Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-06-27
ECLI:NL:GHARL:2023:5369
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,650 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.322.206
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10171817)
beschikking van 27 juni 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. G.J. Boven te Leusden,
en
[verweerster] , h.o.d.n. [naam1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder ook te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. G.B. de Jong te Zuidlaren.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
A.C. [verzoeker],
wonende te [woonplaats1]
verder te noemen: de zoon,
J. [verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de dochter.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Amersfoort) van 2 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 februari 2023, en
het verweerschrift met producties van de bewindvoerder.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2023 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
[verzoeker] , met zijn advocaat, en
de bewindvoerder, met haar advocaat.
Feiten
3.1
[verzoeker] is geboren [in] 1948.
3.2
[verzoeker] heeft op 26 oktober 2022 de kantonrechter verzocht een bewind in te stellen over één of meer goederen die hem als rechthebbende toebehoren.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] toegewezen, de goederen van [verzoeker] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en [verweerster] h.o.d.n. [naam1] tot bewindvoerder benoemd.
4.2
[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot onderbewindstelling, naar het hof begrijpt, af te wijzen dan wel het bewind op te heffen.
4.3
De bewindvoerder voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van [verzoeker] af te wijzen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren:
voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.2
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.3
Het hof stelt voorop dat [verzoeker] in eerste aanleg heeft gekregen hetgeen hij heeft verzocht, zodat reeds op die grond geen hoger beroep open staat. Het hof is afgezien daarvan van oordeel dat de kantonrechter terecht een bewind heeft ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] . Het hof overweegt hiertoe dat de bewindvoerder op de mondelinge behandeling in hoger beroep onbestreden heeft gesteld dat haar is gebleken dat het [verzoeker] al geruime tijd niet lukte om van zijn krappe budget – alleen een AOW-uitkering – al zijn lasten te voldoen. [verzoeker] had ten tijde van het verzoek in eerste aanleg al een paar maanden zijn huur niet voldaan waardoor er een forse huurschuld was ontstaan en waardoor zijn verblijf in de huurwoning onzeker was geworden. Verder had [verzoeker] een achterstand in de betaling van de zorgverzekering en had hij niet altijd genoeg geld om boodschappen te doen. De bewindvoerder heeft ervoor gezorgd dat er een passende betalingsregeling is getroffen met de verhuurder – van € 50,- per maand gedurende ongeveer zestig maanden – en dat alle lasten kunnen worden voldaan. Daarmee is ontruiming voorkomen. Sinds het bewind heeft [verzoeker] weer geld om boodschappen te doen. Het bewind draagt dan ook bij aan de sanering van schulden van [verzoeker] . Van belang acht het hof dat [verzoeker] nog twee inactieve besloten vennootschappen heeft waarvan de Belastingdienst wil dat deze worden geliquideerd en dat duidelijk is dat [verzoeker] niet van plan is dat te doen.
Naar het oordeel van het hof is dan ook sprake van een situatie van problematische schulden waardoor [verzoeker] niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.
5.4
Het hof stelt wel vast dat [verzoeker] een bewind heeft verzocht op de (sub b) grond van problematische schulden en dat de kantonrechter vervolgens een bewind heeft ingesteld op de (sub a) grond dat [verzoeker] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Hiervan is naar het oordeel van het hof echter niet gebleken. Het hof zal de gronden van de instelling het bewind door de kantonrechter dan ook in die zin verbeteren.
5.5
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de noodzaak van het bewind nog steeds aanwezig is en dat voortzetting daarvan zinvol is, zodat het hof geen aanleiding ziet om het bewind op te heffen, nog daargelaten of het hof hierover in hoger beroep zou kunnen beslissen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt, met verbetering van gronden, de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Amersfoort) van 2 november 2022;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.B. de Groot en E.B. Knottnerus, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 27 juni 2023 uitgesproken door mr. P.B. Kamminga in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.322.206
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10171817)
beschikking van 27 juni 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. G.J. Boven te Leusden,
en
[verweerster] , h.o.d.n. [naam1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder ook te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. G.B. de Jong te Zuidlaren.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
A.C. [verzoeker],
wonende te [woonplaats1]
verder te noemen: de zoon,
J. [verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de dochter.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Amersfoort) van 2 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 februari 2023, en
het verweerschrift met producties van de bewindvoerder.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2023 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
[verzoeker] , met zijn advocaat, en
de bewindvoerder, met haar advocaat.
Feiten
3.1
[verzoeker] is geboren [in] 1948.
3.2
[verzoeker] heeft op 26 oktober 2022 de kantonrechter verzocht een bewind in te stellen over één of meer goederen die hem als rechthebbende toebehoren.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] toegewezen, de goederen van [verzoeker] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en [verweerster] h.o.d.n. [naam1] tot bewindvoerder benoemd.
4.2
[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot onderbewindstelling, naar het hof begrijpt, af te wijzen dan wel het bewind op te heffen.
4.3
De bewindvoerder voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van [verzoeker] af te wijzen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren:
voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.2
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.3
Het hof stelt voorop dat [verzoeker] in eerste aanleg heeft gekregen hetgeen hij heeft verzocht, zodat reeds op die grond geen hoger beroep open staat. Het hof is afgezien daarvan van oordeel dat de kantonrechter terecht een bewind heeft ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] . Het hof overweegt hiertoe dat de bewindvoerder op de mondelinge behandeling in hoger beroep onbestreden heeft gesteld dat haar is gebleken dat het [verzoeker] al geruime tijd niet lukte om van zijn krappe budget – alleen een AOW-uitkering – al zijn lasten te voldoen. [verzoeker] had ten tijde van het verzoek in eerste aanleg al een paar maanden zijn huur niet voldaan waardoor er een forse huurschuld was ontstaan en waardoor zijn verblijf in de huurwoning onzeker was geworden. Verder had [verzoeker] een achterstand in de betaling van de zorgverzekering en had hij niet altijd genoeg geld om boodschappen te doen. De bewindvoerder heeft ervoor gezorgd dat er een passende betalingsregeling is getroffen met de verhuurder – van € 50,- per maand gedurende ongeveer zestig maanden – en dat alle lasten kunnen worden voldaan. Daarmee is ontruiming voorkomen. Sinds het bewind heeft [verzoeker] weer geld om boodschappen te doen. Het bewind draagt dan ook bij aan de sanering van schulden van [verzoeker] . Van belang acht het hof dat [verzoeker] nog twee inactieve besloten vennootschappen heeft waarvan de Belastingdienst wil dat deze worden geliquideerd en dat duidelijk is dat [verzoeker] niet van plan is dat te doen.
Naar het oordeel van het hof is dan ook sprake van een situatie van problematische schulden waardoor [verzoeker] niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.
5.4
Het hof stelt wel vast dat [verzoeker] een bewind heeft verzocht op de (sub b) grond van problematische schulden en dat de kantonrechter vervolgens een bewind heeft ingesteld op de (sub a) grond dat [verzoeker] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Hiervan is naar het oordeel van het hof echter niet gebleken. Het hof zal de gronden van de instelling het bewind door de kantonrechter dan ook in die zin verbeteren.
5.5
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de noodzaak van het bewind nog steeds aanwezig is en dat voortzetting daarvan zinvol is, zodat het hof geen aanleiding ziet om het bewind op te heffen, nog daargelaten of het hof hierover in hoger beroep zou kunnen beslissen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt, met verbetering van gronden, de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Amersfoort) van 2 november 2022;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.B. de Groot en E.B. Knottnerus, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 27 juni 2023 uitgesproken door mr. P.B. Kamminga in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.