Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-04-19
ECLI:NL:GHARL:2023:3380
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,946 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.644/01
CJIB-nummer
: 240439037
Uitspraak d.d.
: 19 april 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 april 2023. Namens de gemachtigde van de betrokkene is J. Houweling verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”, welke gedraging zou zijn verricht op
1 april 2021 om 16.54 uur op de Papaverweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat een onjuiste feitcode is toegepast. Gelet op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) prevaleert de bijzondere norm boven de algemene norm (zie ECLI:NL:GHARL:2017:6066). Zoals blijkt uit zijn brief aan de ambtenaar met een verzoek om aanvullende informatie, is de officier van justitie deze mening ook toegedaan, aldus de gemachtigde. In het onderhavige geval had dan ook gebruik moeten worden gemaakt van feitcode R397a, omdat het voertuig van de betrokkene binnen vijf meter van het kruispunt stond geparkeerd. Voor de berekening van deze vijf meter verwijst de gemachtigde naar een arrest van het hof van 4 april 2019 (ECLI:NL:GHARL:2018:3159) en naar een door hem ingebrachte print van Google Street View van de situatie ter plaatse. Ook zou toepassing kunnen worden gegeven aan feitcodes R396d of R584. Voor wat betreft feitcode R584 verwijst de gemachtigde naar een afbeelding afkomstig van Google Street View. Hierop is te zien dat sprake is van een E1 bord. De kantonrechter heeft deze grond (vrijwel) onbesproken gelaten.
3. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dat luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond dat het zicht voor het verkeer werd dan wel kon worden geblokkeerd. De situatie was als volgt: ik zag dat het bovengenoemde voertuig stond geparkeerd. Ik zag dat andere automobilisten moeite hadden om hun weg te vervolgen. Ik zag dat de automobilisten een grote bocht moesten maken om hun weg te vervolgen.”
6. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juni 2021, waarin de ambtenaar, voor zover relevant, het volgende verklaart:
“Ik, verbalisant, zag dat het voertuig verder dan vijf meter van het kruispunt stond geparkeerd. Ik, verbalisant, heb voor feitcode R395 gekozen, omdat er geen andere feitcode paste bij deze overtreding. Ik, verbalisant, zag duidelijk dat er hinder door het voertuig werd veroorzaakt (…)
Ik, verbalisant, voeg naast mijn aanvullend verbaal een aantal foto’s van de situatie bij, zodat u kunt bepalen of de overtreding die is gepleegd terecht is.”
7. Op de door de ambtenaar en de advocaat-generaal ingebrachte foto’s van de gedraging is te zien dat het voertuig van de betrokkene staat geparkeerd in een bocht naast het trottoir. Deze bocht gaat over in een kruispunt. Ook is te zien dat tussen het kruispunt en de bocht een zebrapad ligt.
8. Gelet op de verklaring van de ambtenaar en de foto's in het dossier staat naar het oordeel van het hof vast dat het voertuig van de betrokkene op dusdanige wijze stond geparkeerd dat hinder werd veroorzaakt. De hinder bestond eruit dat de doorgang van het verkeer werd belemmerd, doordat het voertuig van de betrokkene op dusdanige wijze geparkeerd stond dat andere automobilisten moeite hadden om hun weg te vervolgen. De gemachtigde heeft dit in hoger beroep niet (meer) ontkend. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode R395 is verricht.
9. Het hof kan de gemachtigde niet volgen in zijn stelling dat de voor de geconstateerde gedraging andere, meer bijzondere, feitcodes (R397a, R396d of R584) van toepassing zijn. Daartoe neemt het hof achtereenvolgens in aanmerking dat de ambtenaar heeft verklaard dat het voertuig van de betrokkene verder dan vijf meter van het kruispunt stond geparkeerd, dat op basis van de foto's is vast te stellen dat de afstand tussen het achterwiel van het voertuig van de betrokkene en het startpunt van de eerste streep van het zebrapad ongeveer 5,7 meter bedraagt (tussen de trottoirkolk en het begin van het zebrapad bevinden zich 19 trottoirtegels van 30 centimeter) en dat de door de gemachtigde overgelegde foto met het bord E1 niet ziet op de onderhavige pleeglocatie.
10. Uit het voorgaande volgt dat de ambtenaar terecht een sanctie heeft opgelegd voor de gedraging "handelen in strijd met artikel 5 van de WVW 1994."
