Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-24
ECLI:NL:GHARL:2023:4430
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,770 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.316.702/01
CJIB-nummer
: 236663402
Uitspraak d.d.
: 24 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “Als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 september 2020 om 15:15 uur op de Rijksweg A16 in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de gedraging niet is begaan en wijst daartoe op het gedetailleerde en consistente betoog van de betrokkene, op basis waarvan voldoende grond bestond voor het opvragen van een aanvullend proces-verbaal. De betrokkene stelt dat hij door twee agenten langs de kant werd gezet en dat de ‘hoofdagent’ als reden daarvoor opgaf dat de betrokkene met twee handen op het stuur aan het appen was, waarop de betrokkene heeft aangegeven dat dit niet mogelijk was omdat hij geen mobiele telefoon bij zich had. Volgens de betrokkene ging de hoofdagent uitleg geven aan de andere agent, wat dus een startende agent was, en werden hem vervolgens allemaal vragen gesteld. De hoofdagent ging daarna de vrachtwagen in en pakte de werk scanner van de betrokkene. Op de vraag of hij deze scanner wel eens gebruikte, antwoordde de betrokkene: “ja, soms kijk ik er wel op ja, en meer dan erop kijken kan ik niet, hoezo mag dat niet?” De hoofdagent zei toen dat het tijdens het rijden bedienen van het apparaat niet mag en dat de betrokkene daarvoor een boete zou krijgen. De betrokkene vindt dit een zeer onterechte boete, zeker in deze crisistijd, die slechts gebaseerd is op vermoedens.
3. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een Casio met 2 handen vasthield. Ik zag namelijk dat betrokkene met 2 handen bezig was met een scanner t.b.v. transport. Bij de staandehouding zag ik dat het een Casio betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden.(…)Rangomschrijving ambtenaar 1: inspecteur(…)Rangomschrijving ambtenaar 2: brigadier(…)Verklaring betrokkene: ik keek naar wat ik moest doen”
4. Het hof ziet in wat namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de bestuurder al rijdend het apparaat heeft vastgehouden. Voor zover de ambtenaar eerst het vermoeden had dat de betrokkene een mobiele telefoon vasthad en aan het appen was, doet dat niet af aan de waarneming dat hij zag de bestuurder met twee handen tijdens het rijden een apparaat vasthield en dat hij bij de staandehouding de scanner van het merk Casio heeft herkend als dat apparaat. De enkele stelling dat de betrokkene deze scanner heeft bediend maar er slechts naar heeft gekeken komt neer op een enkele ontkenning van de gedraging en is onvoldoende om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. Door de betrokkene is geen foto overgelegd van de betreffende scanner, waaruit volgt dat deze geïntegreerd is in de vrachtwagen en om die reden niet kan worden vastgehouden. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
5. Dat sprake is geweest van een beginnend ambtenaar aan wie uitgelegd moest worden hoe aan iemand een bekeuring wordt opgelegd, acht het hof niet aannemelijk gelet op de in het zaakoverzicht vermelde rangomschrijvingen van de ambtenaren. Wat hier verder ook van zij, staat in deze procedure het gedrag van de ambtenaren niet ter beoordeling en dient de betrokkene zich met zijn klachten daaromtrent tot het betreffende politiekorps te wenden.
6. Het voorgaande betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.316.702/01
CJIB-nummer
: 236663402
Uitspraak d.d.
: 24 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “Als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 september 2020 om 15:15 uur op de Rijksweg A16 in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de gedraging niet is begaan en wijst daartoe op het gedetailleerde en consistente betoog van de betrokkene, op basis waarvan voldoende grond bestond voor het opvragen van een aanvullend proces-verbaal. De betrokkene stelt dat hij door twee agenten langs de kant werd gezet en dat de ‘hoofdagent’ als reden daarvoor opgaf dat de betrokkene met twee handen op het stuur aan het appen was, waarop de betrokkene heeft aangegeven dat dit niet mogelijk was omdat hij geen mobiele telefoon bij zich had. Volgens de betrokkene ging de hoofdagent uitleg geven aan de andere agent, wat dus een startende agent was, en werden hem vervolgens allemaal vragen gesteld. De hoofdagent ging daarna de vrachtwagen in en pakte de werk scanner van de betrokkene. Op de vraag of hij deze scanner wel eens gebruikte, antwoordde de betrokkene: “ja, soms kijk ik er wel op ja, en meer dan erop kijken kan ik niet, hoezo mag dat niet?” De hoofdagent zei toen dat het tijdens het rijden bedienen van het apparaat niet mag en dat de betrokkene daarvoor een boete zou krijgen. De betrokkene vindt dit een zeer onterechte boete, zeker in deze crisistijd, die slechts gebaseerd is op vermoedens.
3. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een Casio met 2 handen vasthield. Ik zag namelijk dat betrokkene met 2 handen bezig was met een scanner t.b.v. transport. Bij de staandehouding zag ik dat het een Casio betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden.(…)Rangomschrijving ambtenaar 1: inspecteur(…)Rangomschrijving ambtenaar 2: brigadier(…)Verklaring betrokkene: ik keek naar wat ik moest doen”
4. Het hof ziet in wat namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de bestuurder al rijdend het apparaat heeft vastgehouden. Voor zover de ambtenaar eerst het vermoeden had dat de betrokkene een mobiele telefoon vasthad en aan het appen was, doet dat niet af aan de waarneming dat hij zag de bestuurder met twee handen tijdens het rijden een apparaat vasthield en dat hij bij de staandehouding de scanner van het merk Casio heeft herkend als dat apparaat. De enkele stelling dat de betrokkene deze scanner heeft bediend maar er slechts naar heeft gekeken komt neer op een enkele ontkenning van de gedraging en is onvoldoende om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. Door de betrokkene is geen foto overgelegd van de betreffende scanner, waaruit volgt dat deze geïntegreerd is in de vrachtwagen en om die reden niet kan worden vastgehouden. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
5. Dat sprake is geweest van een beginnend ambtenaar aan wie uitgelegd moest worden hoe aan iemand een bekeuring wordt opgelegd, acht het hof niet aannemelijk gelet op de in het zaakoverzicht vermelde rangomschrijvingen van de ambtenaren. Wat hier verder ook van zij, staat in deze procedure het gedrag van de ambtenaren niet ter beoordeling en dient de betrokkene zich met zijn klachten daaromtrent tot het betreffende politiekorps te wenden.
6. Het voorgaande betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.