Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-06-06
ECLI:NL:GHARL:2023:4737
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,114 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.319.452/01
CJIB-nummer
: 238770993
Uitspraak d.d.
: 6 juni 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 20 oktober 2022, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 mei 2023. De betrokkene is niet verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De opgelegde sanctie bedraagt € 49,- en de kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.
3. Het hof vat de inhoud van het beroepschrift van de betrokkene aldus op dat de betrokkene zich geconfronteerd zag met de beslissing van kantonrechter, terwijl hij heel wel in staat is om aan te tonen dat hij wel degelijk tijdig in beroep is gegaan tegen de beslissing van de officier van justitie, doch daartoe niet de gelegenheid heeft gehad.
4. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
"De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om (...) op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen."
5. Indien de kantonrechter - in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv - degene aan wie de sanctie is opgelegd niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn standpunt op de openbare zitting toe te lichten kan het recht op toegang tot de rechter, dat besloten ligt in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, meebrengen dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018 (gepubliceerd op rechtsprpaak.nl. onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
6. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de betrokkene is uitgenodigd voor een zitting bij de kantonrechter, teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de tijdigheid van het ingestelde beroep. Het dossier bevat namelijk geen schrijven van de griffier waarin de betrokkene wordt uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Het recht op toegang tot de rechter is geschonden en daarom zal het hof het appelverbod buiten toepassing laten. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
8. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
9. De inleidende beschikking is op 15 januari 2021 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 26 februari 2021. Het beroepschrift is gedateerd 21 februari 2021. Uit een stempel blijkt dat het op 16 maart 2021 door de officier van justitie is ontvangen. De betrokkene stelt op grond van een overeenkomst gebruik te maken van het zogenaamde Businessportaal van het CJIB. Op grond van deze overeenkomst worden de initiële beschikking en de eerste aanmaning op elektronische wijze verzonden. Daarnaast wordt een eventueel beroepschrift ook via het portaal aan het CJIB verzonden. Door een technische fout is dit laatste in dit geval niet goed gegaan.
10. Dat in dit geval al eerder via het Businessportaal administratief beroep is ingesteld is door de betrokkene niet aannemelijk gemaakt. De betrokkene volstaat slechts met de mededeling dat er af en toe dingen fout gaan en dat er sprake is geweest van een technische storing, zonder dit aan de hand van stukken nader te onderbouwen. Dit betekent dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld. Er is niet gebleken dat dit verschoonbaar is. De officier van justitie heeft dan ook juist beslist.
11. Het hof komt nu niet toe aan het beoordelen van de bezwaren van de betrokkene tegen de aan hem opgelegde sanctie.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.319.452/01
CJIB-nummer
: 238770993
Uitspraak d.d.
: 6 juni 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 20 oktober 2022, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 mei 2023. De betrokkene is niet verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De opgelegde sanctie bedraagt € 49,- en de kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.
3. Het hof vat de inhoud van het beroepschrift van de betrokkene aldus op dat de betrokkene zich geconfronteerd zag met de beslissing van kantonrechter, terwijl hij heel wel in staat is om aan te tonen dat hij wel degelijk tijdig in beroep is gegaan tegen de beslissing van de officier van justitie, doch daartoe niet de gelegenheid heeft gehad.
4. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
"De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om (...) op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen."
5. Indien de kantonrechter - in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv - degene aan wie de sanctie is opgelegd niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn standpunt op de openbare zitting toe te lichten kan het recht op toegang tot de rechter, dat besloten ligt in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, meebrengen dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018 (gepubliceerd op rechtsprpaak.nl. onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
6. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de betrokkene is uitgenodigd voor een zitting bij de kantonrechter, teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de tijdigheid van het ingestelde beroep. Het dossier bevat namelijk geen schrijven van de griffier waarin de betrokkene wordt uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Het recht op toegang tot de rechter is geschonden en daarom zal het hof het appelverbod buiten toepassing laten. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
8. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
9. De inleidende beschikking is op 15 januari 2021 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 26 februari 2021. Het beroepschrift is gedateerd 21 februari 2021. Uit een stempel blijkt dat het op 16 maart 2021 door de officier van justitie is ontvangen. De betrokkene stelt op grond van een overeenkomst gebruik te maken van het zogenaamde Businessportaal van het CJIB. Op grond van deze overeenkomst worden de initiële beschikking en de eerste aanmaning op elektronische wijze verzonden. Daarnaast wordt een eventueel beroepschrift ook via het portaal aan het CJIB verzonden. Door een technische fout is dit laatste in dit geval niet goed gegaan.
10. Dat in dit geval al eerder via het Businessportaal administratief beroep is ingesteld is door de betrokkene niet aannemelijk gemaakt. De betrokkene volstaat slechts met de mededeling dat er af en toe dingen fout gaan en dat er sprake is geweest van een technische storing, zonder dit aan de hand van stukken nader te onderbouwen. Dit betekent dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld. Er is niet gebleken dat dit verschoonbaar is. De officier van justitie heeft dan ook juist beslist.
11. Het hof komt nu niet toe aan het beoordelen van de bezwaren van de betrokkene tegen de aan hem opgelegde sanctie.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.