Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2022-09-13
ECLI:NL:GHARL:2022:7920
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,836 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 21/00900 tot en met 21/00903
uitspraakdatum: 13 september 2022
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbenden] te [woonplaats] (hierna: belanghebbenden)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juni 2021, nummers AWB 20/5442, AWB 20/5443, AWB 20/5445 en AWB 20/5446, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Over de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 zijn navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. J.A. van Caspel, als de gemachtigde van belanghebbenden, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Feiten
2.1.
[de erflater] (hierna: erflater) is [in] 2019 overleden. Hij was directeur en enig aandeelhouder van [naam3] B.V. (hierna: de BV). De BV had de verplichting om jaarlijks aan erflater een ouderdomspensioen uit te keren. Erflater had recht op een pensioenuitkering van € 64.698 per jaar tot 1 september 2015 en € 86.264 per jaar vanaf 1 september 2015.
2.2.
Over de jaren tot en met 2014 (met uitzondering van 2013) heeft erflater pensioeninkomsten aangegeven in zijn aangiften IB/PVV.
2.3.
In de jaren 2013, 2015, 2016 en 2018 heeft erflater geen pensioeninkomsten in zijn aangiften IB/PVV opgenomen.
2.4.
In het jaar 2017 heeft erflater € 64.698 aan pensioeninkomsten aangegeven in zijn aangifte IB/PVV. Erflater had in dat jaar recht op een pensioenuitkering van € 86.264.
2.5.
In het jaarverslag van de BV is in de jaren 2015 tot en met 2018 een schuld op de balans opgenomen ter zake van de over de jaren 2013, 2015, 2016 en 2018 nog verschuldigde pensioenuitkeringen en de daarover af te dragen loonheffingen. Dit jaarverslag maakte geen deel uit van de door de BV ingediende aangiften vennootschapsbelasting. De BV heeft in de onderhavige jaren, met uitzondering van 2017, nihil aangiften loonheffingen ingediend. De BV heeft voor het jaar 2017 een bedrag van € 19.365 aan loonheffingen ingehouden en afgedragen.
2.6.
De bezittingen van de BV bestaan voornamelijk uit deelnemingen in andere bedrijven en een vordering op erflater. Deze vordering op erflater heeft in de periode 2014 tot en met 2018 het volgende verloop gehad: € 2.448.171 per 31 december 2014, € 2.355.579 per 31 december 2015, € 2.313.956 per 31 december 2016, € 2.653.988 per 31 december 2017 en € 2.665.382 per 31 december 2018.
2.7.
De aanslagen IB/PVV 2015, 2016 en 2017 zijn op respectievelijk 12 april 2019, 20 april 2019 en 22 juni 2019 aan respectievelijk erflater en belanghebbenden opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften IB/PVV. Deze aanslagen zijn berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van respectievelijk € 7.766 (2015), € 7.834 (2016) en € 69.794 (2017).
2.8.
Met dagtekening 18 september 2019 heeft de gemachtigde namens belanghebbenden een brief naar de Inspecteur verstuurd. Op basis van de in deze brief verstrekte informatie heeft de Inspecteur geconcludeerd dat het pensioen waarop erflater recht had in de jaren 2015 tot en met 2018 ten onrechte niet of niet volledig was aangegeven in de aangiften IB/PVV van erflater. Met dagtekening 14 oktober 2019 heeft de Inspecteur vragen gesteld aan belanghebbenden over het mogelijk niet of niet geheel uitkeren van de verschuldigde pensioenen in onder meer de periode 2013 tot en met 2018.
2.9.
De aanslag IB/PVV 2018 is op 23 januari 2020 aan belanghebbenden opgelegd overeenkomstig de door hen ingediende aangifte. Deze aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.067 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.397.
2.10.
Op 5 maart 2020 heeft de Inspecteur zijn voornemen bekendgemaakt om aan belanghebbenden over de jaren 2015 tot en met 2018 navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen.
