoerde gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.