Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-06-05
ECLI:NL:GHARL:2023:4690
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,138 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.264/01
CJIB-nummer
: 237355376
Uitspraak d.d.
: 5 juni 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 1 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 130,- voor: “16 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 oktober 2020 om 11:55 uur op de A200 links in Spaarndam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. Bij gebreke van tijdige en relevante bebording geldt hier gelet op artikel 21, sub a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) een maximumsnelheid van 130 km per uur en die is hier niet overschreden. Daarnaast is niet voldoende afstand tussen gebod (bord A1) en meetplaats in acht genomen. Op grond van de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen dient deze afstand bij een snelheid van 100 km per uur 280 meter te bedragen. Uit het zaakoverzicht volgt dat de meting is verricht bij hectometerpaal 10.1 en dat de borden bij hectometerpaal 10.0 stonden. Daaruit volgt dat de afstand ten hoogste 100 meter bedroeg.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In het zaakoverzicht is vermeld dat de gedraging is geconstateerd op een autosnelweg buiten de bebouwde kom met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel, te weten een mobiele radar van het merk Jenoptik, type MultaRadar CT. Verder is hierin vermeld dat is gemeten dat de (gecorrigeerde) snelheid van het voertuig 116 km per uur bedroeg, terwijl de toegestane maximumsnelheid 100 km per uur bedroeg. Bij rijrichting is vermeld dat het voertuig reed van Haarlem naar Amsterdam. De borden A1 stonden bij hectometerpaal 10.0 en de meting is verricht bij hectometerpaal 10.1.
4. Nu de meting is verricht tijdens een mobiele snelheidscontrole, was de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd zelf ter plaatse. Dan mag worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:1803). In het zaakoverzicht staat ook vermeld dat de bebording bij hectometerpaal 10.0 stond. Op deze bebording stond de aldaar ten tijde van de gedraging geldende maximumsnelheid van 100 km per uur aangegeven. De grond van de gemachtigde omtrent de in het RVV 1990 opgenomen maximumsnelheid op autosnelwegen van 130 km per uur treft geen doel.
5. Met betrekking tot de grond dat de minimumafstand tussen de plaats van inwerkingtreding van de maximumsnelheid en de meetlocatie niet in acht is genomen, overweegt het hof het volgende.
6. In de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen (2015A005) is bepaald:
“De snelheid van voertuigen moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden. Desalniettemin is staand beleid dat een minimumafstand in acht genomen wordt tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetplaats. Voor het bepalen van deze minimumafstand wordt geen rekening gehouden met de voor het gebod geldende maximumsnelheid. Het uitgangspunt is immers dat de snelheid bij het passeren van het gebod moet zijn aangepast en derhalve wordt bij het bepalen van de afstand tussen gebod en meetplaats uitgegaan van de uit het gebod volgende maximumsnelheid. (…)
Dezelfde afstanden moeten worden gebruikt tussen de meetplaats en de plaats waarop het gebod dat door middel van de snelheidsmeter wordt gehandhaafd eindigt als daarna een hogere maximumsnelheid gaat gelden. Hierbij moet worden uitgegaan van de ter plaatse geldende lagere maximumsnelheid. Bij kruisingen en in bijzondere omstandigheden kan hier van worden afgeweken.”
7. Nu in de onderhavige zaak geen sprake is van de inwerkingtreding van een lagere maximumsnelheid, berust de grond van de gemachtigde dat pas vanaf 280 meter na het bord A1 100 mocht worden gemeten, op een verkeerde lezing van de Aanwijzing. Deze grond faalt ook.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.264/01
CJIB-nummer
: 237355376
Uitspraak d.d.
: 5 juni 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 1 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 130,- voor: “16 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 oktober 2020 om 11:55 uur op de A200 links in Spaarndam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. Bij gebreke van tijdige en relevante bebording geldt hier gelet op artikel 21, sub a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) een maximumsnelheid van 130 km per uur en die is hier niet overschreden. Daarnaast is niet voldoende afstand tussen gebod (bord A1) en meetplaats in acht genomen. Op grond van de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen dient deze afstand bij een snelheid van 100 km per uur 280 meter te bedragen. Uit het zaakoverzicht volgt dat de meting is verricht bij hectometerpaal 10.1 en dat de borden bij hectometerpaal 10.0 stonden. Daaruit volgt dat de afstand ten hoogste 100 meter bedroeg.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In het zaakoverzicht is vermeld dat de gedraging is geconstateerd op een autosnelweg buiten de bebouwde kom met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel, te weten een mobiele radar van het merk Jenoptik, type MultaRadar CT. Verder is hierin vermeld dat is gemeten dat de (gecorrigeerde) snelheid van het voertuig 116 km per uur bedroeg, terwijl de toegestane maximumsnelheid 100 km per uur bedroeg. Bij rijrichting is vermeld dat het voertuig reed van Haarlem naar Amsterdam. De borden A1 stonden bij hectometerpaal 10.0 en de meting is verricht bij hectometerpaal 10.1.
4. Nu de meting is verricht tijdens een mobiele snelheidscontrole, was de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd zelf ter plaatse. Dan mag worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:1803). In het zaakoverzicht staat ook vermeld dat de bebording bij hectometerpaal 10.0 stond. Op deze bebording stond de aldaar ten tijde van de gedraging geldende maximumsnelheid van 100 km per uur aangegeven. De grond van de gemachtigde omtrent de in het RVV 1990 opgenomen maximumsnelheid op autosnelwegen van 130 km per uur treft geen doel.
5. Met betrekking tot de grond dat de minimumafstand tussen de plaats van inwerkingtreding van de maximumsnelheid en de meetlocatie niet in acht is genomen, overweegt het hof het volgende.
6. In de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen (2015A005) is bepaald:
“De snelheid van voertuigen moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden. Desalniettemin is staand beleid dat een minimumafstand in acht genomen wordt tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetplaats. Voor het bepalen van deze minimumafstand wordt geen rekening gehouden met de voor het gebod geldende maximumsnelheid. Het uitgangspunt is immers dat de snelheid bij het passeren van het gebod moet zijn aangepast en derhalve wordt bij het bepalen van de afstand tussen gebod en meetplaats uitgegaan van de uit het gebod volgende maximumsnelheid. (…)
Dezelfde afstanden moeten worden gebruikt tussen de meetplaats en de plaats waarop het gebod dat door middel van de snelheidsmeter wordt gehandhaafd eindigt als daarna een hogere maximumsnelheid gaat gelden. Hierbij moet worden uitgegaan van de ter plaatse geldende lagere maximumsnelheid. Bij kruisingen en in bijzondere omstandigheden kan hier van worden afgeweken.”
7. Nu in de onderhavige zaak geen sprake is van de inwerkingtreding van een lagere maximumsnelheid, berust de grond van de gemachtigde dat pas vanaf 280 meter na het bord A1 100 mocht worden gemeten, op een verkeerde lezing van de Aanwijzing. Deze grond faalt ook.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.