2.11.
De navorderingsaanslagen IB/PVV zijn op respectievelijk 3 juni 2020 (2017) en 9 juni 2020 (2015, 2016 en 2018) aan belanghebbenden opgelegd. In deze navorderingsaanslagen zijn de onder 2.1 genoemde pensioenrechten van erflater van respectievelijk € 71.886 (2015, te weten 8/12 maal € 64.698 plus 4/12 maal € 86.264), € 86.264 (2016), € 21.566 (2017, te weten € 86.264 minus € 64.698) en € 86.264 (2018) begrepen.
Geschil
3.1.
In geschil is of de navorderingsaanslagen over de jaren 2015 tot en met 2018 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. In het bijzonder is in geschil of:
i) sprake is van een nieuw feit voor de jaren 2015 tot en met 2017; en
ii) erflater in de jaren 2015 tot en met 2018 pensioeninkomsten heeft genoten.
3.2.
Belanghebbenden beantwoorden bovenstaande vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur bevoegd was om op grond van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2018 aan belanghebbenden op te leggen. Voorts is niet in geschil dat de BV feitelijk geen (2015, 2016 en 2018) dan wel geen volledige (2017) betaling van de pensioenuitkeringen aan erflater heeft gedaan en dat deze pensioenuitkeringen in de onderhavige jaren vorderbaar waren.
Overwegingen
Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?
4.1.
Belanghebbenden hebben aangevoerd dat voor de jaren 2015, 2016 en 2017 geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de AWR. De Inspecteur wist bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2015 tot en met 2017, dat erflater directeur-grootaandeelhouder was van de BV en dat erflater pensioeninkomsten van die BV had ontvangen. De Inspecteur had nader onderzoek moeten instellen in het vennootschapsbelastingdossiers van de BV, nadat erflater vanaf 2015 was gestopt met het aangeven van pensioeninkomsten in zijn aangiften IB/PVV.
4.2.
Artikel 16, eerste lid, van de AWR bepaalt dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
4.3.
De inspecteur dient bij het opleggen van een aanslag steeds kennis te nemen van de hem ter beschikking staande informatie. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is de inspecteur tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het IB/PVV-dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. Slechts als daartoe een bijzondere aanleiding bestaat, dient de Inspecteur gegevens die primair op andere belastingen betrekkingen hebben aan het IB/PVV-dossier toe te voegen.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof beschikte de inspecteur voor de jaren 2015, 2016 en 2017 over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De aangiften IB/PVV over de desbetreffende jaren gaven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid daarvan, omdat een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de gegevens in die aangiften juist waren. De enkele omstandigheid dat erflater in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2015, 2016 en 2017 in tegenstelling tot voorgaande jaren geen dan wel minder pensioeninkomsten had verantwoord hoefde redelijkerwijs geen aanleiding te geven tot het stellen van vragen of het doen van onderzoek in dossiers van andere belastingplichtigen, dus ook niet het vennootschapsbelastingdossier van de BV. Evenmin is van bijzondere omstandigheden gebleken welke voor de Inspecteur aanleiding hadden moeten zijn om het ontbreken van pensioeninkomsten in de betreffende aangiften op te merken. Gelet hierop, kan niet worden gezegd dat de Inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslagen over de jaren 2015, 2016 en 2017 bekend had kunnen zijn met de door erflater genoten (meer) pensioeninkomsten vanuit de BV. De aanslagen die overeenkomstig de aangiften voor deze jaren zijn vastgesteld, zijn opgelegd voordat de Inspecteur kennis had kunnen nemen van de inhoud van de onder 2.8 van deze uitspraak bedoelde brief van de gemachtigde. Naar het oordeel van het Hof, vormt de inhoud van deze brief dan ook een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Heeft erflater pensioeninkomsten genoten?
4.5.
