Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-23
ECLI:NL:GHARL:2023:4361
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
34,107 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.313.680 en 200.313.681
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 503738 en 508076)
beschikking van 23 mei 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. van Riet-Holst te Utrecht.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 april 2022, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 43 tot en met 50, ingekomen op 25 juli 2022;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties H.1 tot en
met H.10;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 51 tot en met 66;
- een journaalbericht van mr. van Herk van 31 januari 2023 met producties 67 tot en met 74;
- een journaalbericht van mr. van Riet-Holst van 31 januari 2023 met producties H.11 tot en
met H.22.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1
Partijen zijn [in] 1997 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.
3.2
De man heeft een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend, welk verzoek op 9 juni 2020 bij de rechtbank is ingekomen. De vrouw heeft verweer gevoerd en tegenverzoeken gedaan.
3.3
Bij de beschikking van 25 april 2022 (hierna ook: de bestreden beschikking) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.4
Naast de uitgesproken echtscheiding heeft de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van bruto € 3.960 per maand - aan de man moet betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud. Ook is de wijze van verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld en is voor recht verklaard dat de vrouw tegenover de man gehouden is om haar medewerking te verlenen aan verevening van pensioenaanspraken. Deze beslissingen, uitgezonderd de uitgesproken echtscheiding, zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder is bepaald dat partijen hun eigen proceskosten betalen en zijn de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen.
3.5
Bij beschikking voorlopige voorziening van 21 juli 2022 is voor de duur van de echtscheidingsprocedure beslist dat de vrouw vanaf 18 mei 2022 een bedrag van € 3.960 bruto per maand moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.
3.6
De echtscheidingsbeschikking is op 11 augustus 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil de bijdrage van de vrouw in het levensonderhoud van de man (partneralimentatie) en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
4.2
De man is met twaalf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Kort samengevat verzoekt hij het hof om - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover hij daartegen grieven heeft gericht en opnieuw beschikkende, zo nodig met wijziging en/of aanvulling van gronden en met vermeerdering/wijziging van verzoek:
te bepalen dat de vrouw hem met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand maandelijks € 8.659 bruto per maand dient te betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht, maar hoger dan € 3.960 bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
de afrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen vast te stellen zoals hij die voorstaat en verwoord is onder de punten II tot en met XIII (waaronder waardering van de onderneming, niet betrekken van een schuld van de vrouw aan haar vader in de verdeling, vergoeding kosten van verpleging en verzorging, vergoeding van woonlasten) van zijn verzoekschrift, in zijn verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft hij zijn verzoeken verminderd met die onder XII (verstrekken van pensioenoverzicht);
een en ander met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige voor zover die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Kosten rechtens.
4.3
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de man in de door hem opgeworpen grieven en verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de man die verzoeken te ontzeggen.
4.4
Op haar beurt is de vrouw met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen, waarbij haar vierde grief is onderverdeeld in een viertal subgrieven en zij doet een bewijsaanbod. Kort samengevat verzoekt zij het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de partneralimentatie en deels ten aanzien van de verrekening en uitvoerbaar bij voorraad:
het alimentatieverzoek van de man alsnog af te wijzen, althans hem daarin niet ontvankelijk te verklaren, dan wel die bijdrage vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht;
de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen zoals zij die voorstaat en is verwoord onder II tot en met VI (verrekening bankrekening, correctie belastingschuld, waardering ondernemingen man, benoeming deskundige) van haar verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige, meer speciaal van het door de rechtbank sub 4.6 bepaalde.
4.5
De man verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
Motivering
de partneralimentatie
5.1
De man heeft om een bijdrage van de vrouw in de kosten van zijn levensonderhoud verzocht. De rechtbank heeft in dat kader de behoefte van de man vastgesteld op € 4.653 netto per maand, gebaseerd op een door de man overgelegde behoeftelijst. In hoger beroep stelt de man dat zijn behoefte dient te worden vastgesteld op € 5.900 netto per maand en hij legt ter onderbouwing daarvan een nieuwe behoeftelijst over. De vrouw betwist die behoefte. Zij stelt dat de man zijn behoefte niet heeft onderbouwd en dat de behoefte van de man ongeveer € 2.000 netto per maand is.
5.2
Het hof overweegt als volgt. De man heeft in zijn uitgebreide behoeftelijst zoals die bij de rechtbank is overgelegd één kolom gemaakt met begrote kosten en één kolom met door hem gerealiseerde kosten. De begrote kosten resulteren in de hiervoor vermelde behoefte van € 4.653 per maand. De gerealiseerde kosten komen gemiddeld op € 4.273 per maand. De door de man begrote kosten komen dus redelijk overeen met zijn werkelijke kosten in de betreffende periode van 1 juni tot en met 31 mei 2021. In zijn in hoger beroep overgelegde behoeftelijst is niet aangegeven op welke periode die ziet. Die lijst bevat enkel begrote bedragen die op een aantal kostenposten hoger zijn dan in zijn aanvankelijk bij de rechtbank overgelegde lijst. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien waarom het hof van deze hogere bedragen zou moeten uitgaan. Zeker nu de in zijn eerste lijst opgenomen daadwerkelijke kosten lager liggen dan die door hem zijn begroot. Grief 1 van de man faalt. Ook grief 1 van de vrouw faalt, nu de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom de behoefte van de man lager zou liggen dan die zoals blijkt uit de door hem in eerste aanleg overgelegde behoeftelijst en de daarin ook opgenomen gerealiseerde bedragen. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank in stand laten en de behoefte hanteren die door de rechtbank is bepaald.
5.3
Ten aanzien van de behoeftigheid van de man heeft de rechtbank hem een verdiencapaciteit van € 40.000 bruto per jaar toegerekend. Gelet daarop en op de door de rechtbank berekende behoefte zou de man per maand dan nog € 3.960 (bruto) van de vrouw moeten ontvangen om geheel in zijn behoefte te kunnen voorzien.
5.4
In hoger beroep stelt de man dat de hem door de rechtbank toegerekende verdiencapaciteit veel te hoog is en hij voert ter onderbouwing daarvan het volgende aan. In zijn garagebedrijf ‘ [naam7] ’ had de man nimmer een winst uit onderneming die hoger was dan € 18.000 per jaar. Deze onderneming is door de man verkocht. De afspraak met de koper van de onderneming is dat de man nog vijf jaar beschikbaar is voor het garagebedrijf om te helpen met het oplossen van problemen of als er iets is met een auto. Ter zitting verklaarde de man dat hij in dat kader gemiddeld zo’n 20 uur per week op het garagebedrijf aanwezig is. Hij ontvangt voor die werkzaamheden geen vergoeding. De webshop ‘ [naam1] ’ (tevens handelend onder de naam ‘ [naam2] ’) was geen onderdeel van de verkoop. Deze webshop, die zich richt op de verkoop van auto-onderdelen, wordt nog door de man geëxploiteerd. De man heeft inmiddels een opleiding gevolgd tot TTI-consultant en is als zodanig ook gecertificeerd. Als zzp’er werkt hij nu als interim directeur bij [naam3] B.V. Met de zzp werkzaamheden verdient hij jaarlijks ongeveer € 18.000.
5.5
De vrouw betwist dat de man behoeftig is, althans zij stelt dat de man zijn behoeftigheid niet heeft aangetoond. De door de rechtbank aan de man toegerekende verdiencapaciteit is volgens haar eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Kennelijk verricht de man slechts de helft van de week betaalde arbeid. De andere helft van de week is hij immers aanwezig op het garagebedrijf en hij ontvangt daarvoor geen vergoeding. In het geval de man de gehele week betaalde arbeid zou verrichten, zou hem dat - gelet op het inkomen dat de man stelt als zzp’er te verdienen - zo’n € 36.000 per jaar moeten kunnen opleveren. Als daarbij ook nog rekening wordt gehouden met inkomsten uit zijn webshop zou de man het door de rechtbank genoemde bedrag van € 40.000 per jaar moeten kunnen verdienen. Het hof kan zich dan ook goed vinden in deze door de rechtbank aan de man toegerekende verdiencapaciteit. Dit houdt overigens niet in dat de man verplicht is om dit inkomen daadwerkelijk te vergaren. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hij dit zou moeten kúnnen verdienen. Als de man andere keuzes maakt waardoor hij minder verdient, is die keuze geheel aan hem en komt dat dan ook geheel voor zijn rekening. Voor de berekening echter van zijn behoeftigheid gaat het hof wel uit van het inkomen dat de man redelijkerwijs zou moeten kunnen verdienen. Grief 2 van de man faalt en ook grief 2 van de vrouw faalt, nu gelet op voormelde behoefte en zijn door het hof gehanteerde verdiencapaciteit duidelijk is dat de man niet geheel in zijn behoefte kan voorzien. Nu deze beide grieven falen, zal ook op het punt van de behoeftigheid het oordeel van de rechtbank in stand blijven.
5.7
Vervolgens zal moeten worden bezien in hoeverre de vrouw in staat is om een bijdrage aan de man te voldoen. Er zal daarom moeten worden vastgesteld wat de draagkracht van de vrouw is. De rechtbank is voor de berekening van de deze draagkracht uitgegaan van het inkomen van € 30.259 per jaar, de rente die zij ontvangt op schenkingen van haar vader van € 53.781 per jaar en een gemiddeld bedrag aan dividenden op de aandelen die de vrouw houdt in [naam4] B.V. van € 78.873 per jaar. Rekening houdend met het draagkrachtloos inkomen van de vrouw heeft de rechtbank de draagkracht van de vrouw berekend op bruto € 6.244 per maand (€ 4.432 netto per maand). In hoger beroep stelt de vrouw dat geen rekening dient te worden gehouden met het door de rechtbank genomen bedrag aan dividenden. De man is het niet eens met een aantal kostenposten van de vrouw waar de rechtbank in zijn berekening rekening mee heeft gehouden.
5.8
Het hof overweegt als volgt. De vrouw betwist niet dat haar inkomen in 2020 bestond uit inkomsten van € 30.259 en rentes van € 53.781. Ook de man betwist dit niet. Het hof gaat ten aanzien van het inkomen van de vrouw daarom in ieder geval uit van deze inkomsten, zij het dat de vrouw in hoger beroep een jaaropgave 2021 heeft overgelegd waaruit blijkt van een inkomen van € 30.726. Gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting (11 augustus 2022, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) zal het hof van deze laatste jaaropgave uitgaan. Ten aanzien van de dividenden wijst de vrouw op een tweetal door haar overgelegde notities van [naam5] verbonden aan [naam6] accountants/adviseurs te [plaats1] . Dit betreft een notitie van 2 september 2022 en een van 30 januari 2023 met beide als onderwerp ‘Hoogte dividend uitkering’. De conclusie in beide notities is dat bij de bepaling van de hoogte van de partneralimentatie ten onrechte is uitgegaan van een gemiddeld jaarlijks bruto dividend van € 78.873. Verder wordt daarin betoogd en berekend dat van het resultaat in het boekjaar 2021 aan de vrouw € 35.265 toekomt en € 32.993 over het boekjaar 2022. Het hof is van oordeel dat met inkomsten uit dividenden rekening moet worden gehouden, nu de vrouw die daadwerkelijk ontvangt. Het hof kan zich in dit kader vinden in de berekeningen in de stukken van [naam5] zoals die door de vrouw zijn overgelegd. Het hof zal daarom ten aanzien van het dividend, wat jaarlijks kan verschillen, rekenen met het gemiddelde van de hiervoor gemelde resultaatbedragen. Aldus zal het hof met dividenden van € 34.129 (het gemiddelde ven beide bedragen) rekening houden. Grief 3 van de vrouw slaagt in zoverre.
5.9
De man betwist een tweetal posten uit de door de rechtbank opgestelde en aan de beschikking gehechte draagkrachtberekening.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
7.1
laat de vrouw toe tot het onder 5.19 vermelde bewijs en bepaalt dat indien de vrouw dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.U.M. van der Werff, die daartoe op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem;
7.2
stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen ten behoeve van de waardering van [naam2] , zoals vermeld in rechtsoverweging 5.24;
7.3
bepaalt dat partijen het hof uiterlijk 13 juni 2023 schriftelijk dienen te hebben voorzien van de informatie als bedoeld in overwegingen 7.1 en 7.2;
7.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, voorzitter, M.L. van der Bel en P.L.R. Wefers Bettink, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 23 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.313.680 en 200.313.681
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 503738 en 508076)
beschikking van 23 mei 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. van Riet-Holst te Utrecht.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 april 2022, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 43 tot en met 50, ingekomen op 25 juli 2022;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties H.1 tot en
met H.10;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 51 tot en met 66;
- een journaalbericht van mr. van Herk van 31 januari 2023 met producties 67 tot en met 74;
- een journaalbericht van mr. van Riet-Holst van 31 januari 2023 met producties H.11 tot en
met H.22.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1
Partijen zijn [in] 1997 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.
3.2
De man heeft een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend, welk verzoek op 9 juni 2020 bij de rechtbank is ingekomen. De vrouw heeft verweer gevoerd en tegenverzoeken gedaan.
3.3
Bij de beschikking van 25 april 2022 (hierna ook: de bestreden beschikking) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.4
Naast de uitgesproken echtscheiding heeft de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van bruto € 3.960 per maand - aan de man moet betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud. Ook is de wijze van verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld en is voor recht verklaard dat de vrouw tegenover de man gehouden is om haar medewerking te verlenen aan verevening van pensioenaanspraken. Deze beslissingen, uitgezonderd de uitgesproken echtscheiding, zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder is bepaald dat partijen hun eigen proceskosten betalen en zijn de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen.
3.5
Bij beschikking voorlopige voorziening van 21 juli 2022 is voor de duur van de echtscheidingsprocedure beslist dat de vrouw vanaf 18 mei 2022 een bedrag van € 3.960 bruto per maand moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.
3.6
De echtscheidingsbeschikking is op 11 augustus 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil de bijdrage van de vrouw in het levensonderhoud van de man (partneralimentatie) en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
4.2
De man is met twaalf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Kort samengevat verzoekt hij het hof om - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover hij daartegen grieven heeft gericht en opnieuw beschikkende, zo nodig met wijziging en/of aanvulling van gronden en met vermeerdering/wijziging van verzoek:
te bepalen dat de vrouw hem met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand maandelijks € 8.659 bruto per maand dient te betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht, maar hoger dan € 3.960 bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
de afrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen vast te stellen zoals hij die voorstaat en verwoord is onder de punten II tot en met XIII (waaronder waardering van de onderneming, niet betrekken van een schuld van de vrouw aan haar vader in de verdeling, vergoeding kosten van verpleging en verzorging, vergoeding van woonlasten) van zijn verzoekschrift, in zijn verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft hij zijn verzoeken verminderd met die onder XII (verstrekken van pensioenoverzicht);
een en ander met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige voor zover die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Kosten rechtens.