11. De gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.644/01
CJIB-nummer
: 240439037
Uitspraak d.d.
: 19 april 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 april 2023. Namens de gemachtigde van de betrokkene is J. Houweling verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”, welke gedraging zou zijn verricht op
1 april 2021 om 16.54 uur op de Papaverweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat een onjuiste feitcode is toegepast. Gelet op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) prevaleert de bijzondere norm boven de algemene norm (zie ECLI:NL:GHARL:2017:6066). Zoals blijkt uit zijn brief aan de ambtenaar met een verzoek om aanvullende informatie, is de officier van justitie deze mening ook toegedaan, aldus de gemachtigde. In het onderhavige geval had dan ook gebruik moeten worden gemaakt van feitcode R397a, omdat het voertuig van de betrokkene binnen vijf meter van het kruispunt stond geparkeerd. Voor de berekening van deze vijf meter verwijst de gemachtigde naar een arrest van het hof van 4 april 2019 (ECLI:NL:GHARL:2018:3159) en naar een door hem ingebrachte print van Google Street View van de situatie ter plaatse. Ook zou toepassing kunnen worden gegeven aan feitcodes R396d of R584. Voor wat betreft feitcode R584 verwijst de gemachtigde naar een afbeelding afkomstig van Google Street View. Hierop is te zien dat sprake is van een E1 bord. De kantonrechter heeft deze grond (vrijwel) onbesproken gelaten.
3. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dat luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond dat het zicht voor het verkeer werd dan wel kon worden geblokkeerd. De situatie was als volgt: ik zag dat het bovengenoemde voertuig stond geparkeerd. Ik zag dat andere automobilisten moeite hadden om hun weg te vervolgen. Ik zag dat de automobilisten een grote bocht moesten maken om hun weg te vervolgen.”
6. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juni 2021, waarin de ambtenaar, voor zover relevant, het volgende verklaart:
“Ik, verbalisant, zag dat het voertuig verder dan vijf meter van het kruispunt stond geparkeerd. Ik, verbalisant, heb voor feitcode R395 gekozen, omdat er geen andere feitcode paste bij deze overtreding. Ik, verbalisant, zag duidelijk dat er hinder door het voertuig werd veroorzaakt (…)
Ik, verbalisant, voeg naast mijn aanvullend verbaal een aantal foto’s van de situatie bij, zodat u kunt bepalen of de overtreding die is gepleegd terecht is.”
7. Op de door de ambtenaar en de advocaat-generaal ingebrachte foto’s van de gedraging is te zien dat het voertuig van de betrokkene staat geparkeerd in een bocht naast het trottoir. Deze bocht gaat over in een kruispunt. Ook is te zien dat tussen het kruispunt en de bocht een zebrapad ligt.
8. Gelet op de verklaring van de ambtenaar en de foto's in het dossier staat naar het oordeel van het hof vast dat het voertuig van de betrokkene op dusdanige wijze stond geparkeerd dat hinder werd veroorzaakt. De hinder bestond eruit dat de doorgang van het verkeer werd belemmerd, doordat het voertuig van de betrokkene op dusdanige wijze geparkeerd stond dat andere automobilisten moeite hadden om hun weg te vervolgen. De gemachtigde heeft dit in hoger beroep niet (meer) ontkend. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode R395 is verricht.
9. Het hof kan de gemachtigde niet volgen in zijn stelling dat de voor de geconstateerde gedraging andere, meer bijzondere, feitcodes (R397a, R396d of R584) van toepassing zijn. Daartoe neemt het hof achtereenvolgens in aanmerking dat de ambtenaar heeft verklaard dat het voertuig van de betrokkene verder dan vijf meter van het kruispunt stond geparkeerd, dat op basis van de foto's is vast te stellen dat de afstand tussen het achterwiel van het voertuig van de betrokkene en het startpunt van de eerste streep van het zebrapad ongeveer 5,7 meter bedraagt (tussen de trottoirkolk en het begin van het zebrapad bevinden zich 19 trottoirtegels van 30 centimeter) en dat de door de gemachtigde overgelegde foto met het bord E1 niet ziet op de onderhavige pleeglocatie.
10. Uit het voorgaande volgt dat de ambtenaar terecht een sanctie heeft opgelegd voor de gedraging "handelen in strijd met artikel 5 van de WVW 1994."
11. De gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.