Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-22
ECLI:NL:GHARL:2023:4320
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,482 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.351/01
CJIB-nummer
: 240344134
Uitspraak d.d.
: 22 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “het voertuig niet afgeschermde uitstekende delen heeft die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 april 2021 om 16:53 uur op de Potgieterstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt betwist dat de gedraging is verricht. De voorbumper van de auto van de betrokkene was weliswaar defect, maar van scherpe of uitstekende delen was geen sprake. Anders dan de kantonrechter vindt de betrokkene ook niet dat dit op de foto zou zijn te zien.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat er rechtsvoor een gat zat. De bumper was voorzien van diverse scherpe punten. (…)Bijlage: een fotografische opname. (…)Verklaring betrokkene: ik wacht op een nieuwe bumper.”
5. Het dossier bevat verder een foto waarop de voorzijde van het voertuig van de betrokkene is te zien. Zichtbaar is dat er een gat zit in de linkervoorzijde van de carrosserie van de auto. Dit gat is ongelijkmatig waardoor de nog wel aanwezige delen op meerdere plaatsen scherp en puntig van vorm zijn.
6. De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd (feitcode N440b) is een overtreding van artikel 5.2.48, tweede lid, van de Regeling Voertuigen (RV). Artikel 5.2.48 RV luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“1. Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van personenauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.”
7. Naar het oordeel van het hof staat op basis van de (op zijn eigen waarneming gebaseerde) verklaring van de ambtenaar in combinatie met de foto in het dossier genoegzaam vast dat het voertuig van de betrokkene zodanig was beschadigd dat sprake was van scherpe delen, namelijk de scherpe randen van de beschadigde carrosserie, die bij een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Deze beschadigingen kunnen echter niet worden aangemerkt als ‘uitstekende’ delen, nu zij niet buiten de normale vorm van het voertuig uitsteken. Gelet daarop is de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd niet verricht.
8. Wel kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode N440a, die het handelen in strijd met het eerste lid van artikel 5.2.48 RV betreft, is verricht. Wijziging van de feitcode acht het hof in dit stadium van de procedure echter niet meer opportuun. Namens de betrokkene is van meet af aan aangevoerd dat geen sprake was van uitstekende delen. Bovendien heeft de gemachtigde er al in de procedure bij de kantonrechter uitdrukkelijk op gewezen dat feitcode N440a mogelijk wel van toepassing is. De officier van justitie, de kantonrechter en de advocaat-generaal hebben verzuimd tot correctie over te gaan. Bij die stand van zaken past geen andere beslissing dan vernietiging van de inleidende beschikking.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1284,75 ((597 + (597 / 2) + (2 * 837)) * 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1284,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.351/01
CJIB-nummer
: 240344134
Uitspraak d.d.
: 22 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “het voertuig niet afgeschermde uitstekende delen heeft die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 april 2021 om 16:53 uur op de Potgieterstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt betwist dat de gedraging is verricht. De voorbumper van de auto van de betrokkene was weliswaar defect, maar van scherpe of uitstekende delen was geen sprake. Anders dan de kantonrechter vindt de betrokkene ook niet dat dit op de foto zou zijn te zien.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat er rechtsvoor een gat zat. De bumper was voorzien van diverse scherpe punten. (…)Bijlage: een fotografische opname. (…)Verklaring betrokkene: ik wacht op een nieuwe bumper.”
5. Het dossier bevat verder een foto waarop de voorzijde van het voertuig van de betrokkene is te zien. Zichtbaar is dat er een gat zit in de linkervoorzijde van de carrosserie van de auto. Dit gat is ongelijkmatig waardoor de nog wel aanwezige delen op meerdere plaatsen scherp en puntig van vorm zijn.
6. De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd (feitcode N440b) is een overtreding van artikel 5.2.48, tweede lid, van de Regeling Voertuigen (RV). Artikel 5.2.48 RV luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“1. Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van personenauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.”
7. Naar het oordeel van het hof staat op basis van de (op zijn eigen waarneming gebaseerde) verklaring van de ambtenaar in combinatie met de foto in het dossier genoegzaam vast dat het voertuig van de betrokkene zodanig was beschadigd dat sprake was van scherpe delen, namelijk de scherpe randen van de beschadigde carrosserie, die bij een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Deze beschadigingen kunnen echter niet worden aangemerkt als ‘uitstekende’ delen, nu zij niet buiten de normale vorm van het voertuig uitsteken. Gelet daarop is de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd niet verricht.
8. Wel kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode N440a, die het handelen in strijd met het eerste lid van artikel 5.2.48 RV betreft, is verricht. Wijziging van de feitcode acht het hof in dit stadium van de procedure echter niet meer opportuun. Namens de betrokkene is van meet af aan aangevoerd dat geen sprake was van uitstekende delen. Bovendien heeft de gemachtigde er al in de procedure bij de kantonrechter uitdrukkelijk op gewezen dat feitcode N440a mogelijk wel van toepassing is. De officier van justitie, de kantonrechter en de advocaat-generaal hebben verzuimd tot correctie over te gaan. Bij die stand van zaken past geen andere beslissing dan vernietiging van de inleidende beschikking.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1284,75 ((597 + (597 / 2) + (2 * 837)) * 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1284,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.