Belanghebbenden hebben verder aangevoerd dat erflater in 2015 tot en met 2018 geen pensioeninkomsten heeft genoten als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001. De pensioenuitkeringen kunnen niet worden verrekend met de vordering die erflater in de onderhavige jaren op de BV had, gelet op het bepaalde in artikel 7:632 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Bovendien is de Inspecteur gebonden aan de nadere afspraken die erflater en de BV jaarlijks maakten bij het opstellen van de jaarrekening nadat de liquiditeitspositie van de BV ontoereikend was gebleken voor de uitbetaling van de pensioenuitkeringen aan erflater. De Inspecteur was aan deze afspraken gebonden, omdat deze afspraken in de – tevens voor derden kenbare – boekhouding van de BV waren verwerkt.
4.6.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de pensioentermijnen in de onderhavige jaren vorderbaar en inbaar waren als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001, omdat deze termijnen middels verrekening konden worden genoten. De pensioenuitkeringen konden worden verrekend met de schuld die erflater in de onderhavige jaren aan de BV had.
4.7.
In artikel 3.146 van de Wet IB 2001 is bepaald op welk tijdstip bepaalde bestanddelen van het inkomen uit werk en woning, waaronder pensioeninkomsten, worden genoten. Als genietingsmomenten noemt artikel 3.146 van de Wet IB 2001 het tijdstip waarop de desbetreffende inkomensbestanddelen zijn ontvangen, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden. Een bedrag is vorderbaar, wanneer een recht op dadelijke betaling bestaat, zodanig dat het betreffende bedrag met vrucht in rechte kan worden opgevorderd. Van een inbaar bedrag is sprake indien, als de schuldeiser dat zal verzoeken, zonder vertraging betaling door de schuldenaar zal plaatsvinden. Wanneer een door de vennootschap verschuldigde pensioenuitkering verrekend kan worden met een rekening-courantschuld van de belanghebbende aan de vennootschap, is die pensioenuitkering naast vorderbaar ook inbaar.
4.8.
Het Hof stelt voorop dat partijen desgevraagd hebben verklaard dat niet in geschil is dat de pensioenuitkeringen in de onderhavige jaren vorderbaar waren als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001, waardoor slechts de vraag dient te worden beantwoord of deze pensioenuitkeringen inbaar waren. Naar het oordeel van het Hof heeft erflater in 2015 tot en met 2018 pensioeninkomsten genoten als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001. De door de BV verschuldigde pensioenuitkeringen kon erflater in de onderhavige jaren immers verrekenen met zijn rekening-courantschuld aan de BV, zodat die pensioenuitkeringen inbaar waren. Anders dan belanghebbende verdedigt gaat het erom dat erflater, als schuldenaar van de rekening-courantschuld, deze schuld (gedeeltelijk) kan verrekenen met zijn vordering tot uitbetaling van de pensioentermijnen en zo inning van de pensioentermijnen kan bewerkstelligen.
4.9.
Hetgeen belanghebbenden hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De regeling van artikel 7:632 van het BW doorkruist in het onderhavige geval artikel 3.146 van de Wet IB 2001 niet. Het in het artikel 7:632 van het BW geregelde verbod tot verrekening van bedragen door een werkgever met loon van een werknemer, geldt slechts voor de verrekening met loon. Een pensioenuitkering vormt weliswaar loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, maar is geen loon in civielrechtelijke zin. Daar komt nog bij dat artikel 7:632 van het BW is gericht tot de werkgever en dit artikel verrekening door de werkgever slechts onder bepaalde voorwaarden toelaat. Dit artikel is bedoeld ter bescherming van de werknemer en staat er niet aan in de weg dat een werknemer voldoening van het loon bewerkstelligt door de loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.R. Zonneveld, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter
(E.D. Postema) (L.R. Zonneveld)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 14 september 2022.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151 en HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:192.
Vgl. HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379.
Vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249.
Vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515.
Vgl. HR 16 september 1953, nr. 11.462, BNB 1953/220.
Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9910.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 21/00900 tot en met 21/00903
uitspraakdatum: 13 september 2022
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbenden] te [woonplaats] (hierna: belanghebbenden)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juni 2021, nummers AWB 20/5442, AWB 20/5443, AWB 20/5445 en AWB 20/5446, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Over de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 zijn navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. J.A. van Caspel, als de gemachtigde van belanghebbenden, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Feiten
2.1.
[de erflater] (hierna: erflater) is [in] 2019 overleden. Hij was directeur en enig aandeelhouder van [naam3] B.V. (hierna: de BV). De BV had de verplichting om jaarlijks aan erflater een ouderdomspensioen uit te keren. Erflater had recht op een pensioenuitkering van € 64.698 per jaar tot 1 september 2015 en € 86.264 per jaar vanaf 1 september 2015.
2.2.
Over de jaren tot en met 2014 (met uitzondering van 2013) heeft erflater pensioeninkomsten aangegeven in zijn aangiften IB/PVV.
2.3.
In de jaren 2013, 2015, 2016 en 2018 heeft erflater geen pensioeninkomsten in zijn aangiften IB/PVV opgenomen.
2.4.
In het jaar 2017 heeft erflater € 64.698 aan pensioeninkomsten aangegeven in zijn aangifte IB/PVV. Erflater had in dat jaar recht op een pensioenuitkering van € 86.264.
2.5.
In het jaarverslag van de BV is in de jaren 2015 tot en met 2018 een schuld op de balans opgenomen ter zake van de over de jaren 2013, 2015, 2016 en 2018 nog verschuldigde pensioenuitkeringen en de daarover af te dragen loonheffingen. Dit jaarverslag maakte geen deel uit van de door de BV ingediende aangiften vennootschapsbelasting. De BV heeft in de onderhavige jaren, met uitzondering van 2017, nihil aangiften loonheffingen ingediend. De BV heeft voor het jaar 2017 een bedrag van € 19.365 aan loonheffingen ingehouden en afgedragen.
2.6.
De bezittingen van de BV bestaan voornamelijk uit deelnemingen in andere bedrijven en een vordering op erflater. Deze vordering op erflater heeft in de periode 2014 tot en met 2018 het volgende verloop gehad: € 2.448.171 per 31 december 2014, € 2.355.579 per 31 december 2015, € 2.313.956 per 31 december 2016, € 2.653.988 per 31 december 2017 en € 2.665.382 per 31 december 2018.
2.7.
De aanslagen IB/PVV 2015, 2016 en 2017 zijn op respectievelijk 12 april 2019, 20 april 2019 en 22 juni 2019 aan respectievelijk erflater en belanghebbenden opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften IB/PVV. Deze aanslagen zijn berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van respectievelijk € 7.766 (2015), € 7.834 (2016) en € 69.794 (2017).
2.8.
Met dagtekening 18 september 2019 heeft de gemachtigde namens belanghebbenden een brief naar de Inspecteur verstuurd. Op basis van de in deze brief verstrekte informatie heeft de Inspecteur geconcludeerd dat het pensioen waarop erflater recht had in de jaren 2015 tot en met 2018 ten onrechte niet of niet volledig was aangegeven in de aangiften IB/PVV van erflater. Met dagtekening 14 oktober 2019 heeft de Inspecteur vragen gesteld aan belanghebbenden over het mogelijk niet of niet geheel uitkeren van de verschuldigde pensioenen in onder meer de periode 2013 tot en met 2018.
2.9.
De aanslag IB/PVV 2018 is op 23 januari 2020 aan belanghebbenden opgelegd overeenkomstig de door hen ingediende aangifte. Deze aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.067 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.397.
2.10.
Op 5 maart 2020 heeft de Inspecteur zijn voornemen bekendgemaakt om aan belanghebbenden over de jaren 2015 tot en met 2018 navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen.
2.11.