4.3
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de man in de door hem opgeworpen grieven en verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de man die verzoeken te ontzeggen.
4.4
Op haar beurt is de vrouw met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen, waarbij haar vierde grief is onderverdeeld in een viertal subgrieven en zij doet een bewijsaanbod. Kort samengevat verzoekt zij het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de partneralimentatie en deels ten aanzien van de verrekening en uitvoerbaar bij voorraad:
het alimentatieverzoek van de man alsnog af te wijzen, althans hem daarin niet ontvankelijk te verklaren, dan wel die bijdrage vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht;
de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen zoals zij die voorstaat en is verwoord onder II tot en met VI (verrekening bankrekening, correctie belastingschuld, waardering ondernemingen man, benoeming deskundige) van haar verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige, meer speciaal van het door de rechtbank sub 4.6 bepaalde.
4.5
De man verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
Motivering
de partneralimentatie
5.1
De man heeft om een bijdrage van de vrouw in de kosten van zijn levensonderhoud verzocht. De rechtbank heeft in dat kader de behoefte van de man vastgesteld op € 4.653 netto per maand, gebaseerd op een door de man overgelegde behoeftelijst. In hoger beroep stelt de man dat zijn behoefte dient te worden vastgesteld op € 5.900 netto per maand en hij legt ter onderbouwing daarvan een nieuwe behoeftelijst over. De vrouw betwist die behoefte. Zij stelt dat de man zijn behoefte niet heeft onderbouwd en dat de behoefte van de man ongeveer € 2.000 netto per maand is.
5.2
Het hof overweegt als volgt. De man heeft in zijn uitgebreide behoeftelijst zoals die bij de rechtbank is overgelegd één kolom gemaakt met begrote kosten en één kolom met door hem gerealiseerde kosten. De begrote kosten resulteren in de hiervoor vermelde behoefte van € 4.653 per maand. De gerealiseerde kosten komen gemiddeld op € 4.273 per maand. De door de man begrote kosten komen dus redelijk overeen met zijn werkelijke kosten in de betreffende periode van 1 juni tot en met 31 mei 2021. In zijn in hoger beroep overgelegde behoeftelijst is niet aangegeven op welke periode die ziet. Die lijst bevat enkel begrote bedragen die op een aantal kostenposten hoger zijn dan in zijn aanvankelijk bij de rechtbank overgelegde lijst. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien waarom het hof van deze hogere bedragen zou moeten uitgaan. Zeker nu de in zijn eerste lijst opgenomen daadwerkelijke kosten lager liggen dan die door hem zijn begroot. Grief 1 van de man faalt. Ook grief 1 van de vrouw faalt, nu de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom de behoefte van de man lager zou liggen dan die zoals blijkt uit de door hem in eerste aanleg overgelegde behoeftelijst en de daarin ook opgenomen gerealiseerde bedragen. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank in stand laten en de behoefte hanteren die door de rechtbank is bepaald.
5.3
Ten aanzien van de behoeftigheid van de man heeft de rechtbank hem een verdiencapaciteit van € 40.000 bruto per jaar toegerekend. Gelet daarop en op de door de rechtbank berekende behoefte zou de man per maand dan nog € 3.960 (bruto) van de vrouw moeten ontvangen om geheel in zijn behoefte te kunnen voorzien.
5.4
In hoger beroep stelt de man dat de hem door de rechtbank toegerekende verdiencapaciteit veel te hoog is en hij voert ter onderbouwing daarvan het volgende aan. In zijn garagebedrijf ‘ [naam7] ’ had de man nimmer een winst uit onderneming die hoger was dan € 18.000 per jaar. Deze onderneming is door de man verkocht. De afspraak met de koper van de onderneming is dat de man nog vijf jaar beschikbaar is voor het garagebedrijf om te helpen met het oplossen van problemen of als er iets is met een auto. Ter zitting verklaarde de man dat hij in dat kader gemiddeld zo’n 20 uur per week op het garagebedrijf aanwezig is. Hij ontvangt voor die werkzaamheden geen vergoeding. De webshop ‘ [naam1] ’ (tevens handelend onder de naam ‘ [naam2] ’) was geen onderdeel van de verkoop. Deze webshop, die zich richt op de verkoop van auto-onderdelen, wordt nog door de man geëxploiteerd. De man heeft inmiddels een opleiding gevolgd tot TTI-consultant en is als zodanig ook gecertificeerd. Als zzp’er werkt hij nu als interim directeur bij [naam3] B.V. Met de zzp werkzaamheden verdient hij jaarlijks ongeveer € 18.000.
5.5
De vrouw betwist dat de man behoeftig is, althans zij stelt dat de man zijn behoeftigheid niet heeft aangetoond. De door de rechtbank aan de man toegerekende verdiencapaciteit is volgens haar eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Kennelijk verricht de man slechts de helft van de week betaalde arbeid. De andere helft van de week is hij immers aanwezig op het garagebedrijf en hij ontvangt daarvoor geen vergoeding. In het geval de man de gehele week betaalde arbeid zou verrichten, zou hem dat - gelet op het inkomen dat de man stelt als zzp’er te verdienen - zo’n € 36.000 per jaar moeten kunnen opleveren. Als daarbij ook nog rekening wordt gehouden met inkomsten uit zijn webshop zou de man het door de rechtbank genoemde bedrag van € 40.000 per jaar moeten kunnen verdienen. Het hof kan zich dan ook goed vinden in deze door de rechtbank aan de man toegerekende verdiencapaciteit. Dit houdt overigens niet in dat de man verplicht is om dit inkomen daadwerkelijk te vergaren. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hij dit zou moeten kúnnen verdienen. Als de man andere keuzes maakt waardoor hij minder verdient, is die keuze geheel aan hem en komt dat dan ook geheel voor zijn rekening. Voor de berekening echter van zijn behoeftigheid gaat het hof wel uit van het inkomen dat de man redelijkerwijs zou moeten kunnen verdienen. Grief 2 van de man faalt en ook grief 2 van de vrouw faalt, nu gelet op voormelde behoefte en zijn door het hof gehanteerde verdiencapaciteit duidelijk is dat de man niet geheel in zijn behoefte kan voorzien. Nu deze beide grieven falen, zal ook op het punt van de behoeftigheid het oordeel van de rechtbank in stand blijven.
5.7
Vervolgens zal moeten worden bezien in hoeverre de vrouw in staat is om een bijdrage aan de man te voldoen. Er zal daarom moeten worden vastgesteld wat de draagkracht van de vrouw is. De rechtbank is voor de berekening van de deze draagkracht uitgegaan van het inkomen van € 30.259 per jaar, de rente die zij ontvangt op schenkingen van haar vader van € 53.781 per jaar en een gemiddeld bedrag aan dividenden op de aandelen die de vrouw houdt in [naam4] B.V. van € 78.873 per jaar. Rekening houdend met het draagkrachtloos inkomen van de vrouw heeft de rechtbank de draagkracht van de vrouw berekend op bruto € 6.244 per maand (€ 4.432 netto per maand). In hoger beroep stelt de vrouw dat geen rekening dient te worden gehouden met het door de rechtbank genomen bedrag aan dividenden. De man is het niet eens met een aantal kostenposten van de vrouw waar de rechtbank in zijn berekening rekening mee heeft gehouden.
5.8
Het hof overweegt als volgt. De vrouw betwist niet dat haar inkomen in 2020 bestond uit inkomsten van € 30.259 en rentes van € 53.781. Ook de man betwist dit niet. Het hof gaat ten aanzien van het inkomen van de vrouw daarom in ieder geval uit van deze inkomsten, zij het dat de vrouw in hoger beroep een jaaropgave 2021 heeft overgelegd waaruit blijkt van een inkomen van € 30.726. Gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting (11 augustus 2022, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) zal het hof van deze laatste jaaropgave uitgaan. Ten aanzien van de dividenden wijst de vrouw op een tweetal door haar overgelegde notities van [naam5] verbonden aan [naam6] accountants/adviseurs te [plaats1] . Dit betreft een notitie van 2 september 2022 en een van 30 januari 2023 met beide als onderwerp ‘Hoogte dividend uitkering’. De conclusie in beide notities is dat bij de bepaling van de hoogte van de partneralimentatie ten onrechte is uitgegaan van een gemiddeld jaarlijks bruto dividend van € 78.873. Verder wordt daarin betoogd en berekend dat van het resultaat in het boekjaar 2021 aan de vrouw € 35.265 toekomt en € 32.993 over het boekjaar 2022. Het hof is van oordeel dat met inkomsten uit dividenden rekening moet worden gehouden, nu de vrouw die daadwerkelijk ontvangt. Het hof kan zich in dit kader vinden in de berekeningen in de stukken van [naam5] zoals die door de vrouw zijn overgelegd. Het hof zal daarom ten aanzien van het dividend, wat jaarlijks kan verschillen, rekenen met het gemiddelde van de hiervoor gemelde resultaatbedragen. Aldus zal het hof met dividenden van € 34.129 (het gemiddelde ven beide bedragen) rekening houden. Grief 3 van de vrouw slaagt in zoverre.
5.9
De man betwist een tweetal posten uit de door de rechtbank opgestelde en aan de beschikking gehechte draagkrachtberekening.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
7.1
laat de vrouw toe tot het onder 5.19 vermelde bewijs en bepaalt dat indien de vrouw dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.U.M. van der Werff, die daartoe op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem;
7.2
stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen ten behoeve van de waardering van [naam2] , zoals vermeld in rechtsoverweging 5.24;
7.3
bepaalt dat partijen het hof uiterlijk 13 juni 2023 schriftelijk dienen te hebben voorzien van de informatie als bedoeld in overwegingen 7.1 en 7.2;
7.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, voorzitter, M.L. van der Bel en P.L.R. Wefers Bettink, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 23 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.313.680 en 200.313.681
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 503738 en 508076)
beschikking van 23 mei 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. van Riet-Holst te Utrecht.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 april 2022, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 43 tot en met 50, ingekomen op 25 juli 2022;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties H.1 tot en
met H.10;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 51 tot en met 66;
- een journaalbericht van mr. van Herk van 31 januari 2023 met producties 67 tot en met 74;
- een journaalbericht van mr. van Riet-Holst van 31 januari 2023 met producties H.11 tot en
met H.22.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1
Partijen zijn [in] 1997 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.
3.2
De man heeft een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend, welk verzoek op 9 juni 2020 bij de rechtbank is ingekomen. De vrouw heeft verweer gevoerd en tegenverzoeken gedaan.
3.3
Bij de beschikking van 25 april 2022 (hierna ook: de bestreden beschikking) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.4
Naast de uitgesproken echtscheiding heeft de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van bruto € 3.960 per maand - aan de man moet betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud. Ook is de wijze van verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld en is voor recht verklaard dat de vrouw tegenover de man gehouden is om haar medewerking te verlenen aan verevening van pensioenaanspraken. Deze beslissingen, uitgezonderd de uitgesproken echtscheiding, zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder is bepaald dat partijen hun eigen proceskosten betalen en zijn de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen.
3.5
Bij beschikking voorlopige voorziening van 21 juli 2022 is voor de duur van de echtscheidingsprocedure beslist dat de vrouw vanaf 18 mei 2022 een bedrag van € 3.960 bruto per maand moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.
3.6
De echtscheidingsbeschikking is op 11 augustus 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil de bijdrage van de vrouw in het levensonderhoud van de man (partneralimentatie) en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
4.2
De man is met twaalf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Kort samengevat verzoekt hij het hof om - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover hij daartegen grieven heeft gericht en opnieuw beschikkende, zo nodig met wijziging en/of aanvulling van gronden en met vermeerdering/wijziging van verzoek:
te bepalen dat de vrouw hem met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand maandelijks € 8.659 bruto per maand dient te betalen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht, maar hoger dan € 3.960 bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
de afrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen vast te stellen zoals hij die voorstaat en verwoord is onder de punten II tot en met XIII (waaronder waardering van de onderneming, niet betrekken van een schuld van de vrouw aan haar vader in de verdeling, vergoeding kosten van verpleging en verzorging, vergoeding van woonlasten) van zijn verzoekschrift, in zijn verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft hij zijn verzoeken verminderd met die onder XII (verstrekken van pensioenoverzicht);
een en ander met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige voor zover die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Kosten rechtens.
4.3
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de man in de door hem opgeworpen grieven en verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de man die verzoeken te ontzeggen.
4.4
Op haar beurt is de vrouw met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen, waarbij haar vierde grief is onderverdeeld in een viertal subgrieven en zij doet een bewijsaanbod. Kort samengevat verzoekt zij het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de partneralimentatie en deels ten aanzien van de verrekening en uitvoerbaar bij voorraad:
het alimentatieverzoek van de man alsnog af te wijzen, althans hem daarin niet ontvankelijk te verklaren, dan wel die bijdrage vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht;
de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen zoals zij die voorstaat en is verwoord onder II tot en met VI (verrekening bankrekening, correctie belastingschuld, waardering ondernemingen man, benoeming deskundige) van haar verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige, meer speciaal van het door de rechtbank sub 4.6 bepaalde.
4.5
De man verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
Motivering
de partneralimentatie
5.1
De man heeft om een bijdrage van de vrouw in de kosten van zijn levensonderhoud verzocht. De rechtbank heeft in dat kader de behoefte van de man vastgesteld op € 4.653 netto per maand, gebaseerd op een door de man overgelegde behoeftelijst. In hoger beroep stelt de man dat zijn behoefte dient te worden vastgesteld op € 5.900 netto per maand en hij legt ter onderbouwing daarvan een nieuwe behoeftelijst over. De vrouw betwist die behoefte. Zij stelt dat de man zijn behoefte niet heeft onderbouwd en dat de behoefte van de man ongeveer € 2.000 netto per maand is.
5.2
Het hof overweegt als volgt. De man heeft in zijn uitgebreide behoeftelijst zoals die bij de rechtbank is overgelegd één kolom gemaakt met begrote kosten en één kolom met door hem gerealiseerde kosten. De begrote kosten resulteren in de hiervoor vermelde behoefte van € 4.653 per maand. De gerealiseerde kosten komen gemiddeld op € 4.273 per maand. De door de man begrote kosten komen dus redelijk overeen met zijn werkelijke kosten in de betreffende periode van 1 juni tot en met 31 mei 2021. In zijn in hoger beroep overgelegde behoeftelijst is niet aangegeven op welke periode die ziet. Die lijst bevat enkel begrote bedragen die op een aantal kostenposten hoger zijn dan in zijn aanvankelijk bij de rechtbank overgelegde lijst. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien waarom het hof van deze hogere bedragen zou moeten uitgaan. Zeker nu de in zijn eerste lijst opgenomen daadwerkelijke kosten lager liggen dan die door hem zijn begroot. Grief 1 van de man faalt. Ook grief 1 van de vrouw faalt, nu de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom de behoefte van de man lager zou liggen dan die zoals blijkt uit de door hem in eerste aanleg overgelegde behoeftelijst en de daarin ook opgenomen gerealiseerde bedragen. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank in stand laten en de behoefte hanteren die door de rechtbank is bepaald.
