Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-06
ECLI:NL:GHARL:2023:6233
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,760 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.296.209
(zaaknummer rechtbank Gelderland 386299)
beschikking van 6 juli 2023
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.E. van Nisselrooij te Zutphen,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Doetinchem,
verder te noemen: de GI.
1
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 17 januari 2023 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- het rapport van het familierechtelijk psychologisch onderzoek betreffende [de minderjarige] van 4 april 2023;
- het rapport van het forensisch psychologisch onderzoek betreffende de moeder van 5 april 2023;
- een journaalbericht van mr. Van Nisselrooij van 15 mei 2023 met producties.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.4
Met instemming van alle belanghebbenden heeft het hof na de mondelinge behandeling [de minderjarige] alsnog in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over de verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof heeft daarbij toestemming gekregen om aansluitend een beschikking te geven, dus zonder uitlating van de belanghebbenden over de mening van [de minderjarige] .
1.5
Hoewel [de minderjarige] vervolgens op 7 juni 2023 een bericht aan het hof heeft gestuurd, heeft zij zich daarin niet uitgelaten over de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing. Wel heeft [de minderjarige] laten weten dat zij graag meer inzicht krijgt in de problematiek van de moeder en dat zij zou willen weten wie op papier haar vader is.
Motivering
2.1
In deze zaak gaat het om de vraag of de kinderrechter terecht op 22 april 2021 een machtiging heeft gegeven tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] (geboren [in] 2007 in [plaats1] ). Voorheen woonde [de minderjarige] bij de moeder. Sinds [de minderjarige] uithuisgeplaatst is, heeft zij geen contact meer met de moeder.
2.2
Het hof blijft bij wat het heeft overwogen en beslist in de tussenbeschikkingen van 28 september 2021 en 17 januari 2023, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. In de hiervoor vermelde tussenbeschikking van 28 september 2021 heeft het hof een deskundigenonderzoek bevolen naar de persoonlijkheid en de (on)mogelijkheden van zowel [de minderjarige] als de moeder, dit om te kunnen beoordelen of [de minderjarige] terecht uithuisgeplaatst was en of zij weer bij de moeder kon (of kan) gaan wonen.
In de tussenbeschikking van 17 januari 2023 heeft het hof [naam1] , GZ-psycholoog, en [naam2] , Orthopedagoog-Generalist, tot deskundigen benoemd en de deskundigen verzocht binnen drie maanden te rapporteren over de in die beschikking opgenomen vragen.
2.3
Uit de rapportages van het familierechtelijk psychologisch onderzoek en het forensisch psychologisch onderzoek blijkt dat thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, zowel op korte als op langere termijn, niet in het belang van [de minderjarige] is. De kloof tussen het ouderschap van de moeder en de psychische problematiek van [de minderjarige] is daarvoor te groot. De voorkeur gaat uit naar het voortzetten van de huidige gezinshuisplaatsing. [de minderjarige] voelt zich daar veilig en vertrouwd. Ook wordt [de minderjarige] daar de zorg en ondersteuning geboden die zij nodig heeft in haar verdere ontwikkeling. Geadviseerd wordt dat, hoewel thuisplaatsing ook op lange termijn niet in het belang van [de minderjarige] is, in de toekomst gewerkt wordt aan het herstellen van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder.
Machtiging tot uithuisplaatsing
2.4
De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 2 mei 2022 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 2 mei 2021 tot 2 mei 2022 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
2.5
Op grond van artikel 1:265b, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
2.6
Het hof overweegt als volgt. De uitkomst van het onderzoek is duidelijk. De moeder is niet in staat [de minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die zij nodig heeft. De beperkingen van de moeder liggen juist op die gebieden waar [de minderjarige] aanvullende ondersteuning nodig heeft en hulpverlening is niet geschikt om hier verandering in te brengen. [de minderjarige] kan dan ook niet meer bij de moeder wonen, ook niet op langere termijn. Het is belangrijk voor [de minderjarige] dat zij weet dat zij in het gezinshuis kan blijven wonen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder laten weten dat de moeder, hoe moeilijk zij dat ook vindt, zich neerlegt bij de uitkomst van het onderzoek. Hiernaast heeft de advocaat van de moeder benadrukt dat de moeder hoopt dat er aan contactherstel tussen [de minderjarige] en de moeder zal worden gewerkt en dat de moeder bereid is mee te werken aan de in dat kader aangeraden systeemtherapie.
2.7
Op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, bij het uitblijven van de uithuisplaatsing, de continuïteit van [de minderjarige] in haar dagelijkse verzorging en opvoeding niet is gewaarborgd en dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] dan ook terecht heeft verleend. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 22 april 2021 voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, E. de Boer en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 6 juli 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.296.209
(zaaknummer rechtbank Gelderland 386299)
beschikking van 6 juli 2023
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.E. van Nisselrooij te Zutphen,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Doetinchem,
verder te noemen: de GI.
