Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-21
ECLI:NL:GHARL:2023:10861
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,858 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.327.881
(zaaknummer rechtbank Overijssel 290035)
beschikking van 21 december 2023
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. B.A.M. Oude Breuil te Enschede,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de dochter,
advocaat: mr. L.L. van Dijk te Enschede.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 3 maart 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 juni 2023;
het verweerschrift met producties;
een journaalbericht van mr. Van Dijk van 3 november 2023 met producties;
een journaalbericht van mr. Oude Breuil van 4 november 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2023 plaatsgevonden.
Verschenen zijn:
- de advocaat van de man;
- de dochter en haar advocaat.
Feiten
De man en mevrouw [naam1] zijn de ouders van de dochter, geboren [in] 2002 te [woonplaats1] . De relatie tussen de ouders is in 2004 geëindigd.
Geschil
4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 22 april 2022 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie (verder ook: alimentatie) een bedrag van € 1.186,- per maand aan de dochter moet voldoen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De man is het niet eens met de vaststelling van de alimentatie voor de dochter en komt hiervan in hoger beroep.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – primair het verzoek van de dochter om alimentatie af te wijzen. Subsidiair verzoekt hij met ingang van de datum van betekening van de bestreden beschikking, dan wel met ingang van de datum van de bestreden beschikking, dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoek van de dochter in eerste aanleg, een alimentatie voor de dochter vast te stellen die lager is dan € 1.186,- per maand, kosten rechtens.
4.4
De dochter voert verweer en vraagt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Overwegingen
ingangsdatum
5.1
De man is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. Hij stelt dat hij pas van de procedure over de alimentatie voor de dochter op de hoogte is geraakt op de dag dat de bestreden beschikking aan hem werd betekend.
De dochter voert hiertegen verweer.
5.2
Indien de rechter een onderhoudsbijdrage vaststelt of een bestaande bijdrage wijzigt, geldt als hoofdregel dat de (nieuwe) bijdrage ingaat vanaf de datum van de beslissing. De rechter kan een eerdere ingangsdatum vaststellen, maar dan dient hij zich – ambtshalve – rekenschap te geven van de gevolgen daarvan.
Vast staat dat de advocaat van de dochter de man met een aangetekende brief van 22 april 2022 heeft verzocht om financiële stukken te verstrekken om op basis daarvan te kunnen berekenen of en met welk bedrag de man alimentatie voor de dochter zou moeten betalen. De man heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. De man was verder ook niet op de hoogte van de (financiële) situatie van de dochter.
Vervolgens heeft de dochter een periode getwijfeld of zij een procedure tegen haar vader wilde beginnen en niets ondernomen. Op 23 december 2022 heeft de dochter alsnog een verzoekschrift tot vaststelling van alimentatie bij de rechtbank ingediend. Het hof is van oordeel dat de man vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift (pas) rekening heeft kunnen en moeten houden met een gerechtelijke vaststelling van alimentatie. Tot 23 december 2022 was er nog teveel onduidelijkheid. Daarom moet de man per 23 december 2022 een bijdrage betalen.
behoefte
5.3
Het hof zal bij het vaststellen van de behoefte van de dochter de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen als uitgangspunt nemen.
5.4
De man voert aan dat uit de stukken niet blijkt dat de dochter daadwerkelijk een MBO-opleiding volgt en dat de dochter onvoldoende stukken ter onderbouwing van haar situatie heeft overgelegd. Ook blijkt niet met welk deel de moeder van de dochter kan bijdragen in de kosten van de dochter.
De dochter voert hiertegen verweer.
5.5
Het hof is van oordeel dat de dochter voldoende nader heeft onderbouwd dat zij de afgelopen jaren een MBO-opleiding heeft gevolgd en dat zij dat nu nog steeds doet. Zij heeft stukken ter onderbouwing overgelegd en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een uitgebreide toelichting gegeven over haar opleiding.
5.5
De man stelt dat voor de bepaling van de behoefte van de dochter uitgegaan moet worden van de WSF-norm (Wet Studiefinanciering). De dochter heeft voor het bepalen van de hoogte van haar behoefte een uitgavenlijst overgelegd. Zij heeft, op basis van informatie van het Nibud, berekend dat haar behoefte na vermindering met de zorg- en huurtoeslag € 1.186,- per maand bedraagt. Zij refereert zich aan het oordeel van het hof wat betreft de stelling van de man dat uitgegaan moet worden van de WSF-norm.