5.3
Ten aanzien van de behoeftigheid van de man heeft de rechtbank hem een verdiencapaciteit van € 40.000 bruto per jaar toegerekend. Gelet daarop en op de door de rechtbank berekende behoefte zou de man per maand dan nog € 3.960 (bruto) van de vrouw moeten ontvangen om geheel in zijn behoefte te kunnen voorzien.
5.4
In hoger beroep stelt de man dat de hem door de rechtbank toegerekende verdiencapaciteit veel te hoog is en hij voert ter onderbouwing daarvan het volgende aan. In zijn garagebedrijf ‘ [naam7] ’ had de man nimmer een winst uit onderneming die hoger was dan € 18.000 per jaar. Deze onderneming is door de man verkocht. De afspraak met de koper van de onderneming is dat de man nog vijf jaar beschikbaar is voor het garagebedrijf om te helpen met het oplossen van problemen of als er iets is met een auto. Ter zitting verklaarde de man dat hij in dat kader gemiddeld zo’n 20 uur per week op het garagebedrijf aanwezig is. Hij ontvangt voor die werkzaamheden geen vergoeding. De webshop ‘ [naam1] ’ (tevens handelend onder de naam ‘ [naam2] ’) was geen onderdeel van de verkoop. Deze webshop, die zich richt op de verkoop van auto-onderdelen, wordt nog door de man geëxploiteerd. De man heeft inmiddels een opleiding gevolgd tot TTI-consultant en is als zodanig ook gecertificeerd. Als zzp’er werkt hij nu als interim directeur bij [naam3] B.V. Met de zzp werkzaamheden verdient hij jaarlijks ongeveer € 18.000.
5.5
De vrouw betwist dat de man behoeftig is, althans zij stelt dat de man zijn behoeftigheid niet heeft aangetoond. De door de rechtbank aan de man toegerekende verdiencapaciteit is volgens haar eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Kennelijk verricht de man slechts de helft van de week betaalde arbeid. De andere helft van de week is hij immers aanwezig op het garagebedrijf en hij ontvangt daarvoor geen vergoeding. In het geval de man de gehele week betaalde arbeid zou verrichten, zou hem dat - gelet op het inkomen dat de man stelt als zzp’er te verdienen - zo’n € 36.000 per jaar moeten kunnen opleveren. Als daarbij ook nog rekening wordt gehouden met inkomsten uit zijn webshop zou de man het door de rechtbank genoemde bedrag van € 40.000 per jaar moeten kunnen verdienen. Het hof kan zich dan ook goed vinden in deze door de rechtbank aan de man toegerekende verdiencapaciteit. Dit houdt overigens niet in dat de man verplicht is om dit inkomen daadwerkelijk te vergaren. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hij dit zou moeten kúnnen verdienen. Als de man andere keuzes maakt waardoor hij minder verdient, is die keuze geheel aan hem en komt dat dan ook geheel voor zijn rekening. Voor de berekening echter van zijn behoeftigheid gaat het hof wel uit van het inkomen dat de man redelijkerwijs zou moeten kunnen verdienen. Grief 2 van de man faalt en ook grief 2 van de vrouw faalt, nu gelet op voormelde behoefte en zijn door het hof gehanteerde verdiencapaciteit duidelijk is dat de man niet geheel in zijn behoefte kan voorzien. Nu deze beide grieven falen, zal ook op het punt van de behoeftigheid het oordeel van de rechtbank in stand blijven.
5.7
Vervolgens zal moeten worden bezien in hoeverre de vrouw in staat is om een bijdrage aan de man te voldoen. Er zal daarom moeten worden vastgesteld wat de draagkracht van de vrouw is. De rechtbank is voor de berekening van de deze draagkracht uitgegaan van het inkomen van € 30.259 per jaar, de rente die zij ontvangt op schenkingen van haar vader van € 53.781 per jaar en een gemiddeld bedrag aan dividenden op de aandelen die de vrouw houdt in [naam4] B.V. van € 78.873 per jaar. Rekening houdend met het draagkrachtloos inkomen van de vrouw heeft de rechtbank de draagkracht van de vrouw berekend op bruto € 6.244 per maand (€ 4.432 netto per maand). In hoger beroep stelt de vrouw dat geen rekening dient te worden gehouden met het door de rechtbank genomen bedrag aan dividenden. De man is het niet eens met een aantal kostenposten van de vrouw waar de rechtbank in zijn berekening rekening mee heeft gehouden.
5.8
Het hof overweegt als volgt. De vrouw betwist niet dat haar inkomen in 2020 bestond uit inkomsten van € 30.259 en rentes van € 53.781. Ook de man betwist dit niet. Het hof gaat ten aanzien van het inkomen van de vrouw daarom in ieder geval uit van deze inkomsten, zij het dat de vrouw in hoger beroep een jaaropgave 2021 heeft overgelegd waaruit blijkt van een inkomen van € 30.726. Gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting (11 augustus 2022, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) zal het hof van deze laatste jaaropgave uitgaan. Ten aanzien van de dividenden wijst de vrouw op een tweetal door haar overgelegde notities van [naam5] verbonden aan [naam6] accountants/adviseurs te [plaats1] . Dit betreft een notitie van 2 september 2022 en een van 30 januari 2023 met beide als onderwerp ‘Hoogte dividend uitkering’. De conclusie in beide notities is dat bij de bepaling van de hoogte van de partneralimentatie ten onrechte is uitgegaan van een gemiddeld jaarlijks bruto dividend van € 78.873. Verder wordt daarin betoogd en berekend dat van het resultaat in het boekjaar 2021 aan de vrouw € 35.265 toekomt en € 32.993 over het boekjaar 2022. Het hof is van oordeel dat met inkomsten uit dividenden rekening moet worden gehouden, nu de vrouw die daadwerkelijk ontvangt. Het hof kan zich in dit kader vinden in de berekeningen in de stukken van [naam5] zoals die door de vrouw zijn overgelegd. Het hof zal daarom ten aanzien van het dividend, wat jaarlijks kan verschillen, rekenen met het gemiddelde van de hiervoor gemelde resultaatbedragen. Aldus zal het hof met dividenden van € 34.129 (het gemiddelde ven beide bedragen) rekening houden. Grief 3 van de vrouw slaagt in zoverre.
5.9
De man betwist een tweetal posten uit de door de rechtbank opgestelde en aan de beschikking gehechte draagkrachtberekening.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
7.1
laat de vrouw toe tot het onder 5.19 vermelde bewijs en bepaalt dat indien de vrouw dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.U.M. van der Werff, die daartoe op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem;
7.2
stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen ten behoeve van de waardering van [naam2] , zoals vermeld in rechtsoverweging 5.24;
7.3
bepaalt dat partijen het hof uiterlijk 13 juni 2023 schriftelijk dienen te hebben voorzien van de informatie als bedoeld in overwegingen 7.1 en 7.2;
7.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, voorzitter, M.L. van der Bel en P.L.R. Wefers Bettink, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 23 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Ten eerste betwist hij post 83: de aldaar vermelde € 10.000 wegens rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning. Volgens de man betaalt de vrouw deze rente niet daadwerkelijk en bovendien is de hypotheekschuld volgens hem ‘verhuisd’ naar box 3, zodat geen recht op aftrek meer bestaat van de betaalde hypotheekrente. Ten aanzien van dit laatste heeft de advocaat van de man in de pleitnota in eerste aanleg verwezen naar productie 18 van de vrouw. Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank is dit onderwerp volgens het van die mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal ook aan de orde geweest en is door de advocaat van de vrouw verklaard dat de lening in box 3 valt. Ook heeft de vrouw op die mondelinge behandeling een bankafschrift op haar telefoon aan de rechtbank en aan de advocaat van de man laten zien en heeft de rechtbank geconstateerd dat de vrouw € 10.000 aan (hypotheek)rente per jaar betaalt. Voor het hof staat daarmee voldoende vast dat de vrouw daadwerkelijk € 10.000 betaalt en dat deze rente niet heeft te gelden als in box 1 aftrekbare hypotheekrente voor de eigen woning.
5.10
Ten tweede betwist de man post 134: de aldaar vermelde kosten van de drie kinderen van partijen ten bedrage van € 2.250 (ofwel € 750 per kind). Hij stelt dat de drie kinderen van partijen ( [kind1] , [kind2] en [kind3] ) allen meerderjarig zijn en er dus formeel geen onderhoudsverplichting meer is. De jongste zoon, [kind3] , is op 15 januari 2021 meerderjarig geworden. De man wil met kosten voor de kinderen rekening houden, maar dan enkel voor de twee jongste kinderen en met een bedrag van € 250 per kind per maand. De vrouw blijft erbij dat met € 750 per kind per maand rekening moet worden gehouden, nu de zonen alle drie studeren en deels nog thuis bij de vrouw wonen.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Alle drie de zonen van partijen studeren en wonen nog bij de vrouw. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat geen van de drie zonen studiefinanciering ontvangt en dat zij alle kosten van hen betaalt. Zij heeft echter niet onderbouwd waaruit de kosten van € 750 per kind per maand bestaan. Het hof zal in redelijkheid uitgaan van € 500 kosten per kind per maand, waarbij het hof rekening houdt met de betalingen van de collegegelden, kosten voor studieboeken en kosten van levensonderhoud. In zoverre slaagt grief 3 van de man.
5.12
Voor het overige zal het hof uitgaan van de posten en bedragen zoals opgenomen in de draagkrachtberekening die aan de bestreden beschikking van de rechtbank is gehecht.
5.13
Het hof berekent, op grond van het vorenstaande, de draagkrachtruimte van de vrouw op € 5.071 per maand. Daarvan is 60% ofwel € 3.043 beschikbaar voor partneralimentatie. Rekening houdend vervolgens met het belastingvoordeel kan de vrouw bruto € 4.221 per maand als partneralimentatie betalen. De bruto aanvullende behoefte van de man (behoeftigheid) is € 3.960 per maand. De draagkracht van de vrouw is dus hoger dan de aanvullende behoefte van de man, wat betekent dat de vrouw aan de man € 3.960 kan betalen als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud. De beslissing van de rechtbank blijft daarom ongewijzigd ten aanzien van de door de vrouw te betalen partneralimentatie. Voormelde berekening wordt aan deze beschikking gehecht.
afwikkeling huwelijkse voorwaarden
5.14
Partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Die voorwaarden hielden in dat tussen hen geen gemeenschap van goederen bestond. Wel hebben zij een zogenaamd periodiek verrekenbeding en een finaal verrekenbeding opgenomen. Het periodiek verrekenbeding is echter nooit uitgevoerd, zodat tussen partijen dient te worden afgerekend op grond van het finaal verrekenbeding. Dat laatste houdt in dat partijen afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Van die verrekening zijn echter uitgesloten hetgeen partijen ten huwelijk hebben aangebracht en hetgeen zij hebben verkregen krachtens erfstelling, legaat en schenking. De rechtbank heeft vastgesteld welke vermogensbestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren en welke waarde aan een groot deel daarvan dient te worden toegekend. Van een aantal vermogensbestanddelen echter stond de waarde nog niet vast, zodat de rechtbank geen exacte verrekenvordering kon vaststellen en daarom de wijze van verrekening heeft vastgesteld.
schuld wegens dividendbelasting
5.15
Tot het te verrekenen vermogen van de vrouw heeft de rechtbank gerekend een belastingschuld wegens dividendbelasting van € 192.672 als gevolg van een dividenduitkering van € 262.250 die zij in 2019 heeft ontvangen. De man betwist niet alleen deze belastingschuld als zodanig, maar ook de hoogte daarvan. Ten aanzien van dit laatste stelt hij dat de rechtbank de verschuldigde dividendbelasting onjuist heeft berekend. De vrouw erkent dat de rechtbank een rekenfout heeft gemaakt.
5.16
Het hof overweegt als volgt. De man betwist niet dat de vrouw in 2019 € 262.250 aan dividend uitgekeerd heeft gekregen. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vrouw dit bedrag heeft ontvangen. Daarover zal de vrouw nog belasting moeten betalen. Partijen zijn het erover eens dat de dividendbelasting in 2019 25% was. Door de man is gesteld dat de uitkerende vennootschap al een voorheffing van 15% over het beschikbaar gestelde dividend heeft moeten inhouden en afdragen ten laste van dat dividend. De vrouw heeft dat niet betwist. Dit houdt in dat hetgeen de vrouw heeft ontvangen 85% is van het bruto beschikbaar gestelde dividend. De vrouw is dan niet nog aanvullend 10% verschuldigd over € 262.250 zoals de man stelt, maar 10% over 100/85 x 262.250, ofwel € 30.735. Het hof zal met dit bedrag rekening houden als schuld in het te verrekenen vermogen van de vrouw.
In zoverre slaagt grief 4 van de man.
leenschuld aan de vader van de vrouw
5.17
In eerste aanleg heeft de vrouw aangevoerd dat zij naast de hypothecaire schulden aan haar vader in verband met de aankoop van de huidige woning [adres1] in [woonplaats2] (die zij heeft gekocht van haar vader) ook een schuld aan haar vader heeft van € 290.340 in verband met de aankoop van de vorige woning aan de [adres2] (die zij ook heeft gekocht van haar vader). Deze lening was oorspronkelijk € 250.000 maar er is nooit rente op betaald. Die rente is opgeteld bij de lening, zodat de openstaande schuld nu € 290.340 is. Volgens de vrouw is dit enkele jaren per abuis niet opgenomen in haar belastingaangiftes, maar is dat in de aangifte over 2018 gecorrigeerd. Voor de rechtbank was het bestaan van deze schuld voldoende aannemelijk en deze is daarom ook meegenomen in het te verrekenen vermogen van de vrouw.
5.18
In zijn vijfde grief betwist de man stellig dat er een zodanige lening is zoals de vrouw stelt. Die aangiftes werden altijd door professionals verzorgd. Het is volgens de man mede daarom niet geloofwaardig dat deze beweerdelijke lening kennelijk vijf jaar lang over het hoofd wordt gezien, vijf jaar lang niet in de aangiftes inkomstenbelasting wordt opgenomen en ineens, in 2020, weer in de aangifte verschijnt, in het jaar dat de man de woning verliet. De rechtbank is aan deze omstandigheden volgens de man wel heel gemakkelijk voorbij gegaan.
