Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-25
ECLI:NL:GHARL:2023:4469
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,622 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.322.208
(zaaknummer rechtbank Gelderland 406938)
beschikking van 25 mei 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.D. Splinter te Houten,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (verder: de rechtbank), van 3 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Die beschikking wordt verder ook wel ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 januari 2023;
- het verweerschrift van de moeder met producties, en
- een journaalbericht van mr. Splinter van 6 april 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 april 2023 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de GI, en
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2015 te [woonplaats2] .
3.2
De vader en de moeder hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
3.3
[de minderjarige] woont bij de moeder.
3.4
[de minderjarige] verblijft een weekend in de veertien dagen bij de vader en de helft van de vakanties.
3.5
Bij beschikking van 12 april 2021 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 12 april 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd en loopt tot 12 april 2024.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 26 juli 2022, heeft de vader de rechtbank verzocht:
primair de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en dan als de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken een weekend en de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder verblijft;
subsidiair een onderzoek door de raad te gelasten naar de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank deze verzoeken van de vader afgewezen.
4.2
De vader is met één grief in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die betrekking heeft op de afwijzing van zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en, opnieuw beschikkende, alsnog de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen (eenmaal per twee weken een weekend of een andere zorgregeling die het hof juist acht).
4.3
De moeder voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.
Motivering
5.1
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank moet blijven gelden. Hierna zal het hof uitleggen waarom.
5.2
Net als de rechtbank en de raad is het hof van oordeel dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. De ondertoezichtstelling is onlangs met één jaar verlengd. In november 2022 heeft de moeder laten weten dat de betrokken jeugdbeschermer niet meer welkom was bij haar thuis. De huisbezoeken hebben toen drie maanden stilgelegen. Inmiddels komt de jeugdbeschermer weer wekelijks op huisbezoek bij de moeder en [de minderjarige] . De moeder heeft ingestemd met de inzet van hulpverlening door ‘ [naam1] ’. Die hulpverlening kan naar verwachting eind mei 2023 starten en is erop gericht meer zicht te krijgen op de opvoedsituaties van beide ouders en ook op de behoeften van [de minderjarige] . Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zou die hulpverlening doorkruisen. Daarnaast zou, -gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de beide ouders- een wijziging van de hoofdverblijfplaats ertoe leiden dat [de minderjarige] een heel nieuw sociaal leven moet opbouwen en naar een nieuwe school moet. Dat acht het hof niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] laat op dit moment geen duidelijke kindsignalen zien die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Beide ouders en de jeugdbeschermer hebben laten weten dat het goed gaat met [de minderjarige] . Volgens de jeugdbeschermer is [de minderjarige] meer ontspannen, doet ze het goed op school, vertelt ze meer over wat ze meemaakt en benoemt ze dat ze het bij beide ouders fijn heeft. Het hof benadrukt dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat de moeder blijft meewerken aan de hulpverlening en de ondertoezichtstelling.
5.3
Gezien het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en vaststelling van een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] afwijzen.
5.4
Voor zover de vader het hof heeft verzocht om een (nader) raadsonderzoek te gelasten, overweegt het hof dat het op grond van de stukken en de mondelinge behandeling in hoger beroep voldoende is voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Net als de raad vindt het hof een (nader) raadsonderzoek niet nodig.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 3 november 2022;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink als griffier, en is op 25 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.322.208
(zaaknummer rechtbank Gelderland 406938)
beschikking van 25 mei 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.D. Splinter te Houten,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (verder: de rechtbank), van 3 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Die beschikking wordt verder ook wel ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 januari 2023;
- het verweerschrift van de moeder met producties, en
- een journaalbericht van mr. Splinter van 6 april 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 april 2023 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de GI, en
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2015 te [woonplaats2] .
3.2
De vader en de moeder hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
3.3
[de minderjarige] woont bij de moeder.
3.4
[de minderjarige] verblijft een weekend in de veertien dagen bij de vader en de helft van de vakanties.
3.5
Bij beschikking van 12 april 2021 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 12 april 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd en loopt tot 12 april 2024.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 26 juli 2022, heeft de vader de rechtbank verzocht:
primair de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en dan als de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken een weekend en de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder verblijft;
subsidiair een onderzoek door de raad te gelasten naar de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank deze verzoeken van de vader afgewezen.
4.2
De vader is met één grief in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die betrekking heeft op de afwijzing van zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en, opnieuw beschikkende, alsnog de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen (eenmaal per twee weken een weekend of een andere zorgregeling die het hof juist acht).
4.3
De moeder voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.
Motivering
5.1
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank moet blijven gelden. Hierna zal het hof uitleggen waarom.
5.2
Net als de rechtbank en de raad is het hof van oordeel dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. De ondertoezichtstelling is onlangs met één jaar verlengd. In november 2022 heeft de moeder laten weten dat de betrokken jeugdbeschermer niet meer welkom was bij haar thuis. De huisbezoeken hebben toen drie maanden stilgelegen. Inmiddels komt de jeugdbeschermer weer wekelijks op huisbezoek bij de moeder en [de minderjarige] . De moeder heeft ingestemd met de inzet van hulpverlening door ‘ [naam1] ’. Die hulpverlening kan naar verwachting eind mei 2023 starten en is erop gericht meer zicht te krijgen op de opvoedsituaties van beide ouders en ook op de behoeften van [de minderjarige] . Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zou die hulpverlening doorkruisen. Daarnaast zou, -gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de beide ouders- een wijziging van de hoofdverblijfplaats ertoe leiden dat [de minderjarige] een heel nieuw sociaal leven moet opbouwen en naar een nieuwe school moet. Dat acht het hof niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] laat op dit moment geen duidelijke kindsignalen zien die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Beide ouders en de jeugdbeschermer hebben laten weten dat het goed gaat met [de minderjarige] . Volgens de jeugdbeschermer is [de minderjarige] meer ontspannen, doet ze het goed op school, vertelt ze meer over wat ze meemaakt en benoemt ze dat ze het bij beide ouders fijn heeft. Het hof benadrukt dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat de moeder blijft meewerken aan de hulpverlening en de ondertoezichtstelling.
5.3
Gezien het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en vaststelling van een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] afwijzen.
5.4
Voor zover de vader het hof heeft verzocht om een (nader) raadsonderzoek te gelasten, overweegt het hof dat het op grond van de stukken en de mondelinge behandeling in hoger beroep voldoende is voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Net als de raad vindt het hof een (nader) raadsonderzoek niet nodig.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 3 november 2022;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink als griffier, en is op 25 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.