Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-18
ECLI:NL:GHARL:2023:6139
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
4,850 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.326.589/02
beschikking van 18 juli 2023
in de zaak van
Bakker & Koopmans B.V.
die is gevestigd in Cothen (gemeente Wijk bij Duurstede)
verzoekster
hierna: Bakker & Koopmans
advocaat: mr. V.R. Pool
tegen
Van den Brink B.V.
die is gevestigd in ’t Goy (gemeente Houten)
verweerster
hierna: Van den Brink
advocaat: mr. M.T. Spronck.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bakker & Koopmans heeft op 26 mei 2023 een verzoekschrift met producties ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
1.2.
Mr. Spronck heeft op 15 juni 2023 per brief aan het hof meegedeeld dat Van den Brink geen verweer zal voeren in deze procedure.
1.3.
Partijen hebben beide afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.
2De kern van de zaak
2.1.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden die Bakker & Koopmans als assurantietussenpersoon voor Van den Brink heeft verricht. Volgens Van den Brink heeft Bakker & Koopmans haar zorgplicht als assurantie-tussenpersoon geschonden en is zij aansprakelijk voor de schade die Van den Brink daardoor heeft geleden. In het bijzonder zijn partijen verdeeld over de vraag of Van den Brink aan Bakker & Koopmans de opdracht heeft gegeven om de uitkeringstermijn onder de bedrijfsschadeverzekering te verlengen van 52 weken naar 104 weken.
2.2.
Van den Brink heeft het geschil voorgelegd aan de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 25 januari 2023 voor recht verklaard dat Bakker & Koopmans haar zorgplicht ten opzichte van Van den Brink heeft geschonden. Bakker & Koopmans moet daarom de door Van den Brink geleden schade vergoeden.
2.3.
Koopmans & Van den Brink is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. De zaak is bij dit hof bekend onder zaaknummer 200.326.589/01. Uit het roljournaal blijkt dat deze zaak is doorgehaald nadat een regiegesprek heeft plaatsgevonden.
2.4.
Om haar (bewijs)kansen in hoger beroep beter te kunnen inschatten wil Bakker & Koopmans vier getuigen laten horen. Het hof zal dat verzoek toewijzen en zal hierna toelichten hoe het tot die beslissing komt.
Motivering
Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toewijsbaar
3.1.
Het verzoek van Bakker & Koopmans tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toewijsbaar. Het verzochte voorlopig getuigenverhoor ziet op de gang van zaken rond de risico-inventarisatie die plaatsvond op 15 augustus 2018 bij Van den Brink. Na afloop van deze inventarisatie heeft een eindgesprek plaatsgevonden tussen Van den Brink (in de persoon van [naam1] en [naam2] ), Bakker & Koopmans ( [naam3] ) en verzekeraar Avéro ( [naam4] ). Meer in het bijzonder zal het voorlopig getuigenverhoor zien op feiten en omstandigheden waaruit volgens Van den Brink zou volgen dat zij tijdens dit eindgesprek mondeling opdracht heeft gegeven aan Bakker & Koopmans om de uitkeringstermijn onder de bedrijfsschadeverzekering te verlengen van 52 weken naar 104 weken. Bakker & Koopmans betwist het voorgaande en wil graag ophelderen wat de inhoud is geweest van het gevoerde gesprek en de daarin eventueel gemaakte afspraken. In het bijzonder wenst Bakker & Koopmans bewijs te verzamelen ter onderbouwing van haar betwisting dat Van den Brink geen opdracht heeft gegeven tot het verlengen van de uitkeringstermijn van de bedrijfsschadeverzekering. Het voorlopig getuigenverhoor zal haar, zo stelt Bakker & Koopmans, in staat stellen om haar (rechts)positie bij (voortzetting van) de procedure beter te kunnen beoordelen.
3.2.
Bakker & Koopmans stelt dat de volgende getuigen kunnen verklaren over feiten en omstandigheden die voor de procedure in hoger beroep mogelijk van belang zijn:
Naam
Hoedanigheid
Woonplaats
1
[naam4]
Werkzaam bij Avéro Achmea
[woonplaats1]
2
[naam3]
Werkzaam bij Bakker & Koopmans
[woonplaats2]
3
[naam1]
Eigenaar en directeur van Van den Brink
[woonplaats3]
4
[naam2]
Zoon van [naam1]
[woonplaats3]
3.3.
Het hof zal het verzoek toewijzen, nu is voldaan aan het wettelijk uitgangspunt, neergelegd in artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en niet is gebleken van enige afwijzingsgrond (zoals misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde of onvoldoende belang).
