Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-25
ECLI:NL:GHARL:2023:6230
Strafrecht
Hoger beroep
6,772 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000944-22
Uitspraak d.d.: 25 juli 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 1 maart 2022 met parketnummer 16-211044-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Van den Driest, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zes maanden, wegens – kort gezegd – het medeplegen van afpersing. De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] is toegewezen tot een bedrag van € 2000,--.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 april 2019 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 400 euro, in elk geval een geldbedrag en/of goed, toebehorende aan de winkel Blokker,
welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)
gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde winkel zijn binnengegaan en/of
met een hamer, op de stellingen in de winkel heeft/hebben geslagen en/of
een hamer in de richting van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gehouden en/of getoond en/of
die [slachtoffer 2] bij haar haren heeft/hebben vastgepakt en de woorden heeft/hebben toegevoegd: “naar achteren mee jij”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
die [slachtoffer 3] aan haar kleding heeft/hebben getrokken en de woorden heeft/hebben toegevoegd: “meekomen meekomen, waar is het geld is er een kluis”, althans woorden van gelijke of strekking en/of
die [slachtoffer 1] aan haar kleding heeft/hebben getrokken en/of
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben gehouden en/of getoond en/of
die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] onder bedreiging van een vuurwapen heeft/hebben meegetrokken naar de kassa en/of
(vervolgens)daar heeft/hebben gevraagd om de kassa leeg te halen en/of
(vervolgens) het geld in een plastic tas heeft/hebben gestopt
en/of
hij op of omstreeks 2 april 2019 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van (ongeveer) 400 euro, in elk geval enig geldbedrag en/of goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de winkel Blokker, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde winkel binnen te gaan en/of
met een hamer, op de stellingen in de winkel te slaan en/of
een hamer in de richting van die [slachtoffer 2] te houden en/of te tonen en/of
die [slachtoffer 2] bij haar haren vast te pakken en de woorden toe te voegen: “naar achteren mee jij”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
die [slachtoffer 3] aan haar kleding te trekken en de woorden toe te voegen: “meekomen meekomen, waar is het geld is er een kluis”, althans woorden van gelijke of strekking en/of
die [slachtoffer 1] aan haar kleding te trekken en/of
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] te houden en/of te tonen en/of
die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] onder bedreiging van een vuurwapen mee te trekken naar de kassa en/of
(vervolgens) daar te vragen om de kassa leeg te halen en/of
(vervolgens) het geld in een plastic tas te stoppen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Beoordeling
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft aangevoerd dat er op grond van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte één van de twee daders is.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken moet worden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat in het dossier twee belastende aanwijzingen te vinden zijn, maar dat deze nauwelijks bewijswaarde hebben.
Zelfs als zou kunnen worden vastgesteld dat het telefoonnummer eindigend op 3422 van verdachte was, dan is de bewijswaarde daarvan minimaal. Dat [vriend verdachte] – een vriend van verdachte – op de dag van de overval heeft geprobeerd om verdachte telefonisch te bereiken, zegt niets over de betrokkenheid van verdachte. De door de telefoon van [vriend verdachte] aangestraalde telefoonpaal hoeft niet de thuispaal van verdachte te zijn en het bevestigt niet meer dan dat het blijkbaar niet lukte om verdachte te pakken te krijgen.
Dat [vriend verdachte] contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] zegt ook niets over de betrokkenheid van verdachte.
Voorts is het door aangeefsters opgegeven signalement onvoldoende duidelijk en onderscheidend en heeft het (daardoor) geen bewijswaarde. Bovendien wijken de verklaringen van de getuigen hieromtrent af van dat wat de politie op de diverse camerabeelden stelt te zien.
Het kan voorts niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is met het masker op de foto in de telefoon van [vriend verdachte] . Als dat wel aangenomen zou moeten worden, dan zegt dat nog steeds niets over de betrokkenheid van verdachte.
Er is geen sprake geweest van een specifieke modus operandi die betrokken kan worden bij het bewijs.
Er is geen bewijs dat een deel van de buit is aangetroffen bij verdachte. Het door verdachte gestorte geld betrof muntgeld, terwijl bij de Blokker alleen briefgeld is weggenomen. Verdachte heeft hiervoor ook een goede verklaring gegeven. De foto in het dossier waarop verdachte ‘4 donnies’ vasthoudt, is ook geen bewijs. Een “donnie” is, anders dan de politie heeft gerelateerd, geen € 100,- maar € 10,-.
Oordeel hof
Op 2 april 2019 heeft bij een filiaal van Blokker in [pleegplaats] een gewapende overval plaatsgevonden. Twee jongens zijn rond 10:15 uur de winkel binnengegaan. Daar hebben ze winkelmedewerkers onder bedreiging met een vuurwapen en hamer gedwongen tot afgifte van geld. De medewerkers werden hardhandig aan hun kleding en haren meegetrokken en het vuurwapen werd op het hoofd van een van de medewerkers gericht. De jongens hebben een bedrag van in totaal € 380,08 buitgemaakt en zijn er vervolgens via de achterdeur vandoor gegaan. Direct hierop zijn ze naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] gegaan.
