Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-05
ECLI:NL:GHARL:2023:10326
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,343 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.330.085
(zaaknummer rechtbank Gelderland 414858)
beschikking van 5 december 2023
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K.R. Koopman te Zeist,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,
en
de gecertificeerde instellingstichting Jeugdbescherming Gelderland Regio Midden,
gevestigd te Doetinchem,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de vader,
en
[de gezinsouders]
,
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: de gezinsouders van [de minderjarige2] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 4 mei 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 21 juli 2023;
- het verweerschrift van de raad;
- een journaalbericht van mr. Koopman van 7 augustus 2023 met producties.
2.2
De hierna nader te noemen [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld haar mening over het verzoek kenbaar te maken, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2023 plaatsgevonden, tegelijk met de mondelinge behandeling in de zaak met nummer 200.330.086. De moeder was aanwezig met haar advocaat. Van de raad en de GI waren vertegenwoordigers aanwezig. De vader en de gezinsouders waren – met kennisgeving aan het hof – niet aanwezig.
Feiten
3.1
De moeder en de vader (hierna ook gezamenlijk: de ouders), die [in] 2022 met elkaar zijn getrouwd, zijn de ouders van
- [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2011,
en
- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2013.
De moeder heeft nog een kind uit een eerdere relatie, [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2008 in [woonplaats2] .
3.2
Bij beschikking van 24 september 2020 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, de drie kinderen onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De termijnen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn steeds verlengd, de laatste keer tot 24 september 2023.
3.3
[de minderjarige1] verblijft in een woongroep van Stichting [naam1] in
[plaats1] en [de minderjarige2] verblijft in een gezinshuis van [naam2] in [woonplaats3] . [de minderjarige3] verblijft in gezinshuis [naam3] in [plaats2] .
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd, met benoeming van de GI tot voogd.
4.2
De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grieven beoogt zij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof, primair, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad (alsnog) af te wijzen en, subsidiair, het verzoek tot contra-expertise op grond van artikel 810a lid 2 Rv toe te wijzen.
4.3
De raad voert verweer en vraagt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de moeder af te wijzen.
4.4
Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter het gezag van een ouder onder andere beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.3
Uit de stukken blijkt dat het de ouders al gedurende het hele leven van de kinderen niet is gelukt om hen stabiliteit en veiligheid te bieden. Dit vormde ook de grond voor de ondertoezichtstelling(en) en de uithuisplaatsingen. De moeder geeft ook toe dat zij in het verleden niet altijd beschikbaar is geweest voor de kinderen, maar zij zegt dat zij stappen heeft gezet om haar leven op orde te krijgen. Zo heeft zij nu een eigen woning, gebruikt zij geen drugs en werkt zij mee aan hulpverlening en urinecontroles. Zij heeft het hof ter zitting ook eerlijk verteld dat het met haar nog steeds ‘op en af’ gaat en dat zij baat heeft bij de hulp die haar wordt geboden.
5.4
Anders dan de moeder vindt het hof dat de problematiek van de moeder en de noodzakelijke hulpverlening voor haar in de weg staat aan het behoud van het gezag over de kinderen. Op grond van alle informatie is voldoende duidelijk geworden dat de moeder ondanks haar inzet niet in staat is om binnen een voor de kinderen ‘aanvaardbare termijn’ de verzorging en opvoeding te bieden die de kinderen nodig hebben. De kinderen zijn opgegroeid in een onrustige en onveilige situatie, mede veroorzaakt door ruzies en huiselijk geweld thuis. De moeder was regelmatig niet voor hen beschikbaar als gevolg van drugsverslaving of detentie. Sinds de uithuisplaatsing ervaren de kinderen een zekere mate van rust en ontwikkelen zij zich weer; de ingezette hulpverlening heeft, naar het hof heeft gehoord, positieve effecten op de kinderen. [de minderjarige2] ontwikkelt zich goed op haar (perspectiefbiedende) woonplek. [de minderjarige1] verblijft in een 24-uurswoonvoorziening, maar heeft de wens om naar een gezinshuis te verhuizen en de mogelijkheden daarvoor worden onderzocht. De kinderen hebben na al die jaren ook behoefte aan duidelijkheid over waar zij zullen opgroeien. De moeder heeft verschillende kansen gehad om haar leven op orde te krijgen en van daaruit te kijken naar perspectieven om de kinderen weer thuis te laten wonen, maar zij is niet betrouwbaar genoeg gebleken in haar keuzes, met als gevolg dat de veiligheid van de kinderen in gevaar is gekomen en het vertrouwen van de kinderen in haar is aangetast. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom geen passende maatregelen meer voor de kinderen.
5.5
Dat neemt niet weg – zo zeggen de raad en de GI – dat de kinderen graag contact met de moeder hebben en dat de moeder ook haar best doet om de omgang met de kinderen (en [de minderjarige3] ) zo goed als voor haar mogelijk is vorm te geven. De GI heeft goed contact met de moeder en gaat onderzoeken of de huidige regeling nog passend is en of het mogelijk is dat de moeder (onder voorwaarden) op termijn onbegeleide omgang met de kinderen kan hebben.
5.6
Voor het hof staat wel vast dat de (jaarlijkse) verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid bij de kinderen zullen (gaan) opleveren over hun opvoedingsperspectief. Het belang van de kinderen bij voortzetting van hun huidige opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces weegt zwaarder dan het recht van de moeder om met het gezag belast te blijven. De kwetsbare situatie van de kinderen maakt dan ook dat hun belang zich ertegen verzet dat een onderzoek op grond artikel 810a lid 2 Rv wordt gedaan, zoals de moeder graag wil. Net als de raad vindt het hof dat de kinderen de rust en de ruimte moeten krijgen om zich verder te ontwikkelen in het pleeggezin of gezinshuis en dat nieuw onderzoek niet kan leiden tot een andere beslissing.
5.7
Op grond van wat hiervoor is overwogen, moeten de verzoeken van de moeder met betrekking tot het gezag en (nieuw) onderzoek worden afgewezen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 4 mei 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier en is 5 december 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.