5.19
Het hof overweegt dat nu de man het bestaan van deze schuld stellig ontkent, de vrouw niet kan volstaan met enkel de onderhandse schuldbekentenis zoals die door haar als productie 13 in eerste aanleg is overgelegd. Het hof zal de vrouw - nu zij een bewijsaanbod heeft gedaan - de gelegenheid geven om te bewijzen dat voor de aankoop van de woning aan de [adres2] € 250.000 is geleend van haar vader en dat deze lening nog steeds bestaat en aan te tonen wat de hoogte van de schuld op de peildatum is.
Motivering
Ten eerste betwist hij post 83: de aldaar vermelde € 10.000 wegens rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning. Volgens de man betaalt de vrouw deze rente niet daadwerkelijk en bovendien is de hypotheekschuld volgens hem ‘verhuisd’ naar box 3, zodat geen recht op aftrek meer bestaat van de betaalde hypotheekrente. Ten aanzien van dit laatste heeft de advocaat van de man in de pleitnota in eerste aanleg verwezen naar productie 18 van de vrouw. Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank is dit onderwerp volgens het van die mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal ook aan de orde geweest en is door de advocaat van de vrouw verklaard dat de lening in box 3 valt. Ook heeft de vrouw op die mondelinge behandeling een bankafschrift op haar telefoon aan de rechtbank en aan de advocaat van de man laten zien en heeft de rechtbank geconstateerd dat de vrouw € 10.000 aan (hypotheek)rente per jaar betaalt. Voor het hof staat daarmee voldoende vast dat de vrouw daadwerkelijk € 10.000 betaalt en dat deze rente niet heeft te gelden als in box 1 aftrekbare hypotheekrente voor de eigen woning.
5.10
Ten tweede betwist de man post 134: de aldaar vermelde kosten van de drie kinderen van partijen ten bedrage van € 2.250 (ofwel € 750 per kind). Hij stelt dat de drie kinderen van partijen ( [kind1] , [kind2] en [kind3] ) allen meerderjarig zijn en er dus formeel geen onderhoudsverplichting meer is. De jongste zoon, [kind3] , is op 15 januari 2021 meerderjarig geworden. De man wil met kosten voor de kinderen rekening houden, maar dan enkel voor de twee jongste kinderen en met een bedrag van € 250 per kind per maand. De vrouw blijft erbij dat met € 750 per kind per maand rekening moet worden gehouden, nu de zonen alle drie studeren en deels nog thuis bij de vrouw wonen.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Alle drie de zonen van partijen studeren en wonen nog bij de vrouw. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat geen van de drie zonen studiefinanciering ontvangt en dat zij alle kosten van hen betaalt. Zij heeft echter niet onderbouwd waaruit de kosten van € 750 per kind per maand bestaan. Het hof zal in redelijkheid uitgaan van € 500 kosten per kind per maand, waarbij het hof rekening houdt met de betalingen van de collegegelden, kosten voor studieboeken en kosten van levensonderhoud. In zoverre slaagt grief 3 van de man.
5.12
Voor het overige zal het hof uitgaan van de posten en bedragen zoals opgenomen in de draagkrachtberekening die aan de bestreden beschikking van de rechtbank is gehecht.
5.13
Het hof berekent, op grond van het vorenstaande, de draagkrachtruimte van de vrouw op € 5.071 per maand. Daarvan is 60% ofwel € 3.043 beschikbaar voor partneralimentatie. Rekening houdend vervolgens met het belastingvoordeel kan de vrouw bruto € 4.221 per maand als partneralimentatie betalen. De bruto aanvullende behoefte van de man (behoeftigheid) is € 3.960 per maand. De draagkracht van de vrouw is dus hoger dan de aanvullende behoefte van de man, wat betekent dat de vrouw aan de man € 3.960 kan betalen als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud. De beslissing van de rechtbank blijft daarom ongewijzigd ten aanzien van de door de vrouw te betalen partneralimentatie. Voormelde berekening wordt aan deze beschikking gehecht.
afwikkeling huwelijkse voorwaarden
5.14
Partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Die voorwaarden hielden in dat tussen hen geen gemeenschap van goederen bestond. Wel hebben zij een zogenaamd periodiek verrekenbeding en een finaal verrekenbeding opgenomen. Het periodiek verrekenbeding is echter nooit uitgevoerd, zodat tussen partijen dient te worden afgerekend op grond van het finaal verrekenbeding. Dat laatste houdt in dat partijen afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Van die verrekening zijn echter uitgesloten hetgeen partijen ten huwelijk hebben aangebracht en hetgeen zij hebben verkregen krachtens erfstelling, legaat en schenking. De rechtbank heeft vastgesteld welke vermogensbestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren en welke waarde aan een groot deel daarvan dient te worden toegekend. Van een aantal vermogensbestanddelen echter stond de waarde nog niet vast, zodat de rechtbank geen exacte verrekenvordering kon vaststellen en daarom de wijze van verrekening heeft vastgesteld.
schuld wegens dividendbelasting
5.15
Tot het te verrekenen vermogen van de vrouw heeft de rechtbank gerekend een belastingschuld wegens dividendbelasting van € 192.672 als gevolg van een dividenduitkering van € 262.250 die zij in 2019 heeft ontvangen. De man betwist niet alleen deze belastingschuld als zodanig, maar ook de hoogte daarvan. Ten aanzien van dit laatste stelt hij dat de rechtbank de verschuldigde dividendbelasting onjuist heeft berekend. De vrouw erkent dat de rechtbank een rekenfout heeft gemaakt.
5.16
Het hof overweegt als volgt. De man betwist niet dat de vrouw in 2019 € 262.250 aan dividend uitgekeerd heeft gekregen. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vrouw dit bedrag heeft ontvangen. Daarover zal de vrouw nog belasting moeten betalen. Partijen zijn het erover eens dat de dividendbelasting in 2019 25% was. Door de man is gesteld dat de uitkerende vennootschap al een voorheffing van 15% over het beschikbaar gestelde dividend heeft moeten inhouden en afdragen ten laste van dat dividend. De vrouw heeft dat niet betwist. Dit houdt in dat hetgeen de vrouw heeft ontvangen 85% is van het bruto beschikbaar gestelde dividend. De vrouw is dan niet nog aanvullend 10% verschuldigd over € 262.250 zoals de man stelt, maar 10% over 100/85 x 262.250, ofwel € 30.735. Het hof zal met dit bedrag rekening houden als schuld in het te verrekenen vermogen van de vrouw.
In zoverre slaagt grief 4 van de man.
leenschuld aan de vader van de vrouw
5.17
In eerste aanleg heeft de vrouw aangevoerd dat zij naast de hypothecaire schulden aan haar vader in verband met de aankoop van de huidige woning [adres1] in [woonplaats2] (die zij heeft gekocht van haar vader) ook een schuld aan haar vader heeft van € 290.340 in verband met de aankoop van de vorige woning aan de [adres2] (die zij ook heeft gekocht van haar vader). Deze lening was oorspronkelijk € 250.000 maar er is nooit rente op betaald. Die rente is opgeteld bij de lening, zodat de openstaande schuld nu € 290.340 is. Volgens de vrouw is dit enkele jaren per abuis niet opgenomen in haar belastingaangiftes, maar is dat in de aangifte over 2018 gecorrigeerd. Voor de rechtbank was het bestaan van deze schuld voldoende aannemelijk en deze is daarom ook meegenomen in het te verrekenen vermogen van de vrouw.
5.18
In zijn vijfde grief betwist de man stellig dat er een zodanige lening is zoals de vrouw stelt. Die aangiftes werden altijd door professionals verzorgd. Het is volgens de man mede daarom niet geloofwaardig dat deze beweerdelijke lening kennelijk vijf jaar lang over het hoofd wordt gezien, vijf jaar lang niet in de aangiftes inkomstenbelasting wordt opgenomen en ineens, in 2020, weer in de aangifte verschijnt, in het jaar dat de man de woning verliet. De rechtbank is aan deze omstandigheden volgens de man wel heel gemakkelijk voorbij gegaan.
5.19
Het hof overweegt dat nu de man het bestaan van deze schuld stellig ontkent, de vrouw niet kan volstaan met enkel de onderhandse schuldbekentenis zoals die door haar als productie 13 in eerste aanleg is overgelegd. Het hof zal de vrouw - nu zij een bewijsaanbod heeft gedaan - de gelegenheid geven om te bewijzen dat voor de aankoop van de woning aan de [adres2] € 250.000 is geleend van haar vader en dat deze lening nog steeds bestaat en aan te tonen wat de hoogte van de schuld op de peildatum is.
Motivering
Ten eerste betwist hij post 83: de aldaar vermelde € 10.000 wegens rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning. Volgens de man betaalt de vrouw deze rente niet daadwerkelijk en bovendien is de hypotheekschuld volgens hem ‘verhuisd’ naar box 3, zodat geen recht op aftrek meer bestaat van de betaalde hypotheekrente. Ten aanzien van dit laatste heeft de advocaat van de man in de pleitnota in eerste aanleg verwezen naar productie 18 van de vrouw. Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank is dit onderwerp volgens het van die mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal ook aan de orde geweest en is door de advocaat van de vrouw verklaard dat de lening in box 3 valt. Ook heeft de vrouw op die mondelinge behandeling een bankafschrift op haar telefoon aan de rechtbank en aan de advocaat van de man laten zien en heeft de rechtbank geconstateerd dat de vrouw € 10.000 aan (hypotheek)rente per jaar betaalt. Voor het hof staat daarmee voldoende vast dat de vrouw daadwerkelijk € 10.000 betaalt en dat deze rente niet heeft te gelden als in box 1 aftrekbare hypotheekrente voor de eigen woning.
5.10
Ten tweede betwist de man post 134: de aldaar vermelde kosten van de drie kinderen van partijen ten bedrage van € 2.250 (ofwel € 750 per kind). Hij stelt dat de drie kinderen van partijen ( [kind1] , [kind2] en [kind3] ) allen meerderjarig zijn en er dus formeel geen onderhoudsverplichting meer is. De jongste zoon, [kind3] , is op 15 januari 2021 meerderjarig geworden. De man wil met kosten voor de kinderen rekening houden, maar dan enkel voor de twee jongste kinderen en met een bedrag van € 250 per kind per maand. De vrouw blijft erbij dat met € 750 per kind per maand rekening moet worden gehouden, nu de zonen alle drie studeren en deels nog thuis bij de vrouw wonen.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Alle drie de zonen van partijen studeren en wonen nog bij de vrouw. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat geen van de drie zonen studiefinanciering ontvangt en dat zij alle kosten van hen betaalt. Zij heeft echter niet onderbouwd waaruit de kosten van € 750 per kind per maand bestaan. Het hof zal in redelijkheid uitgaan van € 500 kosten per kind per maand, waarbij het hof rekening houdt met de betalingen van de collegegelden, kosten voor studieboeken en kosten van levensonderhoud. In zoverre slaagt grief 3 van de man.
5.12
Voor het overige zal het hof uitgaan van de posten en bedragen zoals opgenomen in de draagkrachtberekening die aan de bestreden beschikking van de rechtbank is gehecht.
5.13
Het hof berekent, op grond van het vorenstaande, de draagkrachtruimte van de vrouw op € 5.071 per maand. Daarvan is 60% ofwel € 3.043 beschikbaar voor partneralimentatie. Rekening houdend vervolgens met het belastingvoordeel kan de vrouw bruto € 4.221 per maand als partneralimentatie betalen. De bruto aanvullende behoefte van de man (behoeftigheid) is € 3.960 per maand. De draagkracht van de vrouw is dus hoger dan de aanvullende behoefte van de man, wat betekent dat de vrouw aan de man € 3.960 kan betalen als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud. De beslissing van de rechtbank blijft daarom ongewijzigd ten aanzien van de door de vrouw te betalen partneralimentatie. Voormelde berekening wordt aan deze beschikking gehecht.
afwikkeling huwelijkse voorwaarden
5.14
Partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Die voorwaarden hielden in dat tussen hen geen gemeenschap van goederen bestond. Wel hebben zij een zogenaamd periodiek verrekenbeding en een finaal verrekenbeding opgenomen. Het periodiek verrekenbeding is echter nooit uitgevoerd, zodat tussen partijen dient te worden afgerekend op grond van het finaal verrekenbeding. Dat laatste houdt in dat partijen afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Van die verrekening zijn echter uitgesloten hetgeen partijen ten huwelijk hebben aangebracht en hetgeen zij hebben verkregen krachtens erfstelling, legaat en schenking. De rechtbank heeft vastgesteld welke vermogensbestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren en welke waarde aan een groot deel daarvan dient te worden toegekend. Van een aantal vermogensbestanddelen echter stond de waarde nog niet vast, zodat de rechtbank geen exacte verrekenvordering kon vaststellen en daarom de wijze van verrekening heeft vastgesteld.
schuld wegens dividendbelasting
5.15
Tot het te verrekenen vermogen van de vrouw heeft de rechtbank gerekend een belastingschuld wegens dividendbelasting van € 192.672 als gevolg van een dividenduitkering van € 262.250 die zij in 2019 heeft ontvangen. De man betwist niet alleen deze belastingschuld als zodanig, maar ook de hoogte daarvan. Ten aanzien van dit laatste stelt hij dat de rechtbank de verschuldigde dividendbelasting onjuist heeft berekend. De vrouw erkent dat de rechtbank een rekenfout heeft gemaakt.
5.16
Het hof overweegt als volgt. De man betwist niet dat de vrouw in 2019 € 262.250 aan dividend uitgekeerd heeft gekregen. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vrouw dit bedrag heeft ontvangen. Daarover zal de vrouw nog belasting moeten betalen. Partijen zijn het erover eens dat de dividendbelasting in 2019 25% was. Door de man is gesteld dat de uitkerende vennootschap al een voorheffing van 15% over het beschikbaar gestelde dividend heeft moeten inhouden en afdragen ten laste van dat dividend. De vrouw heeft dat niet betwist. Dit houdt in dat hetgeen de vrouw heeft ontvangen 85% is van het bruto beschikbaar gestelde dividend. De vrouw is dan niet nog aanvullend 10% verschuldigd over € 262.250 zoals de man stelt, maar 10% over 100/85 x 262.250, ofwel € 30.735. Het hof zal met dit bedrag rekening houden als schuld in het te verrekenen vermogen van de vrouw.
