Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-24
ECLI:NL:GHARL:2023:4429
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,390 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.315.566/01
CJIB-nummer
: 232699074
Uitspraak d.d.
: 24 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 11 juli 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet zoveel mogelijk rechtshouden op een andere weg dan een autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 maart 2020 om 12:15 uur op ’t Merk in Blaricum met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Het namens de betrokkene ingestelde hoger beroep beperkt zich tot de grond dat in deze zaak ten onrechte op kenteken is bekeurd. De ambtenaar verwijst in zijn verklaring naar de COVID-19 richtlijnen, terwijl hij wel een gesprek heeft gehad met de bestuurder. De identiteit van de bestuurder was daarmee aanstonds vast te stellen.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:
“Bij staandehouding had bestuurster geen rijbewijs of legitimatiebewijs bij zich. Volgens haar zeggen had ze een gehandicapt kind aan boord en zeker geen boodschap aan dit verhaal. Ze kwam bij de huisarts vandaan en dit haar even te veel werd. Ivm Covid19 beleid geen verdere actie ondernomen en geverbaliseerd op kenteken, omdat dit mij verbalisant risico doet lopen.
Opmerkingen ambtenaar 1: wel staand ivm Covid 19 geen controle rijbewijs kunnen uitvoeren en derhalve niet ingevoerd omdat bestuurster niet bij zich had. Ivm doodziek kind besloten op kenteken te verbaliseren. (…).”
5. Niet is gesteld, noch is aannemelijk geworden, dat de kentekenhouder van het betreffende voertuig een andere persoon is dan de bestuurder van het voertuig ten tijde van de gedraging. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat de ambtenaar de bestuurder heeft staande gehouden en gepoogd heeft haar identiteit vast te stellen, maar dat dit laatste niet is gelukt omdat zij geen rijbewijs of identiteitsbewijs bij zich had. Hoewel de ambtenaar de bestuurder had kunnen ophouden voor verder onderzoek ter vaststelling van haar identiteit en (daarnaast) het eventueel opleggen van een sanctie wegens het niet op eerste vordering kunnen tonen van een geldig rijbewijs, heeft deze mede vanwege een volgens de bestuurder doodziek kind besloten op kenteken te verbaliseren en geen verder onderzoek te verrichten naar de identiteit van de bestuurder. Naar het oordeel van het hof heeft de ambtenaar in die omstandigheden redelijkerwijs kunnen besluiten de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder op te leggen. De grond treft geen doel.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een van proceskostenvergoeding is er daarom niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.315.566/01
CJIB-nummer
: 232699074
Uitspraak d.d.
: 24 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 11 juli 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet zoveel mogelijk rechtshouden op een andere weg dan een autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 maart 2020 om 12:15 uur op ’t Merk in Blaricum met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Het namens de betrokkene ingestelde hoger beroep beperkt zich tot de grond dat in deze zaak ten onrechte op kenteken is bekeurd. De ambtenaar verwijst in zijn verklaring naar de COVID-19 richtlijnen, terwijl hij wel een gesprek heeft gehad met de bestuurder. De identiteit van de bestuurder was daarmee aanstonds vast te stellen.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:
“Bij staandehouding had bestuurster geen rijbewijs of legitimatiebewijs bij zich. Volgens haar zeggen had ze een gehandicapt kind aan boord en zeker geen boodschap aan dit verhaal. Ze kwam bij de huisarts vandaan en dit haar even te veel werd. Ivm Covid19 beleid geen verdere actie ondernomen en geverbaliseerd op kenteken, omdat dit mij verbalisant risico doet lopen.
Opmerkingen ambtenaar 1: wel staand ivm Covid 19 geen controle rijbewijs kunnen uitvoeren en derhalve niet ingevoerd omdat bestuurster niet bij zich had. Ivm doodziek kind besloten op kenteken te verbaliseren. (…).”
5. Niet is gesteld, noch is aannemelijk geworden, dat de kentekenhouder van het betreffende voertuig een andere persoon is dan de bestuurder van het voertuig ten tijde van de gedraging. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat de ambtenaar de bestuurder heeft staande gehouden en gepoogd heeft haar identiteit vast te stellen, maar dat dit laatste niet is gelukt omdat zij geen rijbewijs of identiteitsbewijs bij zich had. Hoewel de ambtenaar de bestuurder had kunnen ophouden voor verder onderzoek ter vaststelling van haar identiteit en (daarnaast) het eventueel opleggen van een sanctie wegens het niet op eerste vordering kunnen tonen van een geldig rijbewijs, heeft deze mede vanwege een volgens de bestuurder doodziek kind besloten op kenteken te verbaliseren en geen verder onderzoek te verrichten naar de identiteit van de bestuurder. Naar het oordeel van het hof heeft de ambtenaar in die omstandigheden redelijkerwijs kunnen besluiten de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder op te leggen. De grond treft geen doel.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een van proceskostenvergoeding is er daarom niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.