Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-21
ECLI:NL:GHARL:2023:10850
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,906 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.329.409/01
CJIB-nummer
: 236509364
Uitspraak d.d.
: 21 december 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 24 maart 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 250,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 418,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 september 2020 op de Zwaluwstraat in Tiel met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 250,-.
2. De gemachtigde van de betrokkene ontkent dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. De kantonrechter heeft overwogen dat, mede gelet op het type voertuig dat de betrokkene heeft, het aannemelijk is dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. De betrokkene kan zich hier niet in vinden, omdat een Ford Focus een zeer veelvoorkomende auto is die geen hard geluid veroorzaakt.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij verbalisanten hoorden de auto onnodig geluid veroorzaken met de uitlaat, dat hoorden wij doordat de bestuurder telkens het gas onnodig indrukte en zijn uitlaat een enorm geluid veroorzaakte. Waaronder het knetteren van de uitlaat en een enorme luide knal telkens bij het gas geven. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend.
Verklaring betrokkene: Je hebt helemaal gelijk.”
5. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaren, dat zij hebben waargenomen dat met het voertuig van de betrokkene onnodig geluid is veroorzaakt. Uit die verklaring volgt dat het onnodig geluid veroorzaken bestond uit het onnodig intrappen van het gaspedaal waardoor de uitlaat telkens een knetterend geluid maakte gevolgd door een luide knal. Het hof twijfelt er niet aan dat dit geluid met het voertuig van de betrokkene is veroorzaakt. De enkele stelling van de gemachtigde dat een Ford Focus een zeer veelvoorkomende auto is die geen hard geluid veroorzaakt, is daartoe onvoldoende. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat het voertuig van de betrokkene niet, zoals de gemachtigde wil doen voorkomen, een zeer veelvoorkomende Ford Focus is, maar een Ford CNG Technik Focus RS, een sportwagen met 350 pk. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
6. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is op 17 september 2020 door de ambtenaar staandegehouden en de kantonrechter heeft eerst op 24 maart 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Gelet hierop zal het hof het door de kantonrechter opgelegde bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van dit hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
7. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de in administratief beroep gemaakte proceskosten. Door matiging van het sanctiebedrag is de betrokkene immers in het gelijk gesteld.
8. Deze grond slaagt. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd op het punt van het sanctiebedrag. De betrokkene is daardoor in het gelijk gesteld, zoals bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit brengt mee dat aanleiding bestond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding, ook voor de fase van het administratief beroep.
9. Het hof komt tot de volgende proceskostenvergoeding in deze zaak. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift moeten drie punten worden toegekend. Voor het telefonisch horen in administratief beroep zal het hof met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast in de fase van het administratief beroep en het beroep bij de kantonrechter. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 1.075,50, namelijk (1,5 x € 597,- x 0,5) + (1 x € 837,- x 0,5) + (1 x € 837,- x 0,25).
10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.075,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.