3.4.
Beide partijen hebben op 9 juni 2023 hun verhinderdata opgegeven voor de periode juli 2023 – december 2023. Het hof constateert dat de verhinderdata van de te horen getuigen nog niet bekend zijn, zodat het hof in het dictum zal bepalen dat Bakker & Koopmans nogmaals de verhinderdata dient door te geven, met inbegrip van de verhinderdata van de te horen getuigen.
3.5.
Het hof ziet geen aanleiding om in deze uitspraak een veroordeling in de proceskosten op te nemen.
3.6.
Het hof merkt ten slotte nog op dat, conform de wens die partijen tijdens het regiegesprek hebben geuit, na afloop van het voorlopig getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan worden bepaald om de verdere behandeling van de (hoofd)zaak te bespreken en te onderzoeken of een schikking kan worden bereikt (artikel 191 Rv).
Dictum
Het hof:
4.1.
wijst het verzoek van Bakker & Koopmans tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe;
4.2.
bepaalt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden voor het horen van – in ieder geval – de in rov. 3.2 genoemde getuigen;
4.3.
bepaalt dat het verhoor van die getuigen – en overige getuigen voor zover daarvoor toestemming wordt verleend door de raadsheer-commissaris – zal plaatsvinden voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.S.A. van Dam, die zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem op een nog vast te stellen dag en tijdstip;
4.4.
bepaalt dat partijen zelf bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn, zodat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
4.5.
bepaalt dat Bakker & Koopmans de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden september tot en met december 2023 zal opgeven uiterlijk één week na uitspraak van deze beschikking bij de handelsrekestengriffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM te Arnhem). Daarna zal de datum en het tijdstip van de verhoren door de raadsheer-commissaris worden vastgesteld. In beginsel zal dan geen uitstel meer worden verleend in verband met verhinderingen;
4.6.
bepaalt dat Bakker & Koopmans overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de overige getuigen ten minste één week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
4.7.
bepaalt aansluitend aan het voorlopig getuigenverhoor een mondelinge behandeling (artikel 191 Rv), waarbij partijen (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij als raadsheer-commissaris aangewezen lid van het hof mr. M.S.A. van Dam, voor het in rov. 3.6 omschreven doel.
Deze beschikking is gegeven door H.L. Wattel, C.M.E. Lagarde en M.S.A. van Dam en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.326.589/02
beschikking van 18 juli 2023
in de zaak van
Bakker & Koopmans B.V.
die is gevestigd in Cothen (gemeente Wijk bij Duurstede)
verzoekster
hierna: Bakker & Koopmans
advocaat: mr. V.R. Pool
tegen
Van den Brink B.V.
die is gevestigd in ’t Goy (gemeente Houten)
verweerster
hierna: Van den Brink
advocaat: mr. M.T. Spronck.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bakker & Koopmans heeft op 26 mei 2023 een verzoekschrift met producties ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
1.2.
Mr. Spronck heeft op 15 juni 2023 per brief aan het hof meegedeeld dat Van den Brink geen verweer zal voeren in deze procedure.
1.3.
Partijen hebben beide afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.
2De kern van de zaak
2.1.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden die Bakker & Koopmans als assurantietussenpersoon voor Van den Brink heeft verricht. Volgens Van den Brink heeft Bakker & Koopmans haar zorgplicht als assurantie-tussenpersoon geschonden en is zij aansprakelijk voor de schade die Van den Brink daardoor heeft geleden. In het bijzonder zijn partijen verdeeld over de vraag of Van den Brink aan Bakker & Koopmans de opdracht heeft gegeven om de uitkeringstermijn onder de bedrijfsschadeverzekering te verlengen van 52 weken naar 104 weken.
2.2.
Van den Brink heeft het geschil voorgelegd aan de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 25 januari 2023 voor recht verklaard dat Bakker & Koopmans haar zorgplicht ten opzichte van Van den Brink heeft geschonden. Bakker & Koopmans moet daarom de door Van den Brink geleden schade vergoeden.
2.3.
Koopmans & Van den Brink is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. De zaak is bij dit hof bekend onder zaaknummer 200.326.589/01. Uit het roljournaal blijkt dat deze zaak is doorgehaald nadat een regiegesprek heeft plaatsgevonden.
2.4.
Om haar (bewijs)kansen in hoger beroep beter te kunnen inschatten wil Bakker & Koopmans vier getuigen laten horen. Het hof zal dat verzoek toewijzen en zal hierna toelichten hoe het tot die beslissing komt.
Motivering
Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toewijsbaar
3.1.