1
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 17 januari 2023 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- het rapport van het familierechtelijk psychologisch onderzoek betreffende [de minderjarige] van 4 april 2023;
- het rapport van het forensisch psychologisch onderzoek betreffende de moeder van 5 april 2023;
- een journaalbericht van mr. Van Nisselrooij van 15 mei 2023 met producties.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.4
Met instemming van alle belanghebbenden heeft het hof na de mondelinge behandeling [de minderjarige] alsnog in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over de verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof heeft daarbij toestemming gekregen om aansluitend een beschikking te geven, dus zonder uitlating van de belanghebbenden over de mening van [de minderjarige] .
1.5
Hoewel [de minderjarige] vervolgens op 7 juni 2023 een bericht aan het hof heeft gestuurd, heeft zij zich daarin niet uitgelaten over de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing. Wel heeft [de minderjarige] laten weten dat zij graag meer inzicht krijgt in de problematiek van de moeder en dat zij zou willen weten wie op papier haar vader is.
Motivering
2.1
In deze zaak gaat het om de vraag of de kinderrechter terecht op 22 april 2021 een machtiging heeft gegeven tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] (geboren [in] 2007 in [plaats1] ). Voorheen woonde [de minderjarige] bij de moeder. Sinds [de minderjarige] uithuisgeplaatst is, heeft zij geen contact meer met de moeder.
2.2
Het hof blijft bij wat het heeft overwogen en beslist in de tussenbeschikkingen van 28 september 2021 en 17 januari 2023, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. In de hiervoor vermelde tussenbeschikking van 28 september 2021 heeft het hof een deskundigenonderzoek bevolen naar de persoonlijkheid en de (on)mogelijkheden van zowel [de minderjarige] als de moeder, dit om te kunnen beoordelen of [de minderjarige] terecht uithuisgeplaatst was en of zij weer bij de moeder kon (of kan) gaan wonen.
In de tussenbeschikking van 17 januari 2023 heeft het hof [naam1] , GZ-psycholoog, en [naam2] , Orthopedagoog-Generalist, tot deskundigen benoemd en de deskundigen verzocht binnen drie maanden te rapporteren over de in die beschikking opgenomen vragen.
2.3
Uit de rapportages van het familierechtelijk psychologisch onderzoek en het forensisch psychologisch onderzoek blijkt dat thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, zowel op korte als op langere termijn, niet in het belang van [de minderjarige] is. De kloof tussen het ouderschap van de moeder en de psychische problematiek van [de minderjarige] is daarvoor te groot. De voorkeur gaat uit naar het voortzetten van de huidige gezinshuisplaatsing. [de minderjarige] voelt zich daar veilig en vertrouwd. Ook wordt [de minderjarige] daar de zorg en ondersteuning geboden die zij nodig heeft in haar verdere ontwikkeling. Geadviseerd wordt dat, hoewel thuisplaatsing ook op lange termijn niet in het belang van [de minderjarige] is, in de toekomst gewerkt wordt aan het herstellen van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder.
Machtiging tot uithuisplaatsing
2.4
De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 2 mei 2022 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 2 mei 2021 tot 2 mei 2022 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
2.5
Op grond van artikel 1:265b, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
2.6
Het hof overweegt als volgt. De uitkomst van het onderzoek is duidelijk. De moeder is niet in staat [de minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die zij nodig heeft. De beperkingen van de moeder liggen juist op die gebieden waar [de minderjarige] aanvullende ondersteuning nodig heeft en hulpverlening is niet geschikt om hier verandering in te brengen. [de minderjarige] kan dan ook niet meer bij de moeder wonen, ook niet op langere termijn. Het is belangrijk voor [de minderjarige] dat zij weet dat zij in het gezinshuis kan blijven wonen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder laten weten dat de moeder, hoe moeilijk zij dat ook vindt, zich neerlegt bij de uitkomst van het onderzoek. Hiernaast heeft de advocaat van de moeder benadrukt dat de moeder hoopt dat er aan contactherstel tussen [de minderjarige] en de moeder zal worden gewerkt en dat de moeder bereid is mee te werken aan de in dat kader aangeraden systeemtherapie.
2.7
Op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, bij het uitblijven van de uithuisplaatsing, de continuïteit van [de minderjarige] in haar dagelijkse verzorging en opvoeding niet is gewaarborgd en dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] dan ook terecht heeft verleend. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 22 april 2021 voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, E. de Boer en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 6 juli 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.