Verdachte heeft in zijn politieverhoor steeds gezwegen. Op de zitting van de rechtbank is hij niet verschenen.
In het dossier bevinden zich aanwijzingen die naar het oordeel van het hof het vermoeden rechtvaardigen dat verdachte bij de overval betrokken was. Dat zijn de volgende.
Eén van de overvallers draagt een gezichtsmasker dat sterke overeenkomsten vertoont met een gezichtsmasker dat is te zien op een foto in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] . Volgens de politie is verdachte de persoon op die foto.
Vlak voor de overval heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (die voor dit feit inmiddels onherroepelijk is veroordeeld) driemaal geprobeerd verdachte telefonisch te bereiken, terwijl hij zich daarbij volgens de mastgegevens in de buurt van de woning van verdachte heeft bevonden.
De telefoon van verdachte stond op 2 april 2019, de dag van deze overval, de gehele dag uit, waarvoor verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven.
Het signalement van verdachte past in het signalement zoals dat volgt uit de beschrijving van de camerabeelden, zij het dat dit een weinig specifiek signalement is.
Uit tapgesprekken blijkt dat verdachte geprobeerd heeft om contact op te nemen met medeverdachte [medeverdachte 2] , die hij zijn ‘tweemans’ noemt, om te overleggen of hij een verklaring zal afleggen.
Om tot wettig en overtuigend bewijs te komen is echter meer nodig dan een samenstel van aanwijzingen. Naar het oordeel van het hof kan op basis van het dossier niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte één van de daders van de overval was. In het dossier ontbreekt een directe koppeling naar verdachte. De optelsom van de hierboven genoemde aanwijzingen is voor het hof onvoldoende om tot bewijs te concluderen. Om deze reden kan het hof niet anders dan verdachte vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde feit. Het hof merkt hierbij op dat de route naar Blokker die de twee verdachten -voor een deel nog zonder masker- hebben gelopen nauwkeurig via camerabeelden van diverse bedrijven en instellingen in beeld is gebracht maar dat een herkenning op grond van deze beelden in het dossier ontbreekt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het geheel van haar oorspronkelijke vordering.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig toegewezen dient te worden.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel hof
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. J.H. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,
en op 25 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000944-22
Uitspraak d.d.: 25 juli 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 1 maart 2022 met parketnummer 16-211044-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Van den Driest, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zes maanden, wegens – kort gezegd – het medeplegen van afpersing. De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] is toegewezen tot een bedrag van € 2000,--.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 april 2019 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 400 euro, in elk geval een geldbedrag en/of goed, toebehorende aan de winkel Blokker,
welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)
gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde winkel zijn binnengegaan en/of
met een hamer, op de stellingen in de winkel heeft/hebben geslagen en/of
een hamer in de richting van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gehouden en/of getoond en/of
die [slachtoffer 2] bij haar haren heeft/hebben vastgepakt en de woorden heeft/hebben toegevoegd: “naar achteren mee jij”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
die [slachtoffer 3] aan haar kleding heeft/hebben getrokken en de woorden heeft/hebben toegevoegd: “meekomen meekomen, waar is het geld is er een kluis”, althans woorden van gelijke of strekking en/of
die [slachtoffer 1] aan haar kleding heeft/hebben getrokken en/of
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben gehouden en/of getoond en/of
die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] onder bedreiging van een vuurwapen heeft/hebben meegetrokken naar de kassa en/of
(vervolgens)daar heeft/hebben gevraagd om de kassa leeg te halen en/of
(vervolgens) het geld in een plastic tas heeft/hebben gestopt
en/of
hij op of omstreeks 2 april 2019 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van (ongeveer) 400 euro, in elk geval enig geldbedrag en/of goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de winkel Blokker, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde winkel binnen te gaan en/of
met een hamer, op de stellingen in de winkel te slaan en/of
een hamer in de richting van die [slachtoffer 2] te houden en/of te tonen en/of
die [slachtoffer 2] bij haar haren vast te pakken en de woorden toe te voegen: “naar achteren mee jij”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
die [slachtoffer 3] aan haar kleding te trekken en de woorden toe te voegen: “meekomen meekomen, waar is het geld is er een kluis”, althans woorden van gelijke of strekking en/of
die [slachtoffer 1] aan haar kleding te trekken en/of
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] te houden en/of te tonen en/of
die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] onder bedreiging van een vuurwapen mee te trekken naar de kassa en/of
(vervolgens) daar te vragen om de kassa leeg te halen en/of
(vervolgens) het geld in een plastic tas te stoppen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Beoordeling
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft aangevoerd dat er op grond van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte één van de twee daders is.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken moet worden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat in het dossier twee belastende aanwijzingen te vinden zijn, maar dat deze nauwelijks bewijswaarde hebben.
