Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-06-22
ECLI:NL:GHARL:2023:5265
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,412 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.323.743/01
CJIB-nummer
: 239563630
Uitspraak d.d.
: 22 juni 2023
Tussenbeschikking op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 9 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beschikking van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel van de Minister voor Rechtsbescherming niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.
Beoordeling
1. Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen een beschikking als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en na betaling van het verschuldigde griffierecht.
2. In het hiervoor vermelde artikel is bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen. Ook is daarin bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verschuldigdheid van het griffierecht en dat dit bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort.
3. Uit het dossier blijkt niet dat de griffier van de rechtbank aan de voorschriften in artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv heeft voldaan. Het hof constateert namelijk het volgende:
Het dossier bevat een brief van de rechtbank, gedateerd 29 juli 2022 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin onder meer is vermeld dat het bedrag aan zekerheidstelling moet worden betaald. Uit dezelfde brief van de rechtbank, gedateerd 29 juli 2022 en geadresseerd aan de betrokkene, wordt vermeld dat voor de behandeling van het hoger beroep griffierecht is verschuldigd. Uit het dossier blijkt echter niet, met een bewijs van aangetekende verzending of door middel van een deugdelijke verzendadministratie, dat deze brief aan de betrokkene is verstuurd.
Uit het dossier blijkt evenmin dat aan de betrokkene een nota voor de betaling van het griffierecht in hoger beroep is verzonden.
4. Het hof constateert voorts dat de griffier van de rechtbank niet aan (de griffier van) het hof heeft medegedeeld of aan de verplichting tot zekerheidstelling en het betalen van griffierecht in hoger beroep is voldaan.
5. Door de hiervoor geconstateerde gebreken in het dossier is het hof in dit geval niet in staat te beoordelen of aan de ontvankelijkheidsvereisten voor het hoger beroep is voldaan. Het hof merkt ten overvloede op dat dit helaas geen incident is en dat het hof heeft geconstateerd dat de dossiers in verzetzaken als bedoeld in artikel 26 en 26a van de Wahv op het punt van (de betaling van) het griffierecht en/of de zekerheidstelling met grote regelmaat onvolledig zijn.
6. Het hof ziet zich genoodzaakt de griffier van de rechtbank op te dragen alsnog de niet (of niet deugdelijk) verrichte handelingen uit te voeren en de ontbrekende stukken en informatie alsnog aan te leveren, zodat deze stukken aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Daarbij merkt het hof op dat ook handelingen die feitelijk door het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (LDCR) worden uitgevoerd, gezien de wettelijke regeling, vallen onder de verantwoordelijkheid van de griffier van de rechtbank. Verder wijst het hof erop dat als brieven aan de betrokkene niet aangetekend worden verstuurd, op een andere manier aannemelijk moet zijn dat deze daadwerkelijk zijn verzonden.
Dictum
Het gerechtshof:
draagt de griffier van de rechtbank op om alsnog de niet (of niet deugdelijk) verrichte handelingen uit te voeren en de ontbrekende stukken en informatie binnen acht weken alsnog aan te leveren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenbeschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Schokker als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.323.743/01
CJIB-nummer
: 239563630
Uitspraak d.d.
: 22 juni 2023
Tussenbeschikking op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 9 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beschikking van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel van de Minister voor Rechtsbescherming niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.
Beoordeling
1. Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen een beschikking als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en na betaling van het verschuldigde griffierecht.
2. In het hiervoor vermelde artikel is bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen. Ook is daarin bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verschuldigdheid van het griffierecht en dat dit bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort.
3. Uit het dossier blijkt niet dat de griffier van de rechtbank aan de voorschriften in artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv heeft voldaan. Het hof constateert namelijk het volgende:
Het dossier bevat een brief van de rechtbank, gedateerd 29 juli 2022 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin onder meer is vermeld dat het bedrag aan zekerheidstelling moet worden betaald. Uit dezelfde brief van de rechtbank, gedateerd 29 juli 2022 en geadresseerd aan de betrokkene, wordt vermeld dat voor de behandeling van het hoger beroep griffierecht is verschuldigd. Uit het dossier blijkt echter niet, met een bewijs van aangetekende verzending of door middel van een deugdelijke verzendadministratie, dat deze brief aan de betrokkene is verstuurd.
Uit het dossier blijkt evenmin dat aan de betrokkene een nota voor de betaling van het griffierecht in hoger beroep is verzonden.
4. Het hof constateert voorts dat de griffier van de rechtbank niet aan (de griffier van) het hof heeft medegedeeld of aan de verplichting tot zekerheidstelling en het betalen van griffierecht in hoger beroep is voldaan.
5. Door de hiervoor geconstateerde gebreken in het dossier is het hof in dit geval niet in staat te beoordelen of aan de ontvankelijkheidsvereisten voor het hoger beroep is voldaan. Het hof merkt ten overvloede op dat dit helaas geen incident is en dat het hof heeft geconstateerd dat de dossiers in verzetzaken als bedoeld in artikel 26 en 26a van de Wahv op het punt van (de betaling van) het griffierecht en/of de zekerheidstelling met grote regelmaat onvolledig zijn.
6. Het hof ziet zich genoodzaakt de griffier van de rechtbank op te dragen alsnog de niet (of niet deugdelijk) verrichte handelingen uit te voeren en de ontbrekende stukken en informatie alsnog aan te leveren, zodat deze stukken aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Daarbij merkt het hof op dat ook handelingen die feitelijk door het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (LDCR) worden uitgevoerd, gezien de wettelijke regeling, vallen onder de verantwoordelijkheid van de griffier van de rechtbank. Verder wijst het hof erop dat als brieven aan de betrokkene niet aangetekend worden verstuurd, op een andere manier aannemelijk moet zijn dat deze daadwerkelijk zijn verzonden.
Dictum
Het gerechtshof:
draagt de griffier van de rechtbank op om alsnog de niet (of niet deugdelijk) verrichte handelingen uit te voeren en de ontbrekende stukken en informatie binnen acht weken alsnog aan te leveren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenbeschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Schokker als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.