De navorderingsaanslagen IB/PVV zijn op respectievelijk 3 juni 2020 (2017) en 9 juni 2020 (2015, 2016 en 2018) aan belanghebbenden opgelegd. In deze navorderingsaanslagen zijn de onder 2.1 genoemde pensioenrechten van erflater van respectievelijk € 71.886 (2015, te weten 8/12 maal € 64.698 plus 4/12 maal € 86.264), € 86.264 (2016), € 21.566 (2017, te weten € 86.264 minus € 64.698) en € 86.264 (2018) begrepen.
Geschil
3.1.
In geschil is of de navorderingsaanslagen over de jaren 2015 tot en met 2018 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. In het bijzonder is in geschil of:
i) sprake is van een nieuw feit voor de jaren 2015 tot en met 2017; en
ii) erflater in de jaren 2015 tot en met 2018 pensioeninkomsten heeft genoten.
3.2.
Belanghebbenden beantwoorden bovenstaande vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur bevoegd was om op grond van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2018 aan belanghebbenden op te leggen. Voorts is niet in geschil dat de BV feitelijk geen (2015, 2016 en 2018) dan wel geen volledige (2017) betaling van de pensioenuitkeringen aan erflater heeft gedaan en dat deze pensioenuitkeringen in de onderhavige jaren vorderbaar waren.
Overwegingen
Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?
4.1.
Belanghebbenden hebben aangevoerd dat voor de jaren 2015, 2016 en 2017 geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de AWR. De Inspecteur wist bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2015 tot en met 2017, dat erflater directeur-grootaandeelhouder was van de BV en dat erflater pensioeninkomsten van die BV had ontvangen. De Inspecteur had nader onderzoek moeten instellen in het vennootschapsbelastingdossiers van de BV, nadat erflater vanaf 2015 was gestopt met het aangeven van pensioeninkomsten in zijn aangiften IB/PVV.
4.2.
Artikel 16, eerste lid, van de AWR bepaalt dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
4.3.
De inspecteur dient bij het opleggen van een aanslag steeds kennis te nemen van de hem ter beschikking staande informatie. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is de inspecteur tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het IB/PVV-dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. Slechts als daartoe een bijzondere aanleiding bestaat, dient de Inspecteur gegevens die primair op andere belastingen betrekkingen hebben aan het IB/PVV-dossier toe te voegen.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof beschikte de inspecteur voor de jaren 2015, 2016 en 2017 over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De aangiften IB/PVV over de desbetreffende jaren gaven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid daarvan, omdat een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de gegevens in die aangiften juist waren. De enkele omstandigheid dat erflater in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2015, 2016 en 2017 in tegenstelling tot voorgaande jaren geen dan wel minder pensioeninkomsten had verantwoord hoefde redelijkerwijs geen aanleiding te geven tot het stellen van vragen of het doen van onderzoek in dossiers van andere belastingplichtigen, dus ook niet het vennootschapsbelastingdossier van de BV. Evenmin is van bijzondere omstandigheden gebleken welke voor de Inspecteur aanleiding hadden moeten zijn om het ontbreken van pensioeninkomsten in de betreffende aangiften op te merken. Gelet hierop, kan niet worden gezegd dat de Inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslagen over de jaren 2015, 2016 en 2017 bekend had kunnen zijn met de door erflater genoten (meer) pensioeninkomsten vanuit de BV. De aanslagen die overeenkomstig de aangiften voor deze jaren zijn vastgesteld, zijn opgelegd voordat de Inspecteur kennis had kunnen nemen van de inhoud van de onder 2.8 van deze uitspraak bedoelde brief van de gemachtigde. Naar het oordeel van het Hof, vormt de inhoud van deze brief dan ook een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Heeft erflater pensioeninkomsten genoten?
4.5.