Het hof ziet in de stukken van de dochter en de stellingen van partijen geen aanleiding om af te wijken van de gangbare methode om aansluiting te zoeken bij de WSF-norm. De WSF-norm voor een uitwonende MBO-student bedraagt in de tweede helft van 2022 volgens de tabel normbedragen jongmeerderjarigen voor levensonderhoud en les- en collegegelden € 869,31 per maand.
5.6
De man stelt dat rekening moet worden gehouden met de eigen inkomsten van de dochter en dat de dochter te weinig financiële gegevens heeft overgelegd over haar inkomsten en haar algehele situatie.
De dochter betwist dit en is van mening dat met haar eigen inkomsten geen rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de hoogte van haar behoefte. Zij zag zich genoodzaakt om inkomsten te verwerven omdat haar vader niet wilde bijdragen in haar kosten, terwijl zij geen recht had op een aanvullende studiebeurs vanwege de hoogte van het inkomen van haar vader. De dochter heeft toegelicht dat haar inkomsten uit werkzaamheden bij een autoschadeherstelbedrijf aanvankelijk € 333,- netto per maand hebben bedragen. Omdat zij deze werkzaamheden niet meer goed kon combineren met haar opleiding is zij hiermee per maart/april 2023 gestopt. In augustus 2023 is zij begonnen met het verrichten van werkzaamheden bij een autopoetsbedrijf . Haar inkomsten hieruit bedragen volgens de dochter maximaal € 150,- netto per maand.
5.7
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:395a BW, geldt de onderhoudsplicht van ouders jegens hun jongmeerderjarige kinderen ongeacht hun behoeftigheid. Aan jongmeerderjarige kinderen (in de leeftijd van achttien tot eenentwintig jaar) kan, met andere woorden, niet de eis worden gesteld dat zij in hun eigen onderhoud dienen te voorzien. Op de jongmeerderjarige rust geen verplichting om zijn of haar verdiencapaciteit te benutten. Daarnaast is er ook niet de verplichting om (bestaande) mogelijkheden, door middel van een (bij)baantje een eigen inkomen te verwerven, te benutten. Dat betekent echter niet dat eigen inkomsten van de jongmeerderjarige geen invloed kunnen hebben op de alimentatie. Deze inkomsten zijn immers wel van belang voor de omvang van de behoefte van de jongmeerderjarige aan een onderhoudsbijdrage. Volgens de richtlijnen kunnen structurele eigen inkomsten van een jongmeerderjarige de behoefte verlagen.
Het hof heeft uitsluitend financiële gegevens van de voormalige inkomsten bij het autoschadeherstelbedrijf van de dochter ontvangen. Mede gelet op het feit dat financiële stukken van de wijzigingen in het inkomen van de dochter ontbreken (omdat ze die niet heeft overgelegd), is het hof van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat de dochter is staat is om zich in redelijkheid een structureel inkomen te verwerven van (gemiddeld) € 200,- per maand. Daarom zal het hof dit bedrag in mindering brengen op de behoefte van de dochter. Er resteert dan een bedrag van € 669,31 waarin de ouders naar draagkracht dienen te voorzien.
verdeling naar draagkracht over de ouders
5.8
De vader heeft gesteld dat de dochter inzichtelijk moet maken hoeveel de moeder kan bijdragen in de behoefte van de dochter.
De dochter heeft tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven op de situatie van haar moeder en op de wijze waarop haar moeder tracht bij te dragen in haar kosten. Zij stelt dat de draagkracht van haar moeder minimaal is en moet worden gesteld op € 25,- per maand.
Namens de vader wordt dit betwist. Wanneer de dochter, zoals zij heeft verteld, regelmatig bij haar moeder gaat eten, de moeder af en toe kleding voor de dochter vergoedt of de dochter gebruik mag maken van de auto van de moeder, leidt dit al gauw tot een bedrag van circa € 100,- per maand.
Het hof stelt vast dat de dochter geen financiële gegevens van de moeder heeft overgelegd zodat het hof zich geen beeld kan vormen over de situatie en draagkracht van de moeder. Dit dient voor rekening en risico van de dochter te komen. Dat de moeder geen gegevens wil verstrekken, omdat zij niet wil dat de man hiervan kennis neemt, maakt dit niet anders.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 3 maart 2023, en, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de dochter met ingang van 23 december 2022 tot en met 31 augustus 2023 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie een bedrag van € 569,31 per maand zal betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en E. de Boer, bijgestaan door de griffier, en is op 21 december 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.