Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-02-07
ECLI:NL:GHARL:2023:1099
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,497 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.310.936/01
CJIB-nummer
: 242699052
Uitspraak d.d.
: 7 februari 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 12 april 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juli 2021 om 21:17 uur op de Drie Merenweg (N205) in Vijfhuizen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. De ambtenaar heeft onvoldoende gerelateerd om de gedraging te kunnen vaststellen. Bovendien dient de ambtenaar bij een conflicterende rijrichting nader technisch onderzoek te doen naar de verkeerinstallatie. Dat is hier niet gebeurd. De gemachtigde verwijst hierbij op het arrest van het hof van 15 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5337.
3. Het zaakoverzicht bevat een verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Uit deze verklaring volgt dat de ambtenaar rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht dat voor de bestuurder van voormeld voertuig gold. De gemachtigde heeft niets aangevoerd dat aanleiding geeft om hieraan te twijfelen. De situatie die ten grondslag ligt aan het arrest waar de gemachtigde naar verwijst, doet zich hier dus niet voor. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
4. Voorts voert de gemachtigde aan dat een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Uit het zaakoverzicht blijkt immers dat de ambtenaar de bestuurder kennelijk met een handgebaar tot stoppen heeft gemaand. Bovendien blijkt uit het zaakoverzicht dat de ambtenaar de bestuurder van het voertuig heeft herkend aan zijn RDW-foto, zodat diens identiteit volstrekt helder was.
5. Artikel 5 van de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister was ingeschreven.
6. De ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd heeft in het zaakoverzicht als “reden geen staandehouding” opgegeven: “In burger en geen politielegitimatiebewijs bij mij om te tonen, tevens gevaarlijke weg om te stoppen.”
7. Daarnaast heeft de ambtenaar verklaard: “Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was de betrokken bestuurder [naam1] , geboren [in] 1988 en woonachtig in [plaats1] . Ik herkende deze persoon aan de hand van de rijbewijsfoto. Rdw-bevraging bijgevoegd. Betrokken persoon betreft een relatie van de tenaamgestelde welke als relatie van de tenaamgestelde van het voertuig voorkomt in de politiesystemen. Betrokken bestuurder van dichtbij gezien toen hij stopte op genoemde autoweg. Bestuurder stopte nadat ik het betrokken kenteken had gezien en een gebaar met mijn vingers maakte dat betaald moest worden. De stopplaats op de autoweg was gevaarlijk en ik had ook geen politielegitimatie bij me, terwijl ik niet in uniform gekleed was en op een burgermotor reed. Derhalve heb ik mijn weg vervolgd zonder staandehouding.”
8. Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van de ambtenaar genoegzaam inhouden dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het betreffende voertuig heeft voorgedaan. Voorts blijkt uit deze verklaringen dat de ambtenaar later heeft geprobeerd om anders dan door staandehouding, namelijk via een RDW-bevraging en raadpleging van de politiesystemen, de identiteit van de bestuurder vast te stellen. Dat is echter niet “aanstonds” gelukt, vgl. het arrest van het hof van 1 september 2022, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:7565. Aldus is de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.
9. De gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.