In zoverre slaagt grief 4 van de man.
leenschuld aan de vader van de vrouw
5.17
In eerste aanleg heeft de vrouw aangevoerd dat zij naast de hypothecaire schulden aan haar vader in verband met de aankoop van de huidige woning [adres1] in [woonplaats2] (die zij heeft gekocht van haar vader) ook een schuld aan haar vader heeft van € 290.340 in verband met de aankoop van de vorige woning aan de [adres2] (die zij ook heeft gekocht van haar vader). Deze lening was oorspronkelijk € 250.000 maar er is nooit rente op betaald. Die rente is opgeteld bij de lening, zodat de openstaande schuld nu € 290.340 is. Volgens de vrouw is dit enkele jaren per abuis niet opgenomen in haar belastingaangiftes, maar is dat in de aangifte over 2018 gecorrigeerd. Voor de rechtbank was het bestaan van deze schuld voldoende aannemelijk en deze is daarom ook meegenomen in het te verrekenen vermogen van de vrouw.
5.18
In zijn vijfde grief betwist de man stellig dat er een zodanige lening is zoals de vrouw stelt. Die aangiftes werden altijd door professionals verzorgd. Het is volgens de man mede daarom niet geloofwaardig dat deze beweerdelijke lening kennelijk vijf jaar lang over het hoofd wordt gezien, vijf jaar lang niet in de aangiftes inkomstenbelasting wordt opgenomen en ineens, in 2020, weer in de aangifte verschijnt, in het jaar dat de man de woning verliet. De rechtbank is aan deze omstandigheden volgens de man wel heel gemakkelijk voorbij gegaan.
5.19
Het hof overweegt dat nu de man het bestaan van deze schuld stellig ontkent, de vrouw niet kan volstaan met enkel de onderhandse schuldbekentenis zoals die door haar als productie 13 in eerste aanleg is overgelegd. Het hof zal de vrouw - nu zij een bewijsaanbod heeft gedaan - de gelegenheid geven om te bewijzen dat voor de aankoop van de woning aan de [adres2] € 250.000 is geleend van haar vader en dat deze lening nog steeds bestaat en aan te tonen wat de hoogte van de schuld op de peildatum is.
Motivering
Het hof zal daarom een verdere beslissing op dit onderdeel aanhouden.
waardering [naam7]
5.20
De man had tijdens het huwelijk een garagebedrijf genaamd ‘ [naam7] ’. Die onderneming heeft de man verkocht en die verkoop is vlak na de peildatum geëffectueerd. De verkoopprijs was € 90.000, althans het hof begrijpt uit de stukken dat de man zijn eenmanszaak heeft ingebracht in de besloten vennootschap [naam8] B.V -van welke vennootschap de man enig bestuurder en enig aandeelhouder is - en dat de onderneming vervolgens is ‘doorgezakt’ naar de 100% dochteronderneming van deze vennootschap genaamd [naam7] B.V. De aandelen in deze laatste vennootschap zijn verkocht voor € 90.000 aan een derde. De rechtbank heeft dit bedrag tot het te verrekenen vermogen van de man gerekend.
5.21
In zijn zesde grief stelt de man dat de rechtbank daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een latente belastingclaim van 26,9% over het verschil tussen deze verkoopprijs en de verkrijgingsprijs van € 4.600, zijnde een claim van € 22.972. De rechtbank had volgens de man daarom rekening moeten houden met een netto verkoopprijs van de onderneming van € 67.028. De vrouw betwist dat en voert aan dat het erom gaat wat de eenmanszaak waard was op de peildatum en dat bij een eenmanszaak geen sprake is van een latente ab-claim. In haar eigen vierde grief ten aanzien van dit onderwerp stelt zij dat de verkoopprijs van € 90.000 juist nog met € 40.000 dient te worden verhoogd.
5.22
Het hof overweegt dat beide partijen de verkoopprijs van € 90.000 als uitgangspunt nemen voor de waardering van [naam7] . De man wil hierop corrigeren met een latente belastingclaim, terwijl de vrouw dit bedrag wil corrigeren met een schuld van € 40.000 aan een kredietinstelling. De vrouw verwijst ten aanzien daarvan naar productie 11 zoals zij die in eerste aanleg heeft overgelegd, maar vooral naar productie 20 uit de eerste aanleg. Dat is een reactie van [naam9] belastingadviseurs op de door de man bij de rechtbank ingediende stukken. Daarin staat: ‘N.B. Aangegeven wordt ook nog een schuld van een kredietinstelling van € 40.000. Als deze schuld als ondernemingsvermogen ook in de B.V. is ingebracht dan is de waarde van de onderneming in plaats van € 90.000 minimaal € 130.000.’
Het hof ziet niet in hoe een schuld van de onderneming de waarde van die onderneming kan verhogen. Door de man is een voor het hof aannemelijke verklaring gegeven voor die € 40.000, namelijk dat dit een schuld van de eenmanszaak was (TOZO lening) die buiten de verkoop moest worden gehouden en dat daarom de verkoop via een omzetting naar een besloten vennootschap is gegaan. De grief van de vrouw faalt als zijnde onvoldoende onderbouwd en als voldoende gemotiveerd weersproken.
Nu de man is gestopt met de onderneming door deze te verkopen, zal hij hierover moeten afrekenen met de fiscus. Daarbij maakt het geen verschil of dit een eenmanszaak is of een rechtspersoon. In beide gevallen volgt bij staking/verkoop een afrekening met de fiscus. Wel zal waarschijnlijk in de onderscheiden gevallen een andere belastingdruk gelden. De keuze echter om de eenmanszaak om te zetten in een rechtspersoon is een zakelijke beslissing geweest, namelijk om een schuld buiten de verkoop te houden, en niet een om de vrouw daarmee te benadelen. Het hof zal daarom rekening houden met een fiscale claim zoals door de man gesteld. De grief van de man slaagt.
waardering [naam2]
5.23
De waarde van internetonderneming/website van de man genaamd [naam2] is door de rechtbank op nihil gesteld. Daartegen richt de vrouw een grief. Zij stelt dat een deskundige de waarde van deze onderneming op de peildatum dient vast te stellen. De man voert hiertegen aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat die webshop nog geen inkomen oplevert en de webshop geen waarde heeft. Uit zijn aangifte IB 2020 blijkt volgens hem bovendien dat sprake is van een negatief vermogen van € 40.192. Het inschakelen van een deskundige is volgens hem onnodig en verspilling van gelden. Als de vrouw toch wil dat een deskundige de waarde van de webshop gaat vaststellen, dan zal hij zich daar echter niet tegen verzetten mits de vrouw dan alle kosten van die deskundige betaalt en draagt.
5.24
Het hof heeft onvoldoende inzicht in en gegevens over de webshop van de man om zelf de waarde op de peildatum te kunnen vaststellen en is daarom voornemens een deskundige te benoemen. Voorshands zal het hof bepalen dat de vrouw de kosten van die deskundige op zich dient te nemen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen. Het hof zal uiteindelijk die vragen aan de deskundige stellen die het hof nodig heeft voor de beslissing op dit punt. Het hof zal de beslissing over de waardering van [naam2] aanhouden.
rente over verrekenvordering
5.25
In eerste aanleg heeft de man verzocht om te bepalen dat hetgeen hem op grond van de verrekening toekomt, moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. In zijn zevende grief stelt de man dat dit door de rechtbank ten onrechte is afgewezen. Hij verzoekt het hof deze rente alsnog toe te wijzen en daarbij te bepalen dat die gaat lopen vanaf 8 juni 2020.
De vrouw betwist dat en voert aan dat sprake moet zijn van verzuim vooraleer de wettelijke rente verschuldigd is, hetgeen op zijn vroegst 11 augustus 2022 zou kunnen zijn. De vrouw is volgens haar echter niet in verzuim.
5.26
Het hof overweegt dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verschuldigdheid van wettelijke rente over vorderingen uit hoofde van verdeling van een gemeenschap(pelijk goed) en die uit hoofde van een overeengekomen verrekenbeding. Voor vorderingen uit hoofde van een verdeling geldt dat, zolang de verdeling aan een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar is verzuim is (ECLI:NL:HR:2008:BC0387). Voor een vordering uit hoofde van verrekening geldt evenwel dat voor haar ontstaan en opeisbaarheid, alsmede voor het intreden van verzuim en de nakoming daarvan, zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen partijen ter zake zijn overeengekomen (ECLI:NL:HR:2011:BU6591). Uit artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen volgt dat de verrekening plaats heeft naar de toestand op de dag van het instellen van de vordering tot echtscheiding. In het onderhavige geval is dat 9 juni 2020, zijnde de dag waarop het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank is ingekomen. De grief van de man slaagt.
vordering wegens verpleging en verzorging
5.27
In eerste aanleg heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen om aan hem € 157.205 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2020) te betalen wegens door hem over de jaren 2016 tot en met 2018 gefactureerde kosten van verpleging en verzorging, waarin is voorzien in de aan de vrouw uitgekeerde PGB budgetten. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, overwegende dat tussen partijen wordt verrekend op grond van het finaal verrekenbeding, waarbij de totale vermogens van partijen met elkaar worden vergeleken en verrekend. Een vordering van de een is een schuld bij de ander en per saldo vallen die dus tegen elkaar weg. Tegen dit oordeel richt de man zijn achtste grief.
5.28
Het hof overweegt dat niet is geschil is dat de man de vrouw verzorgde en verpleegde. Ook is niet in geschil dat de vrouw de declaraties daarvan heeft ingediend bij de verzekeraar en dat deze zijn vergoed uit het PGB van de vrouw.
Motivering
Het hof zal daarom een verdere beslissing op dit onderdeel aanhouden.
waardering [naam7]
5.20
De man had tijdens het huwelijk een garagebedrijf genaamd ‘ [naam7] ’. Die onderneming heeft de man verkocht en die verkoop is vlak na de peildatum geëffectueerd. De verkoopprijs was € 90.000, althans het hof begrijpt uit de stukken dat de man zijn eenmanszaak heeft ingebracht in de besloten vennootschap [naam8] B.V -van welke vennootschap de man enig bestuurder en enig aandeelhouder is - en dat de onderneming vervolgens is ‘doorgezakt’ naar de 100% dochteronderneming van deze vennootschap genaamd [naam7] B.V. De aandelen in deze laatste vennootschap zijn verkocht voor € 90.000 aan een derde. De rechtbank heeft dit bedrag tot het te verrekenen vermogen van de man gerekend.
5.21
In zijn zesde grief stelt de man dat de rechtbank daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een latente belastingclaim van 26,9% over het verschil tussen deze verkoopprijs en de verkrijgingsprijs van € 4.600, zijnde een claim van € 22.972. De rechtbank had volgens de man daarom rekening moeten houden met een netto verkoopprijs van de onderneming van € 67.028. De vrouw betwist dat en voert aan dat het erom gaat wat de eenmanszaak waard was op de peildatum en dat bij een eenmanszaak geen sprake is van een latente ab-claim. In haar eigen vierde grief ten aanzien van dit onderwerp stelt zij dat de verkoopprijs van € 90.000 juist nog met € 40.000 dient te worden verhoogd.
5.22
Het hof overweegt dat beide partijen de verkoopprijs van € 90.000 als uitgangspunt nemen voor de waardering van [naam7] . De man wil hierop corrigeren met een latente belastingclaim, terwijl de vrouw dit bedrag wil corrigeren met een schuld van € 40.000 aan een kredietinstelling. De vrouw verwijst ten aanzien daarvan naar productie 11 zoals zij die in eerste aanleg heeft overgelegd, maar vooral naar productie 20 uit de eerste aanleg. Dat is een reactie van [naam9] belastingadviseurs op de door de man bij de rechtbank ingediende stukken. Daarin staat: ‘N.B. Aangegeven wordt ook nog een schuld van een kredietinstelling van € 40.000. Als deze schuld als ondernemingsvermogen ook in de B.V. is ingebracht dan is de waarde van de onderneming in plaats van € 90.000 minimaal € 130.000.’
Het hof ziet niet in hoe een schuld van de onderneming de waarde van die onderneming kan verhogen. Door de man is een voor het hof aannemelijke verklaring gegeven voor die € 40.000, namelijk dat dit een schuld van de eenmanszaak was (TOZO lening) die buiten de verkoop moest worden gehouden en dat daarom de verkoop via een omzetting naar een besloten vennootschap is gegaan. De grief van de vrouw faalt als zijnde onvoldoende onderbouwd en als voldoende gemotiveerd weersproken.
Nu de man is gestopt met de onderneming door deze te verkopen, zal hij hierover moeten afrekenen met de fiscus. Daarbij maakt het geen verschil of dit een eenmanszaak is of een rechtspersoon. In beide gevallen volgt bij staking/verkoop een afrekening met de fiscus. Wel zal waarschijnlijk in de onderscheiden gevallen een andere belastingdruk gelden. De keuze echter om de eenmanszaak om te zetten in een rechtspersoon is een zakelijke beslissing geweest, namelijk om een schuld buiten de verkoop te houden, en niet een om de vrouw daarmee te benadelen. Het hof zal daarom rekening houden met een fiscale claim zoals door de man gesteld. De grief van de man slaagt.
waardering [naam2]
5.23
De waarde van internetonderneming/website van de man genaamd [naam2] is door de rechtbank op nihil gesteld. Daartegen richt de vrouw een grief. Zij stelt dat een deskundige de waarde van deze onderneming op de peildatum dient vast te stellen. De man voert hiertegen aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat die webshop nog geen inkomen oplevert en de webshop geen waarde heeft. Uit zijn aangifte IB 2020 blijkt volgens hem bovendien dat sprake is van een negatief vermogen van € 40.192. Het inschakelen van een deskundige is volgens hem onnodig en verspilling van gelden. Als de vrouw toch wil dat een deskundige de waarde van de webshop gaat vaststellen, dan zal hij zich daar echter niet tegen verzetten mits de vrouw dan alle kosten van die deskundige betaalt en draagt.
5.24
Het hof heeft onvoldoende inzicht in en gegevens over de webshop van de man om zelf de waarde op de peildatum te kunnen vaststellen en is daarom voornemens een deskundige te benoemen. Voorshands zal het hof bepalen dat de vrouw de kosten van die deskundige op zich dient te nemen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen. Het hof zal uiteindelijk die vragen aan de deskundige stellen die het hof nodig heeft voor de beslissing op dit punt. Het hof zal de beslissing over de waardering van [naam2] aanhouden.
rente over verrekenvordering
5.25
In eerste aanleg heeft de man verzocht om te bepalen dat hetgeen hem op grond van de verrekening toekomt, moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. In zijn zevende grief stelt de man dat dit door de rechtbank ten onrechte is afgewezen. Hij verzoekt het hof deze rente alsnog toe te wijzen en daarbij te bepalen dat die gaat lopen vanaf 8 juni 2020.
De vrouw betwist dat en voert aan dat sprake moet zijn van verzuim vooraleer de wettelijke rente verschuldigd is, hetgeen op zijn vroegst 11 augustus 2022 zou kunnen zijn. De vrouw is volgens haar echter niet in verzuim.