Zelfs als zou kunnen worden vastgesteld dat het telefoonnummer eindigend op 3422 van verdachte was, dan is de bewijswaarde daarvan minimaal. Dat [vriend verdachte] – een vriend van verdachte – op de dag van de overval heeft geprobeerd om verdachte telefonisch te bereiken, zegt niets over de betrokkenheid van verdachte. De door de telefoon van [vriend verdachte] aangestraalde telefoonpaal hoeft niet de thuispaal van verdachte te zijn en het bevestigt niet meer dan dat het blijkbaar niet lukte om verdachte te pakken te krijgen.
Dat [vriend verdachte] contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] zegt ook niets over de betrokkenheid van verdachte.
Voorts is het door aangeefsters opgegeven signalement onvoldoende duidelijk en onderscheidend en heeft het (daardoor) geen bewijswaarde. Bovendien wijken de verklaringen van de getuigen hieromtrent af van dat wat de politie op de diverse camerabeelden stelt te zien.
Het kan voorts niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is met het masker op de foto in de telefoon van [vriend verdachte] . Als dat wel aangenomen zou moeten worden, dan zegt dat nog steeds niets over de betrokkenheid van verdachte.
Er is geen sprake geweest van een specifieke modus operandi die betrokken kan worden bij het bewijs.
Er is geen bewijs dat een deel van de buit is aangetroffen bij verdachte. Het door verdachte gestorte geld betrof muntgeld, terwijl bij de Blokker alleen briefgeld is weggenomen. Verdachte heeft hiervoor ook een goede verklaring gegeven. De foto in het dossier waarop verdachte ‘4 donnies’ vasthoudt, is ook geen bewijs. Een “donnie” is, anders dan de politie heeft gerelateerd, geen € 100,- maar € 10,-.
Oordeel hof
Op 2 april 2019 heeft bij een filiaal van Blokker in [pleegplaats] een gewapende overval plaatsgevonden. Twee jongens zijn rond 10:15 uur de winkel binnengegaan. Daar hebben ze winkelmedewerkers onder bedreiging met een vuurwapen en hamer gedwongen tot afgifte van geld. De medewerkers werden hardhandig aan hun kleding en haren meegetrokken en het vuurwapen werd op het hoofd van een van de medewerkers gericht. De jongens hebben een bedrag van in totaal € 380,08 buitgemaakt en zijn er vervolgens via de achterdeur vandoor gegaan. Direct hierop zijn ze naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] gegaan.
Verdachte heeft in zijn politieverhoor steeds gezwegen. Op de zitting van de rechtbank is hij niet verschenen.
In het dossier bevinden zich aanwijzingen die naar het oordeel van het hof het vermoeden rechtvaardigen dat verdachte bij de overval betrokken was. Dat zijn de volgende.
Eén van de overvallers draagt een gezichtsmasker dat sterke overeenkomsten vertoont met een gezichtsmasker dat is te zien op een foto in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] . Volgens de politie is verdachte de persoon op die foto.
Vlak voor de overval heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (die voor dit feit inmiddels onherroepelijk is veroordeeld) driemaal geprobeerd verdachte telefonisch te bereiken, terwijl hij zich daarbij volgens de mastgegevens in de buurt van de woning van verdachte heeft bevonden.
De telefoon van verdachte stond op 2 april 2019, de dag van deze overval, de gehele dag uit, waarvoor verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven.
Het signalement van verdachte past in het signalement zoals dat volgt uit de beschrijving van de camerabeelden, zij het dat dit een weinig specifiek signalement is.
Uit tapgesprekken blijkt dat verdachte geprobeerd heeft om contact op te nemen met medeverdachte [medeverdachte 2] , die hij zijn ‘tweemans’ noemt, om te overleggen of hij een verklaring zal afleggen.
Om tot wettig en overtuigend bewijs te komen is echter meer nodig dan een samenstel van aanwijzingen. Naar het oordeel van het hof kan op basis van het dossier niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte één van de daders van de overval was. In het dossier ontbreekt een directe koppeling naar verdachte. De optelsom van de hierboven genoemde aanwijzingen is voor het hof onvoldoende om tot bewijs te concluderen. Om deze reden kan het hof niet anders dan verdachte vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde feit. Het hof merkt hierbij op dat de route naar Blokker die de twee verdachten -voor een deel nog zonder masker- hebben gelopen nauwkeurig via camerabeelden van diverse bedrijven en instellingen in beeld is gebracht maar dat een herkenning op grond van deze beelden in het dossier ontbreekt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het geheel van haar oorspronkelijke vordering.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig toegewezen dient te worden.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel hof
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. J.H. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,
en op 25 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.