Belanghebbenden hebben verder aangevoerd dat erflater in 2015 tot en met 2018 geen pensioeninkomsten heeft genoten als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001. De pensioenuitkeringen kunnen niet worden verrekend met de vordering die erflater in de onderhavige jaren op de BV had, gelet op het bepaalde in artikel 7:632 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Bovendien is de Inspecteur gebonden aan de nadere afspraken die erflater en de BV jaarlijks maakten bij het opstellen van de jaarrekening nadat de liquiditeitspositie van de BV ontoereikend was gebleken voor de uitbetaling van de pensioenuitkeringen aan erflater. De Inspecteur was aan deze afspraken gebonden, omdat deze afspraken in de – tevens voor derden kenbare – boekhouding van de BV waren verwerkt.
4.6.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de pensioentermijnen in de onderhavige jaren vorderbaar en inbaar waren als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001, omdat deze termijnen middels verrekening konden worden genoten. De pensioenuitkeringen konden worden verrekend met de schuld die erflater in de onderhavige jaren aan de BV had.
4.7.
In artikel 3.146 van de Wet IB 2001 is bepaald op welk tijdstip bepaalde bestanddelen van het inkomen uit werk en woning, waaronder pensioeninkomsten, worden genoten. Als genietingsmomenten noemt artikel 3.146 van de Wet IB 2001 het tijdstip waarop de desbetreffende inkomensbestanddelen zijn ontvangen, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden. Een bedrag is vorderbaar, wanneer een recht op dadelijke betaling bestaat, zodanig dat het betreffende bedrag met vrucht in rechte kan worden opgevorderd. Van een inbaar bedrag is sprake indien, als de schuldeiser dat zal verzoeken, zonder vertraging betaling door de schuldenaar zal plaatsvinden. Wanneer een door de vennootschap verschuldigde pensioenuitkering verrekend kan worden met een rekening-courantschuld van de belanghebbende aan de vennootschap, is die pensioenuitkering naast vorderbaar ook inbaar.
4.8.
Het Hof stelt voorop dat partijen desgevraagd hebben verklaard dat niet in geschil is dat de pensioenuitkeringen in de onderhavige jaren vorderbaar waren als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001, waardoor slechts de vraag dient te worden beantwoord of deze pensioenuitkeringen inbaar waren. Naar het oordeel van het Hof heeft erflater in 2015 tot en met 2018 pensioeninkomsten genoten als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB 2001. De door de BV verschuldigde pensioenuitkeringen kon erflater in de onderhavige jaren immers verrekenen met zijn rekening-courantschuld aan de BV, zodat die pensioenuitkeringen inbaar waren. Anders dan belanghebbende verdedigt gaat het erom dat erflater, als schuldenaar van de rekening-courantschuld, deze schuld (gedeeltelijk) kan verrekenen met zijn vordering tot uitbetaling van de pensioentermijnen en zo inning van de pensioentermijnen kan bewerkstelligen.
4.9.
Hetgeen belanghebbenden hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De regeling van artikel 7:632 van het BW doorkruist in het onderhavige geval artikel 3.146 van de Wet IB 2001 niet. Het in het artikel 7:632 van het BW geregelde verbod tot verrekening van bedragen door een werkgever met loon van een werknemer, geldt slechts voor de verrekening met loon. Een pensioenuitkering vormt weliswaar loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, maar is geen loon in civielrechtelijke zin. Daar komt nog bij dat artikel 7:632 van het BW is gericht tot de werkgever en dit artikel verrekening door de werkgever slechts onder bepaalde voorwaarden toelaat. Dit artikel is bedoeld ter bescherming van de werknemer en staat er niet aan in de weg dat een werknemer voldoening van het loon bewerkstelligt door de loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.R. Zonneveld, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter
(E.D. Postema) (L.R. Zonneveld)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 14 september 2022.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151 en HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:192.
Vgl. HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379.
Vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249.
Vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515.
Vgl. HR 16 september 1953, nr. 11.462, BNB 1953/220.
Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9910.