5.26
Het hof overweegt dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verschuldigdheid van wettelijke rente over vorderingen uit hoofde van verdeling van een gemeenschap(pelijk goed) en die uit hoofde van een overeengekomen verrekenbeding. Voor vorderingen uit hoofde van een verdeling geldt dat, zolang de verdeling aan een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar is verzuim is (ECLI:NL:HR:2008:BC0387). Voor een vordering uit hoofde van verrekening geldt evenwel dat voor haar ontstaan en opeisbaarheid, alsmede voor het intreden van verzuim en de nakoming daarvan, zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen partijen ter zake zijn overeengekomen (ECLI:NL:HR:2011:BU6591). Uit artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen volgt dat de verrekening plaats heeft naar de toestand op de dag van het instellen van de vordering tot echtscheiding. In het onderhavige geval is dat 9 juni 2020, zijnde de dag waarop het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank is ingekomen. De grief van de man slaagt.
vordering wegens verpleging en verzorging
5.27
In eerste aanleg heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen om aan hem € 157.205 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2020) te betalen wegens door hem over de jaren 2016 tot en met 2018 gefactureerde kosten van verpleging en verzorging, waarin is voorzien in de aan de vrouw uitgekeerde PGB budgetten. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, overwegende dat tussen partijen wordt verrekend op grond van het finaal verrekenbeding, waarbij de totale vermogens van partijen met elkaar worden vergeleken en verrekend. Een vordering van de een is een schuld bij de ander en per saldo vallen die dus tegen elkaar weg. Tegen dit oordeel richt de man zijn achtste grief.
5.28
Het hof overweegt dat niet is geschil is dat de man de vrouw verzorgde en verpleegde. Ook is niet in geschil dat de vrouw de declaraties daarvan heeft ingediend bij de verzekeraar en dat deze zijn vergoed uit het PGB van de vrouw.
Motivering
Het hof zal daarom een verdere beslissing op dit onderdeel aanhouden.
waardering [naam7]
5.20
De man had tijdens het huwelijk een garagebedrijf genaamd ‘ [naam7] ’. Die onderneming heeft de man verkocht en die verkoop is vlak na de peildatum geëffectueerd. De verkoopprijs was € 90.000, althans het hof begrijpt uit de stukken dat de man zijn eenmanszaak heeft ingebracht in de besloten vennootschap [naam8] B.V -van welke vennootschap de man enig bestuurder en enig aandeelhouder is - en dat de onderneming vervolgens is ‘doorgezakt’ naar de 100% dochteronderneming van deze vennootschap genaamd [naam7] B.V. De aandelen in deze laatste vennootschap zijn verkocht voor € 90.000 aan een derde. De rechtbank heeft dit bedrag tot het te verrekenen vermogen van de man gerekend.
5.21
In zijn zesde grief stelt de man dat de rechtbank daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een latente belastingclaim van 26,9% over het verschil tussen deze verkoopprijs en de verkrijgingsprijs van € 4.600, zijnde een claim van € 22.972. De rechtbank had volgens de man daarom rekening moeten houden met een netto verkoopprijs van de onderneming van € 67.028. De vrouw betwist dat en voert aan dat het erom gaat wat de eenmanszaak waard was op de peildatum en dat bij een eenmanszaak geen sprake is van een latente ab-claim. In haar eigen vierde grief ten aanzien van dit onderwerp stelt zij dat de verkoopprijs van € 90.000 juist nog met € 40.000 dient te worden verhoogd.
5.22
Het hof overweegt dat beide partijen de verkoopprijs van € 90.000 als uitgangspunt nemen voor de waardering van [naam7] . De man wil hierop corrigeren met een latente belastingclaim, terwijl de vrouw dit bedrag wil corrigeren met een schuld van € 40.000 aan een kredietinstelling. De vrouw verwijst ten aanzien daarvan naar productie 11 zoals zij die in eerste aanleg heeft overgelegd, maar vooral naar productie 20 uit de eerste aanleg. Dat is een reactie van [naam9] belastingadviseurs op de door de man bij de rechtbank ingediende stukken. Daarin staat: ‘N.B. Aangegeven wordt ook nog een schuld van een kredietinstelling van € 40.000. Als deze schuld als ondernemingsvermogen ook in de B.V. is ingebracht dan is de waarde van de onderneming in plaats van € 90.000 minimaal € 130.000.’
Het hof ziet niet in hoe een schuld van de onderneming de waarde van die onderneming kan verhogen. Door de man is een voor het hof aannemelijke verklaring gegeven voor die € 40.000, namelijk dat dit een schuld van de eenmanszaak was (TOZO lening) die buiten de verkoop moest worden gehouden en dat daarom de verkoop via een omzetting naar een besloten vennootschap is gegaan. De grief van de vrouw faalt als zijnde onvoldoende onderbouwd en als voldoende gemotiveerd weersproken.
Nu de man is gestopt met de onderneming door deze te verkopen, zal hij hierover moeten afrekenen met de fiscus. Daarbij maakt het geen verschil of dit een eenmanszaak is of een rechtspersoon. In beide gevallen volgt bij staking/verkoop een afrekening met de fiscus. Wel zal waarschijnlijk in de onderscheiden gevallen een andere belastingdruk gelden. De keuze echter om de eenmanszaak om te zetten in een rechtspersoon is een zakelijke beslissing geweest, namelijk om een schuld buiten de verkoop te houden, en niet een om de vrouw daarmee te benadelen. Het hof zal daarom rekening houden met een fiscale claim zoals door de man gesteld. De grief van de man slaagt.
waardering [naam2]
5.23
De waarde van internetonderneming/website van de man genaamd [naam2] is door de rechtbank op nihil gesteld. Daartegen richt de vrouw een grief. Zij stelt dat een deskundige de waarde van deze onderneming op de peildatum dient vast te stellen. De man voert hiertegen aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat die webshop nog geen inkomen oplevert en de webshop geen waarde heeft. Uit zijn aangifte IB 2020 blijkt volgens hem bovendien dat sprake is van een negatief vermogen van € 40.192. Het inschakelen van een deskundige is volgens hem onnodig en verspilling van gelden. Als de vrouw toch wil dat een deskundige de waarde van de webshop gaat vaststellen, dan zal hij zich daar echter niet tegen verzetten mits de vrouw dan alle kosten van die deskundige betaalt en draagt.
5.24
Het hof heeft onvoldoende inzicht in en gegevens over de webshop van de man om zelf de waarde op de peildatum te kunnen vaststellen en is daarom voornemens een deskundige te benoemen. Voorshands zal het hof bepalen dat de vrouw de kosten van die deskundige op zich dient te nemen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen. Het hof zal uiteindelijk die vragen aan de deskundige stellen die het hof nodig heeft voor de beslissing op dit punt. Het hof zal de beslissing over de waardering van [naam2] aanhouden.
rente over verrekenvordering
5.25
In eerste aanleg heeft de man verzocht om te bepalen dat hetgeen hem op grond van de verrekening toekomt, moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. In zijn zevende grief stelt de man dat dit door de rechtbank ten onrechte is afgewezen. Hij verzoekt het hof deze rente alsnog toe te wijzen en daarbij te bepalen dat die gaat lopen vanaf 8 juni 2020.
De vrouw betwist dat en voert aan dat sprake moet zijn van verzuim vooraleer de wettelijke rente verschuldigd is, hetgeen op zijn vroegst 11 augustus 2022 zou kunnen zijn. De vrouw is volgens haar echter niet in verzuim.
5.26
Het hof overweegt dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verschuldigdheid van wettelijke rente over vorderingen uit hoofde van verdeling van een gemeenschap(pelijk goed) en die uit hoofde van een overeengekomen verrekenbeding. Voor vorderingen uit hoofde van een verdeling geldt dat, zolang de verdeling aan een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar is verzuim is (ECLI:NL:HR:2008:BC0387). Voor een vordering uit hoofde van verrekening geldt evenwel dat voor haar ontstaan en opeisbaarheid, alsmede voor het intreden van verzuim en de nakoming daarvan, zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen partijen ter zake zijn overeengekomen (ECLI:NL:HR:2011:BU6591). Uit artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen volgt dat de verrekening plaats heeft naar de toestand op de dag van het instellen van de vordering tot echtscheiding. In het onderhavige geval is dat 9 juni 2020, zijnde de dag waarop het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank is ingekomen. De grief van de man slaagt.
vordering wegens verpleging en verzorging
5.27
In eerste aanleg heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen om aan hem € 157.205 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2020) te betalen wegens door hem over de jaren 2016 tot en met 2018 gefactureerde kosten van verpleging en verzorging, waarin is voorzien in de aan de vrouw uitgekeerde PGB budgetten. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, overwegende dat tussen partijen wordt verrekend op grond van het finaal verrekenbeding, waarbij de totale vermogens van partijen met elkaar worden vergeleken en verrekend. Een vordering van de een is een schuld bij de ander en per saldo vallen die dus tegen elkaar weg. Tegen dit oordeel richt de man zijn achtste grief.
5.28
Het hof overweegt dat niet is geschil is dat de man de vrouw verzorgde en verpleegde. Ook is niet in geschil dat de vrouw de declaraties daarvan heeft ingediend bij de verzekeraar en dat deze zijn vergoed uit het PGB van de vrouw.
Motivering
Wat er vervolgens met die gelden is gedaan en of partijen hierover nu wel of geen afspraken hebben gemaakt doet niet ter zake. Met de rechtbank is het hof namelijk van oordeel dat de vorderingen van de een op grond van het finaal verrekenbeding wegvallen tegen de daartegenover staande schulden van de ander. Als er zodanige vorderingen en schulden zouden zijn ontstaan in de gestelde periode, zijn die ontstaan vóór de peildatum van de verrekening. Die vorderingen en schulden, voor zover die nog bestaan op de peildatum, vallen dan onder het te verrekenen vermogen van partijen. Niet is in te zien waarom hier sprake zou zijn van verknochtheid, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatig handelen, of een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst, zoals de man stelt. Grief 8 van de man faalt.
vordering helft woonlasten man
5.29
De man stelt dat de vrouw heeft toegezegd om 50% van zijn woonlasten te betalen en hij daarom een vordering heeft op de vrouw. Hij verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen om aan hem 50% van zijn woonlasten van € 673,75 per maand te betalen over de periode van 1 juli 2020 tot en met 18 mei 2022. De vrouw betwist de door de man gestelde afspraak. Er is door haar enkel toegezegd dat zij gedurende de ‘time-out’ van partijen de helft van zijn woonlasten zou voldoen tot maximaal € 500 en aan die afspraak heeft ze zich ook gehouden. Ze verwijst naar een tweetal e-mails van haar aan de man (productie H6).
5.30
Het hof is van oordeel dat de door de man gestelde afspraak, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, niet is komen vast te staan. De man heeft weliswaar een algemeen geformuleerd bewijsaanbod gedaan, maar daar gaat het hof aan voorbij. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2004:AO7817) mag in hoger beroep van een partij die bewijs (door getuigen) aanbiedt, in beginsel worden verwacht dat hij voldoende concreet aangeeft op welke van zijn stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Een algemeen geformuleerd bewijsaanbod, zoals de man heeft gedaan, is gelet hierop dus onvoldoende om tot bewijs te worden toegelaten. Grief 9 van de man faalt.
vordering ten aanzien lasten van de woning en kosten van de huishouding
5.31
De man handhaaft zijn verzoek uit de eerste aanleg dat de vrouw hem € 2.066,31 dient te betalen als vergoeding voor ten onrechte voor zijn rekening gekomen lasten van de echtelijke woning en/of kosten van de huishouding. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat hij de woonkosten van de vrouw zou moeten betalen. De vrouw is het eens met de rechtbank dat ook deze post wegvalt in het finale verrekenbeding en zij voert aan dat de afschrijving van € 2.066,31 dateert van vóór de peildatum.
5.32
Het hof overweegt dat de man in zijn inleidend verzoek (in randnummer 37) heeft vermeld dat het door hem gemelde bedrag is ontstaan door afschrijvingen in februari, maart en april 2020. Deze afschrijvingen hebben dus plaatsgevonden vóór de peildatum 9 juni 2020, zodat een eventuele vordering van de man op de vrouw op grond van de finale verrekening wegvalt tegen de daartegenover staande schuld die de vrouw dan zou hebben aan de man. Grief 10 van de man faalt.
afgifte persoonlijke bezittingen en waardering auto en scooter
5.33
De man verzocht in eerste aanleg om afgifte van bepaalde persoonlijke spullen. De vrouw had die in dozen gestopt en de man kon die komen halen. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij over deze spullen dan ook geen beslissing meer hoefde te nemen.
5.34
In hoger beroep stelt de man in zijn elfde grief dat de vrouw de afspraken niet is nagekomen. Hij mist nog een aantal spullen - die hij opsomt in zijn beroepschrift - en hij verzoekt de vrouw te veroordelen tot afgifte daarvan, op straffe van een dwangsom. Volgens de vrouw heeft de man die spullen al, en heeft zij ze in ieder geval niet.
Verder legt de man taxatierapporten over van de auto merk Saab en scooter Vespa Piaggio. dit zijn voertuigen die tot zijn te verrekenen vermogen behoren, maar waarvan bij de rechtbank nog geen waarde bekend was. Hij verzoekt het hof die voertuigen tegen de getaxeerde waardes van respectievelijk € 750 (auto) en € 400 (scooter) in de verrekening te betrekken.
5.35
Het hof kan niet vaststellen welke van de bedoelde spullen bij wie zijn en kan daar dus ook niet over beslissen. Bovendien zegt de vrouw de bedoelde zaken niet te hebben. Het hof kan haar niet veroordelen tot afgifte van zaken die zij niet heeft. Voor zover de vrouw toch nog familiestukken van de man aantreft (die hebben voor hem grote emotionele waarde), dient de vrouw die onverwijld aan de man af te geven. Verder zal het hof ten aanzien van de Saab met kenteken [kenteken] en de scooter Vespa Piaggio de waardes hanteren zoals die blijken uit de door de man overgelegde taxatierapporten, nu die door de vrouw niet worden betwist.
verschaffen informatie over pensioenen
5.36
In zijn verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft de man zijn verzoeken verminderd met de verzoeken die onder XII van zijn petitum staan vermeld en gaan over het verschaffen van informatie over pensioenen. Grief 12 van de man behoeft daarom geen bespreking meer.
verzoek man ex artikel 843a Rv
5.37
Bij wege van vermeerdering van verzoek verzoekt de man het hof om de vrouw op grond van artikel 843a Rv op te dragen stukken over te leggen en mededeling te doen over de koopprijs en haar aandeel in die verkoopprijs van de aandelen in [naam4] B.V. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat verkoop van die aandelen niet (meer) aan de orde is. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
inkomsten uit schenkingen
5.38
De vrouw heeft van haar vader geld geschonken gekregen en dit geld vervolgens weer aan hem terug geleend. Over dat teruggeleende bedrag betaalt de vader jaarlijks rente aan de vrouw (schuldigerkenning uit vrijgevigheid). Schenkingen behoren op grond van de huwelijkse voorwaarden niet tot het op grond van het finaal verrekenbeding te verrekenen vermogen, maar in diezelfde huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de inkomsten daaruit wél tot het te verrekenen vermogen behoren. De door de vrouw jaarlijks ontvangen rentes zijn inkomsten uit het geschonken vermogen. In de van de schuldigerkenning uit vrijgevigheid opgemaakte schenkingsaktes is evenwel een uitsluitingsclausule opgenomen, inhoudende dat niet alleen de schenking zelf is uitgesloten van enig verrekenbeding, maar ook de inkomsten uit die schenkingen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de rentes niet zijn uitgesloten van verrekening, omdat dit volgt uit de huwelijkse voorwaarden. Hiertegen richt de vrouw (een deel van) haar vierde grief, waarin zij stelt dat de bepalingen uit de schenkingsaktes boven die uit de huwelijkse voorwaarden gaan op dit punt.