Het verzoek van Bakker & Koopmans tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toewijsbaar. Het verzochte voorlopig getuigenverhoor ziet op de gang van zaken rond de risico-inventarisatie die plaatsvond op 15 augustus 2018 bij Van den Brink. Na afloop van deze inventarisatie heeft een eindgesprek plaatsgevonden tussen Van den Brink (in de persoon van [naam1] en [naam2] ), Bakker & Koopmans ( [naam3] ) en verzekeraar Avéro ( [naam4] ). Meer in het bijzonder zal het voorlopig getuigenverhoor zien op feiten en omstandigheden waaruit volgens Van den Brink zou volgen dat zij tijdens dit eindgesprek mondeling opdracht heeft gegeven aan Bakker & Koopmans om de uitkeringstermijn onder de bedrijfsschadeverzekering te verlengen van 52 weken naar 104 weken. Bakker & Koopmans betwist het voorgaande en wil graag ophelderen wat de inhoud is geweest van het gevoerde gesprek en de daarin eventueel gemaakte afspraken. In het bijzonder wenst Bakker & Koopmans bewijs te verzamelen ter onderbouwing van haar betwisting dat Van den Brink geen opdracht heeft gegeven tot het verlengen van de uitkeringstermijn van de bedrijfsschadeverzekering. Het voorlopig getuigenverhoor zal haar, zo stelt Bakker & Koopmans, in staat stellen om haar (rechts)positie bij (voortzetting van) de procedure beter te kunnen beoordelen.
3.2.
Bakker & Koopmans stelt dat de volgende getuigen kunnen verklaren over feiten en omstandigheden die voor de procedure in hoger beroep mogelijk van belang zijn:
Naam
Hoedanigheid
Woonplaats
1
[naam4]
Werkzaam bij Avéro Achmea
[woonplaats1]
2
[naam3]
Werkzaam bij Bakker & Koopmans
[woonplaats2]
3
[naam1]
Eigenaar en directeur van Van den Brink
[woonplaats3]
4
[naam2]
Zoon van [naam1]
[woonplaats3]
3.3.
Het hof zal het verzoek toewijzen, nu is voldaan aan het wettelijk uitgangspunt, neergelegd in artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en niet is gebleken van enige afwijzingsgrond (zoals misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde of onvoldoende belang).
3.4.
Beide partijen hebben op 9 juni 2023 hun verhinderdata opgegeven voor de periode juli 2023 – december 2023. Het hof constateert dat de verhinderdata van de te horen getuigen nog niet bekend zijn, zodat het hof in het dictum zal bepalen dat Bakker & Koopmans nogmaals de verhinderdata dient door te geven, met inbegrip van de verhinderdata van de te horen getuigen.
3.5.
Het hof ziet geen aanleiding om in deze uitspraak een veroordeling in de proceskosten op te nemen.
3.6.
Het hof merkt ten slotte nog op dat, conform de wens die partijen tijdens het regiegesprek hebben geuit, na afloop van het voorlopig getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan worden bepaald om de verdere behandeling van de (hoofd)zaak te bespreken en te onderzoeken of een schikking kan worden bereikt (artikel 191 Rv).
Dictum
Het hof:
4.1.
wijst het verzoek van Bakker & Koopmans tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe;
4.2.
bepaalt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden voor het horen van – in ieder geval – de in rov. 3.2 genoemde getuigen;
4.3.
bepaalt dat het verhoor van die getuigen – en overige getuigen voor zover daarvoor toestemming wordt verleend door de raadsheer-commissaris – zal plaatsvinden voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.S.A. van Dam, die zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem op een nog vast te stellen dag en tijdstip;
4.4.
bepaalt dat partijen zelf bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn, zodat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
4.5.
bepaalt dat Bakker & Koopmans de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden september tot en met december 2023 zal opgeven uiterlijk één week na uitspraak van deze beschikking bij de handelsrekestengriffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM te Arnhem). Daarna zal de datum en het tijdstip van de verhoren door de raadsheer-commissaris worden vastgesteld. In beginsel zal dan geen uitstel meer worden verleend in verband met verhinderingen;
4.6.
bepaalt dat Bakker & Koopmans overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de overige getuigen ten minste één week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
4.7.
bepaalt aansluitend aan het voorlopig getuigenverhoor een mondelinge behandeling (artikel 191 Rv), waarbij partijen (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij als raadsheer-commissaris aangewezen lid van het hof mr. M.S.A. van Dam, voor het in rov. 3.6 omschreven doel.
Deze beschikking is gegeven door H.L. Wattel, C.M.E. Lagarde en M.S.A. van Dam en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.