Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-12
ECLI:NL:GHARL:2023:10570
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,321 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/999
uitspraakdatum: 12 december 2023
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 5 april 2022, nummer AWB 21/1637, in het geding tussen belanghebbende en
de directeur van Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd naar een bedrag van in totaal € 112.202, in verband met een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door [naam1] en [naam2] , alsmede [naam3] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van buitenplaats “ [naam5] ” te [woonplaats] (hierna: de buitenplaats).
2.2.
De buitenplaats is als ‘Complex historische buitenplaats’ aangewezen als rijksmonument in de zin van artikel 3 en 4 van de Monumentenwet 1988 en als zodanig opgenomen in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988. Als samenstellend onderdeel van het complex zijn het op het complex gebouwde landhuis en de historische park- en tuinaanleg op het perceel eveneens in het genoemde register opgenomen.
2.3.
Belanghebbende is voornemens de buitenplaats duurzaam te ontwikkelen. In dat kader hebben belanghebbende en de gemeente [de gemeente] meermaals overleg gepleegd en onder meer een intentieovereenkomst en een “Overeenkomst Rood voor Groen” gesloten.
2.4.
Met dagtekening 11 november 2020 heeft belanghebbende een aanvraag gedaan voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning op grond van de Wabo om (onder meer) op het terrein van de buitenplaats twee woongebouwen met appartementen te realiseren (hierna: de aanvraag). De projectkosten van de woongebouwen, exclusief omzetbelasting, worden in de aanvraag geschat op € 5.000.000.
2.5.
Op 20 april 2021 is de omgevingsvergunning door de gemeente [de gemeente] verleend.
2.6.
De aanslag leges is als volgt opgebouwd:
Leges
Belastingjaar
Aanslagbedrag
Omgevingsvergunning uitweg/inrit (LA. 2.3.9)
2020
€ 150,00
Omgevingsvergunning aanlegactiviteit (LA 2.3.2)
2020
€ 150,00
Welstandstoets (LA 2.3.1.2.1)
2020
€ 1.398,00
Omgevingsvergunning planologische Binnen- en Buiten- kl afw en tijd afw
2020
€ 225,00
Omgevingsvergunning woning (LA 2.3.1.1.1)
2020
€ 110.279,00
Totaal bedrag:
€ 112.202,00
2.7.
Op de website van de gemeente [de gemeente] staat – voor wat betreft de leges en monumenten – vermeld:
“Kosten
Monumenten zijn vrijgesteld van leges voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en activiteit monument. Voor eventuele andere activiteiten worden wel leges in rekening gebracht.”
Geschil
3.1.
In geschil is of tot een juist bedrag aan leges van belanghebbende is geheven ter zake van de aanvraag.
3.2.
Belanghebbende voert aan dat de leges ten onrechte zijn geheven voor zover zij betrekking hebben op de omgevingsvergunning woning (LA 2.3.1.1.1). Volgens belanghebbende is op dit deel van de aanvraag de vrijstelling van artikel 4, sub g van de Verordening Leges 2020 van de gemeente [de gemeente] (hierna: de Verordening) van toepassing. Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en vermindering van de nota leges met een bedrag van € 110.279 tot € 1.923.
3.3.
De heffingsambtenaar meent dat de vrijstelling niet van toepassing is en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
4.1.
Op grond van artikel 229, lid 1 sub b van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.
4.2.
In de Verordening is – voor zover relevant – het navolgende opgenomen:
“Artikel 2 Belastbaar feit
1. Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:
a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
[…]
Artikel 3 Belastingplicht
Belastingplichtige is de aanvrager van de dienst, de Nederlandse identiteitskaart of het reisdocument, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.
Artikel 4 Vrijstellingen
Leges worden niet geheven voor:
[…]
g. het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor zover die aanvraag betrekking heeft op bouwactiviteiten met betrekking tot een monument dat is opgenomen in het monumentenregister zoals bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, dan wel een zaak of terrein waaromtrent de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ingevolge artikel 3 van deze wet het voornemen tot opname in het hiervoor genoemde monumentenregister heeft kenbaar gemaakt, dan wel een zaak die of een terrein dat is opgenomen in de gemeentelijke monumentenlijst zoals bedoeld in artikel 7 van de Erfgoedverordening 2010;
[…]”
4.3.
Belanghebbende stelt dat de vrijstelling van toepassing is op de aanvraag voor zover die ziet op het plaatsen van de twee woongebouwen op het terrein van de buitenplaats, omdat dit bouwactiviteiten met betrekking tot een monument betreft als bedoeld in artikel 4, onderdeel g, van de Verordening. De heffingsambtenaar betwist niet dat voorzien is dat de woongebouwen op het als monument aangemerkte terrein van de buitenplaats worden geplaatst. Volgens de heffingsambtenaar is echter geen sprake van bouwactiviteiten ‘met betrekking tot een monument’, omdat de bouwactiviteiten niet leiden tot de verbouwing of stichting van een monument in de hiervoor bedoelde zin. Hieruit volgt dat de vrijstelling niet van toepassing is op de aanvraag van belanghebbende, aldus de heffingsambtenaar.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof is de hiervoor genoemde vrijstelling van toepassing op de aanvraag, voor zover die betrekking heeft op de nieuw te bouwen woongebouwen op het terrein van de buitenplaats. Het Hof overweegt daartoe als volgt.
4.5.
In de tekst van artikel 4, onderdeel g, van de Verordening valt te lezen dat de vrijstelling van toepassing is op bouwactiviteiten met betrekking tot een monument, zonder nader te specificeren om wat voor soort bouwactiviteiten het moet gaan. Anders dan de heffingsambtenaar aanvoert, valt in de woorden ‘met betrekking tot’ niet te lezen dat het moet gaan om het verbouwen van een reeds gebouwd monument. Een dergelijke uitleg verhoudt zich niet met de tekst van de vrijstelling waarin ook is bepaald dat de bouwactiviteiten betrekking kunnen hebben op een ‘terrein’, hetgeen per definitie geen gebouwde zaak betreft. Evenmin kan daarin worden gelezen dat, voor zover de bouwactiviteiten bestaan uit het plaatsen of geheel oprichten van een bouwwerk, aan toepassing van de vrijstelling de voorwaarde wordt verbonden dat het bouwwerk in de toekomst wordt opgenomen in het monumentenregister zoals bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988. Of, en zo ja, een nog te plaatsen of op te richten bouwwerk in dat register zal worden opgenomen valt ten tijde van de aanvraag immers niet te bepalen. Het Hof komt daarmee tot het oordeel dat de legesvrijstelling van artikel 4, onderdeel g, van de Verordening van toepassing is op de aanvraag van belanghebbende tot het verrichten van bouwactiviteiten op de buitenplaats. De aanslag voor de leges wordt dus met € 110.279 verminderd tot € 1.923.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– vermindert de aanslag leges tot € 1.923,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 49 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 136 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (T.H.J. Verhagen)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 13 december 2023.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.