5.39
Het hof overweegt als volgt.
Motivering
Wat er vervolgens met die gelden is gedaan en of partijen hierover nu wel of geen afspraken hebben gemaakt doet niet ter zake. Met de rechtbank is het hof namelijk van oordeel dat de vorderingen van de een op grond van het finaal verrekenbeding wegvallen tegen de daartegenover staande schulden van de ander. Als er zodanige vorderingen en schulden zouden zijn ontstaan in de gestelde periode, zijn die ontstaan vóór de peildatum van de verrekening. Die vorderingen en schulden, voor zover die nog bestaan op de peildatum, vallen dan onder het te verrekenen vermogen van partijen. Niet is in te zien waarom hier sprake zou zijn van verknochtheid, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatig handelen, of een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst, zoals de man stelt. Grief 8 van de man faalt.
vordering helft woonlasten man
5.29
De man stelt dat de vrouw heeft toegezegd om 50% van zijn woonlasten te betalen en hij daarom een vordering heeft op de vrouw. Hij verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen om aan hem 50% van zijn woonlasten van € 673,75 per maand te betalen over de periode van 1 juli 2020 tot en met 18 mei 2022. De vrouw betwist de door de man gestelde afspraak. Er is door haar enkel toegezegd dat zij gedurende de ‘time-out’ van partijen de helft van zijn woonlasten zou voldoen tot maximaal € 500 en aan die afspraak heeft ze zich ook gehouden. Ze verwijst naar een tweetal e-mails van haar aan de man (productie H6).
5.30
Het hof is van oordeel dat de door de man gestelde afspraak, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, niet is komen vast te staan. De man heeft weliswaar een algemeen geformuleerd bewijsaanbod gedaan, maar daar gaat het hof aan voorbij. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2004:AO7817) mag in hoger beroep van een partij die bewijs (door getuigen) aanbiedt, in beginsel worden verwacht dat hij voldoende concreet aangeeft op welke van zijn stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Een algemeen geformuleerd bewijsaanbod, zoals de man heeft gedaan, is gelet hierop dus onvoldoende om tot bewijs te worden toegelaten. Grief 9 van de man faalt.
vordering ten aanzien lasten van de woning en kosten van de huishouding
5.31
De man handhaaft zijn verzoek uit de eerste aanleg dat de vrouw hem € 2.066,31 dient te betalen als vergoeding voor ten onrechte voor zijn rekening gekomen lasten van de echtelijke woning en/of kosten van de huishouding. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat hij de woonkosten van de vrouw zou moeten betalen. De vrouw is het eens met de rechtbank dat ook deze post wegvalt in het finale verrekenbeding en zij voert aan dat de afschrijving van € 2.066,31 dateert van vóór de peildatum.
5.32
Het hof overweegt dat de man in zijn inleidend verzoek (in randnummer 37) heeft vermeld dat het door hem gemelde bedrag is ontstaan door afschrijvingen in februari, maart en april 2020. Deze afschrijvingen hebben dus plaatsgevonden vóór de peildatum 9 juni 2020, zodat een eventuele vordering van de man op de vrouw op grond van de finale verrekening wegvalt tegen de daartegenover staande schuld die de vrouw dan zou hebben aan de man. Grief 10 van de man faalt.
afgifte persoonlijke bezittingen en waardering auto en scooter
5.33
De man verzocht in eerste aanleg om afgifte van bepaalde persoonlijke spullen. De vrouw had die in dozen gestopt en de man kon die komen halen. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij over deze spullen dan ook geen beslissing meer hoefde te nemen.
5.34
In hoger beroep stelt de man in zijn elfde grief dat de vrouw de afspraken niet is nagekomen. Hij mist nog een aantal spullen - die hij opsomt in zijn beroepschrift - en hij verzoekt de vrouw te veroordelen tot afgifte daarvan, op straffe van een dwangsom. Volgens de vrouw heeft de man die spullen al, en heeft zij ze in ieder geval niet.
Verder legt de man taxatierapporten over van de auto merk Saab en scooter Vespa Piaggio. dit zijn voertuigen die tot zijn te verrekenen vermogen behoren, maar waarvan bij de rechtbank nog geen waarde bekend was. Hij verzoekt het hof die voertuigen tegen de getaxeerde waardes van respectievelijk € 750 (auto) en € 400 (scooter) in de verrekening te betrekken.
5.35
Het hof kan niet vaststellen welke van de bedoelde spullen bij wie zijn en kan daar dus ook niet over beslissen. Bovendien zegt de vrouw de bedoelde zaken niet te hebben. Het hof kan haar niet veroordelen tot afgifte van zaken die zij niet heeft. Voor zover de vrouw toch nog familiestukken van de man aantreft (die hebben voor hem grote emotionele waarde), dient de vrouw die onverwijld aan de man af te geven. Verder zal het hof ten aanzien van de Saab met kenteken [kenteken] en de scooter Vespa Piaggio de waardes hanteren zoals die blijken uit de door de man overgelegde taxatierapporten, nu die door de vrouw niet worden betwist.
verschaffen informatie over pensioenen
5.36
In zijn verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft de man zijn verzoeken verminderd met de verzoeken die onder XII van zijn petitum staan vermeld en gaan over het verschaffen van informatie over pensioenen. Grief 12 van de man behoeft daarom geen bespreking meer.
verzoek man ex artikel 843a Rv
5.37
Bij wege van vermeerdering van verzoek verzoekt de man het hof om de vrouw op grond van artikel 843a Rv op te dragen stukken over te leggen en mededeling te doen over de koopprijs en haar aandeel in die verkoopprijs van de aandelen in [naam4] B.V. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat verkoop van die aandelen niet (meer) aan de orde is. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
inkomsten uit schenkingen
5.38
De vrouw heeft van haar vader geld geschonken gekregen en dit geld vervolgens weer aan hem terug geleend. Over dat teruggeleende bedrag betaalt de vader jaarlijks rente aan de vrouw (schuldigerkenning uit vrijgevigheid). Schenkingen behoren op grond van de huwelijkse voorwaarden niet tot het op grond van het finaal verrekenbeding te verrekenen vermogen, maar in diezelfde huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de inkomsten daaruit wél tot het te verrekenen vermogen behoren. De door de vrouw jaarlijks ontvangen rentes zijn inkomsten uit het geschonken vermogen. In de van de schuldigerkenning uit vrijgevigheid opgemaakte schenkingsaktes is evenwel een uitsluitingsclausule opgenomen, inhoudende dat niet alleen de schenking zelf is uitgesloten van enig verrekenbeding, maar ook de inkomsten uit die schenkingen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de rentes niet zijn uitgesloten van verrekening, omdat dit volgt uit de huwelijkse voorwaarden. Hiertegen richt de vrouw (een deel van) haar vierde grief, waarin zij stelt dat de bepalingen uit de schenkingsaktes boven die uit de huwelijkse voorwaarden gaan op dit punt.
5.39
Het hof overweegt als volgt.
Motivering
Wat er vervolgens met die gelden is gedaan en of partijen hierover nu wel of geen afspraken hebben gemaakt doet niet ter zake. Met de rechtbank is het hof namelijk van oordeel dat de vorderingen van de een op grond van het finaal verrekenbeding wegvallen tegen de daartegenover staande schulden van de ander. Als er zodanige vorderingen en schulden zouden zijn ontstaan in de gestelde periode, zijn die ontstaan vóór de peildatum van de verrekening. Die vorderingen en schulden, voor zover die nog bestaan op de peildatum, vallen dan onder het te verrekenen vermogen van partijen. Niet is in te zien waarom hier sprake zou zijn van verknochtheid, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatig handelen, of een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst, zoals de man stelt. Grief 8 van de man faalt.
vordering helft woonlasten man
5.29
De man stelt dat de vrouw heeft toegezegd om 50% van zijn woonlasten te betalen en hij daarom een vordering heeft op de vrouw. Hij verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen om aan hem 50% van zijn woonlasten van € 673,75 per maand te betalen over de periode van 1 juli 2020 tot en met 18 mei 2022. De vrouw betwist de door de man gestelde afspraak. Er is door haar enkel toegezegd dat zij gedurende de ‘time-out’ van partijen de helft van zijn woonlasten zou voldoen tot maximaal € 500 en aan die afspraak heeft ze zich ook gehouden. Ze verwijst naar een tweetal e-mails van haar aan de man (productie H6).
5.30
Het hof is van oordeel dat de door de man gestelde afspraak, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, niet is komen vast te staan. De man heeft weliswaar een algemeen geformuleerd bewijsaanbod gedaan, maar daar gaat het hof aan voorbij. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2004:AO7817) mag in hoger beroep van een partij die bewijs (door getuigen) aanbiedt, in beginsel worden verwacht dat hij voldoende concreet aangeeft op welke van zijn stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Een algemeen geformuleerd bewijsaanbod, zoals de man heeft gedaan, is gelet hierop dus onvoldoende om tot bewijs te worden toegelaten. Grief 9 van de man faalt.
vordering ten aanzien lasten van de woning en kosten van de huishouding
5.31
De man handhaaft zijn verzoek uit de eerste aanleg dat de vrouw hem € 2.066,31 dient te betalen als vergoeding voor ten onrechte voor zijn rekening gekomen lasten van de echtelijke woning en/of kosten van de huishouding. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat hij de woonkosten van de vrouw zou moeten betalen. De vrouw is het eens met de rechtbank dat ook deze post wegvalt in het finale verrekenbeding en zij voert aan dat de afschrijving van € 2.066,31 dateert van vóór de peildatum.
5.32
Het hof overweegt dat de man in zijn inleidend verzoek (in randnummer 37) heeft vermeld dat het door hem gemelde bedrag is ontstaan door afschrijvingen in februari, maart en april 2020. Deze afschrijvingen hebben dus plaatsgevonden vóór de peildatum 9 juni 2020, zodat een eventuele vordering van de man op de vrouw op grond van de finale verrekening wegvalt tegen de daartegenover staande schuld die de vrouw dan zou hebben aan de man. Grief 10 van de man faalt.
afgifte persoonlijke bezittingen en waardering auto en scooter
5.33
De man verzocht in eerste aanleg om afgifte van bepaalde persoonlijke spullen. De vrouw had die in dozen gestopt en de man kon die komen halen. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij over deze spullen dan ook geen beslissing meer hoefde te nemen.
5.34
In hoger beroep stelt de man in zijn elfde grief dat de vrouw de afspraken niet is nagekomen. Hij mist nog een aantal spullen - die hij opsomt in zijn beroepschrift - en hij verzoekt de vrouw te veroordelen tot afgifte daarvan, op straffe van een dwangsom. Volgens de vrouw heeft de man die spullen al, en heeft zij ze in ieder geval niet.
Verder legt de man taxatierapporten over van de auto merk Saab en scooter Vespa Piaggio. dit zijn voertuigen die tot zijn te verrekenen vermogen behoren, maar waarvan bij de rechtbank nog geen waarde bekend was. Hij verzoekt het hof die voertuigen tegen de getaxeerde waardes van respectievelijk € 750 (auto) en € 400 (scooter) in de verrekening te betrekken.
5.35
Het hof kan niet vaststellen welke van de bedoelde spullen bij wie zijn en kan daar dus ook niet over beslissen. Bovendien zegt de vrouw de bedoelde zaken niet te hebben. Het hof kan haar niet veroordelen tot afgifte van zaken die zij niet heeft. Voor zover de vrouw toch nog familiestukken van de man aantreft (die hebben voor hem grote emotionele waarde), dient de vrouw die onverwijld aan de man af te geven. Verder zal het hof ten aanzien van de Saab met kenteken [kenteken] en de scooter Vespa Piaggio de waardes hanteren zoals die blijken uit de door de man overgelegde taxatierapporten, nu die door de vrouw niet worden betwist.
verschaffen informatie over pensioenen
5.36
In zijn verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft de man zijn verzoeken verminderd met de verzoeken die onder XII van zijn petitum staan vermeld en gaan over het verschaffen van informatie over pensioenen. Grief 12 van de man behoeft daarom geen bespreking meer.
verzoek man ex artikel 843a Rv
5.37
Bij wege van vermeerdering van verzoek verzoekt de man het hof om de vrouw op grond van artikel 843a Rv op te dragen stukken over te leggen en mededeling te doen over de koopprijs en haar aandeel in die verkoopprijs van de aandelen in [naam4] B.V. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat verkoop van die aandelen niet (meer) aan de orde is. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
inkomsten uit schenkingen
5.38
De vrouw heeft van haar vader geld geschonken gekregen en dit geld vervolgens weer aan hem terug geleend. Over dat teruggeleende bedrag betaalt de vader jaarlijks rente aan de vrouw (schuldigerkenning uit vrijgevigheid). Schenkingen behoren op grond van de huwelijkse voorwaarden niet tot het op grond van het finaal verrekenbeding te verrekenen vermogen, maar in diezelfde huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de inkomsten daaruit wél tot het te verrekenen vermogen behoren. De door de vrouw jaarlijks ontvangen rentes zijn inkomsten uit het geschonken vermogen. In de van de schuldigerkenning uit vrijgevigheid opgemaakte schenkingsaktes is evenwel een uitsluitingsclausule opgenomen, inhoudende dat niet alleen de schenking zelf is uitgesloten van enig verrekenbeding, maar ook de inkomsten uit die schenkingen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de rentes niet zijn uitgesloten van verrekening, omdat dit volgt uit de huwelijkse voorwaarden. Hiertegen richt de vrouw (een deel van) haar vierde grief, waarin zij stelt dat de bepalingen uit de schenkingsaktes boven die uit de huwelijkse voorwaarden gaan op dit punt.
5.39
Het hof overweegt als volgt.
Motivering
In artikel 1:134 van het Burgerlijk Wetboek is het volgende opgenomen: ‘Bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.’
Deze regeling is in overeenstemming met de standaarduitspraak van de Hoge Raad van 21 november 1980, (ECLI:NL:HR:1980:AC7049) en komt erop neer dat hetgeen de schenker bij de gift (of erflater bij uiterste wilsbeschikking) heeft bepaald, voorrang heeft op hetgeen partijen in hun huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen.
Dit betekent in de onderhavige zaak dat de door de vrouw ontvangen rentes niet tot het te verrekenen vermogen behoren en dat haar grief slaagt.
5.40
Vervolgens is dan de vraag hoe dit in de vermogensopstellingen van het te verrekenen vermogen moet worden gewaardeerd. Daartoe heeft de vrouw gesteld dat het saldo van de bankrekening [nummer1] met € 128.386,82 dient te worden gecorrigeerd. Op die rekening kwamen volgens haar ook de dividenden en de PGB-uitkeringen binnen. Volgens haar is het meest eenvoudig om het dividendbedrag in 2019 van € 262.250, ofwel netto € 195.937,50 na belasting in de verrekening mee te nemen. Dat is een verschil van € 128.386,82. De man kan niet instemmen met de correctieberekening van de vrouw. Volgens hem is het gelet op het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW aan de vrouw om te onderbouwen waarom dit niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Bovendien, als het hof al eerder rekening zou houden met de schuld wegens dividendbelasting in het te verrekenen vermogen van de vrouw, dan kan dat hier niet nogmaals worden gedaan.
5.41
Het hof is overweegt als volgt. Artikel 1:141 lid 3 BW bevat een bewijsvermoeden. Bij een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding wordt het bij het inde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Een partij die van mening is dat een bepaald vermogensbestanddeel niet verrekend moet worden, dient dit bewijsvermoeden dus te ontkrachten. Ten aanzien van de door de vrouw ontvangen rentes is hiervoor overwogen dat die niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Er dient dus te worden vastgesteld hoeveel van de geschonken rentes op de peildatum nog aanwezig is. De vrouw weet dat niet, gelet op de door haar voorgestelde correctieberekening. Ook het hof kan dit uit de overgelegde stukken afleiden en de vraag of het überhaupt nog exact is na te gaan. Het hof zal daarom een schatting doen en - gelet op de jaarlijks door de vrouw te ontvangen rentes van rond de € 50.000 en ervan uitgaande dat die jaarlijks niet geheel worden besteed - de niet tot het te verrekenen vermogen behorende rentes bepalen op € 125.000. In zoverre slaagt de grief van de vrouw.
bankrekening/flexibel krediet [nummer2]
5.42
De rechtbank heeft (het negatief saldo op) bankrekening [nummer2] tot het te verrekenen vermogen van de man gerekend. De vrouw is het daarmee niet eens. In haar vierde grief stelt ze dat dit een flexibel krediet is dat door de man ten huwelijk is aangebracht. Het staat ook op de staat van aanbrengsten en behoort volgens de vrouw dus niet tot het te verrekenen vermogen. De man erkent dat dit aangebracht vermogen is. Daarom heeft hij in zijn inleidend verzoek ook vermeld ‘voor zover die schuld hoger is dan op de huwelijksdatum, behoort die tot te verrekenen vermogen’. Hij kan echter niet meer achterhalen hoe hoog de schuld was bij aanvang van het huwelijk, maar in ieder geval dient volgens hem een negatief saldo van € 2.519,75 in de verrekening te worden betrokken, zijnde het verschil tussen het saldo in 2001 en dat op de peildatum.
5.43
Het hof overweegt dat partijen het erover eens zijn dat deze bankrekening/flexibel krediet door de man ten huwelijk is aangebracht. De man stelt zelf dat hij niet meer kan aantonen wat de stand van dit krediet was op de huwelijksdatum. Het heeft dan ook geen zin de man op dit punt tot bewijs toe te laten, nog daargelaten of het bewijsaanbod voldoende concreet is gelet ook op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen 5.30. De grief van de vrouw slaagt daarom. Het hof zal geen rekening houden met dit krediet.
6De slotsom
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven 1 en 2 van zowel de man als de vrouw en slaagt van ieder van hen grief 3 deels. Die grieven zien alle op de partneralimentatie. Ondanks dat de derde grief van ieder van partijen slaagt, leidt dit echter niet tot een ander dictum. Het hof zal daarom de bestreden beschikking op het onderdeel van de partneralimentatie (onderdeel 4.2 en 4.3 van het dictum van die beschikking) bekrachtigen in de nog te geven eindbeschikking.
6.2
Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal het hof partijen in de gelegenheid stellen om nader bewijs te leveren dan wel zich nader uit te laten over:
- de lening van vader van de vrouw in verband met de aankoop van de [adres2] ;
- de te benoemen deskundige en te stellen vragen ten behoeve van de waardering van de
webshop.
Iedere verdere beslissing, waaronder die over de proceskosten, zal het hof aanhouden.
Motivering
In artikel 1:134 van het Burgerlijk Wetboek is het volgende opgenomen: ‘Bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.’
Deze regeling is in overeenstemming met de standaarduitspraak van de Hoge Raad van 21 november 1980, (ECLI:NL:HR:1980:AC7049) en komt erop neer dat hetgeen de schenker bij de gift (of erflater bij uiterste wilsbeschikking) heeft bepaald, voorrang heeft op hetgeen partijen in hun huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen.
Dit betekent in de onderhavige zaak dat de door de vrouw ontvangen rentes niet tot het te verrekenen vermogen behoren en dat haar grief slaagt.
5.40
Vervolgens is dan de vraag hoe dit in de vermogensopstellingen van het te verrekenen vermogen moet worden gewaardeerd. Daartoe heeft de vrouw gesteld dat het saldo van de bankrekening [nummer1] met € 128.386,82 dient te worden gecorrigeerd. Op die rekening kwamen volgens haar ook de dividenden en de PGB-uitkeringen binnen. Volgens haar is het meest eenvoudig om het dividendbedrag in 2019 van € 262.250, ofwel netto € 195.937,50 na belasting in de verrekening mee te nemen. Dat is een verschil van € 128.386,82. De man kan niet instemmen met de correctieberekening van de vrouw. Volgens hem is het gelet op het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW aan de vrouw om te onderbouwen waarom dit niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Bovendien, als het hof al eerder rekening zou houden met de schuld wegens dividendbelasting in het te verrekenen vermogen van de vrouw, dan kan dat hier niet nogmaals worden gedaan.
5.41
Het hof is overweegt als volgt. Artikel 1:141 lid 3 BW bevat een bewijsvermoeden. Bij een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding wordt het bij het inde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Een partij die van mening is dat een bepaald vermogensbestanddeel niet verrekend moet worden, dient dit bewijsvermoeden dus te ontkrachten. Ten aanzien van de door de vrouw ontvangen rentes is hiervoor overwogen dat die niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Er dient dus te worden vastgesteld hoeveel van de geschonken rentes op de peildatum nog aanwezig is. De vrouw weet dat niet, gelet op de door haar voorgestelde correctieberekening. Ook het hof kan dit uit de overgelegde stukken afleiden en de vraag of het überhaupt nog exact is na te gaan. Het hof zal daarom een schatting doen en - gelet op de jaarlijks door de vrouw te ontvangen rentes van rond de € 50.000 en ervan uitgaande dat die jaarlijks niet geheel worden besteed - de niet tot het te verrekenen vermogen behorende rentes bepalen op € 125.000. In zoverre slaagt de grief van de vrouw.
bankrekening/flexibel krediet [nummer2]
5.42
De rechtbank heeft (het negatief saldo op) bankrekening [nummer2] tot het te verrekenen vermogen van de man gerekend. De vrouw is het daarmee niet eens. In haar vierde grief stelt ze dat dit een flexibel krediet is dat door de man ten huwelijk is aangebracht. Het staat ook op de staat van aanbrengsten en behoort volgens de vrouw dus niet tot het te verrekenen vermogen. De man erkent dat dit aangebracht vermogen is. Daarom heeft hij in zijn inleidend verzoek ook vermeld ‘voor zover die schuld hoger is dan op de huwelijksdatum, behoort die tot te verrekenen vermogen’. Hij kan echter niet meer achterhalen hoe hoog de schuld was bij aanvang van het huwelijk, maar in ieder geval dient volgens hem een negatief saldo van € 2.519,75 in de verrekening te worden betrokken, zijnde het verschil tussen het saldo in 2001 en dat op de peildatum.
5.43
Het hof overweegt dat partijen het erover eens zijn dat deze bankrekening/flexibel krediet door de man ten huwelijk is aangebracht. De man stelt zelf dat hij niet meer kan aantonen wat de stand van dit krediet was op de huwelijksdatum. Het heeft dan ook geen zin de man op dit punt tot bewijs toe te laten, nog daargelaten of het bewijsaanbod voldoende concreet is gelet ook op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen 5.30. De grief van de vrouw slaagt daarom. Het hof zal geen rekening houden met dit krediet.
6De slotsom
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven 1 en 2 van zowel de man als de vrouw en slaagt van ieder van hen grief 3 deels. Die grieven zien alle op de partneralimentatie. Ondanks dat de derde grief van ieder van partijen slaagt, leidt dit echter niet tot een ander dictum. Het hof zal daarom de bestreden beschikking op het onderdeel van de partneralimentatie (onderdeel 4.2 en 4.3 van het dictum van die beschikking) bekrachtigen in de nog te geven eindbeschikking.
6.2
Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal het hof partijen in de gelegenheid stellen om nader bewijs te leveren dan wel zich nader uit te laten over:
- de lening van vader van de vrouw in verband met de aankoop van de [adres2] ;
- de te benoemen deskundige en te stellen vragen ten behoeve van de waardering van de
webshop.
Iedere verdere beslissing, waaronder die over de proceskosten, zal het hof aanhouden.
Motivering
In artikel 1:134 van het Burgerlijk Wetboek is het volgende opgenomen: ‘Bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.’
Deze regeling is in overeenstemming met de standaarduitspraak van de Hoge Raad van 21 november 1980, (ECLI:NL:HR:1980:AC7049) en komt erop neer dat hetgeen de schenker bij de gift (of erflater bij uiterste wilsbeschikking) heeft bepaald, voorrang heeft op hetgeen partijen in hun huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen.
Dit betekent in de onderhavige zaak dat de door de vrouw ontvangen rentes niet tot het te verrekenen vermogen behoren en dat haar grief slaagt.
5.40
Vervolgens is dan de vraag hoe dit in de vermogensopstellingen van het te verrekenen vermogen moet worden gewaardeerd. Daartoe heeft de vrouw gesteld dat het saldo van de bankrekening [nummer1] met € 128.386,82 dient te worden gecorrigeerd. Op die rekening kwamen volgens haar ook de dividenden en de PGB-uitkeringen binnen. Volgens haar is het meest eenvoudig om het dividendbedrag in 2019 van € 262.250, ofwel netto € 195.937,50 na belasting in de verrekening mee te nemen. Dat is een verschil van € 128.386,82. De man kan niet instemmen met de correctieberekening van de vrouw. Volgens hem is het gelet op het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW aan de vrouw om te onderbouwen waarom dit niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Bovendien, als het hof al eerder rekening zou houden met de schuld wegens dividendbelasting in het te verrekenen vermogen van de vrouw, dan kan dat hier niet nogmaals worden gedaan.
5.41
Het hof is overweegt als volgt. Artikel 1:141 lid 3 BW bevat een bewijsvermoeden. Bij een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding wordt het bij het inde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Een partij die van mening is dat een bepaald vermogensbestanddeel niet verrekend moet worden, dient dit bewijsvermoeden dus te ontkrachten. Ten aanzien van de door de vrouw ontvangen rentes is hiervoor overwogen dat die niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Er dient dus te worden vastgesteld hoeveel van de geschonken rentes op de peildatum nog aanwezig is. De vrouw weet dat niet, gelet op de door haar voorgestelde correctieberekening. Ook het hof kan dit uit de overgelegde stukken afleiden en de vraag of het überhaupt nog exact is na te gaan. Het hof zal daarom een schatting doen en - gelet op de jaarlijks door de vrouw te ontvangen rentes van rond de € 50.000 en ervan uitgaande dat die jaarlijks niet geheel worden besteed - de niet tot het te verrekenen vermogen behorende rentes bepalen op € 125.000. In zoverre slaagt de grief van de vrouw.
bankrekening/flexibel krediet [nummer2]
5.42
De rechtbank heeft (het negatief saldo op) bankrekening [nummer2] tot het te verrekenen vermogen van de man gerekend. De vrouw is het daarmee niet eens. In haar vierde grief stelt ze dat dit een flexibel krediet is dat door de man ten huwelijk is aangebracht. Het staat ook op de staat van aanbrengsten en behoort volgens de vrouw dus niet tot het te verrekenen vermogen. De man erkent dat dit aangebracht vermogen is. Daarom heeft hij in zijn inleidend verzoek ook vermeld ‘voor zover die schuld hoger is dan op de huwelijksdatum, behoort die tot te verrekenen vermogen’. Hij kan echter niet meer achterhalen hoe hoog de schuld was bij aanvang van het huwelijk, maar in ieder geval dient volgens hem een negatief saldo van € 2.519,75 in de verrekening te worden betrokken, zijnde het verschil tussen het saldo in 2001 en dat op de peildatum.
5.43
Het hof overweegt dat partijen het erover eens zijn dat deze bankrekening/flexibel krediet door de man ten huwelijk is aangebracht. De man stelt zelf dat hij niet meer kan aantonen wat de stand van dit krediet was op de huwelijksdatum. Het heeft dan ook geen zin de man op dit punt tot bewijs toe te laten, nog daargelaten of het bewijsaanbod voldoende concreet is gelet ook op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen 5.30. De grief van de vrouw slaagt daarom. Het hof zal geen rekening houden met dit krediet.
6De slotsom
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven 1 en 2 van zowel de man als de vrouw en slaagt van ieder van hen grief 3 deels. Die grieven zien alle op de partneralimentatie. Ondanks dat de derde grief van ieder van partijen slaagt, leidt dit echter niet tot een ander dictum. Het hof zal daarom de bestreden beschikking op het onderdeel van de partneralimentatie (onderdeel 4.2 en 4.3 van het dictum van die beschikking) bekrachtigen in de nog te geven eindbeschikking.
6.2
Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal het hof partijen in de gelegenheid stellen om nader bewijs te leveren dan wel zich nader uit te laten over:
- de lening van vader van de vrouw in verband met de aankoop van de [adres2] ;
- de te benoemen deskundige en te stellen vragen ten behoeve van de waardering van de
webshop.
Iedere verdere beslissing, waaronder die over de proceskosten, zal het hof aanhouden.