Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2022-07-04
ECLI:NL:GHARL:2022:5645
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,234 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.293.319/01
CJIB-nummer
: 228455464
Uitspraak d.d.
: 4 juli 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 4 maart 2021, betreffende
[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder zich links van doorgetrokken streep bevinden (streep tussen verkeer in beide richtingen)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 september 2019 om 18:40 uur op de Anna Paulownaweg in Anna Paulowna met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert – kort samengevat – aan dat de verklaring van de ambtenaar dat er sprake was van een spoedmelding niet voldoende is om vast te stellen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Hij verwijst daartoe onder meer naar een arrest van het hof van 8 september 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:7087).
3. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond en verwijst in dit verband naar artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en artikel 2 van de Regeling optische en geluidssignalen 2009.
4. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: verbalisanten zien voertuig voorzien van kenteken [kenteken] de dubbele doorgetrokken streep in het midden van de rijbaan overschrijden en vervolgens een voertuig inhalen. (…) Reden geen staandehouding: in verband met een spoedmelding geen tijd voor een staandehouding. (…)”
6. In het administratieve beroepschrift heeft de betrokkene het volgende verklaard:
“Ik reed achter een voertuig aan dat waarschijnlijk wat problemen had want hij begon steeds minder snel te rijden en dat merkte ik op. Ik zag in de zijspiegel een politieauto met zwaailichten op ruim 1,5 kilometer afstand aan komen rijden, dus ik was ervan bewust dat er daadwerkelijk een agent was, maar de auto voor mij deed zijn gevarenlichten aan, en dat gaf mij de reden opzij te gaan en hem in te halen gezien ik gewoon mijn weg wilde vervolgen.”
7. In artikel 29, eerde lid, van het RVV 1990 is het volgende bepaald:
“Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.”
8. Artikel 2 van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 luidt:
“Er is slechts sprake van een dringende taak als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en in artikel 1, eerste lid, in geval van:
a. een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp van de betrokken hulpverleningsdiensten vergt;
b. het voorkomen van een voor mens levensbedreigende situatie of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat;
c. een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is.”
9. Uit de Brancherichtlijn Politie (versie 2018) volgt dat het gebruik van signalen uitsluitend is toegestaan na toestemming van de centralist van de meldkamer. Deze verleent slechts toestemming indien er sprake is van een dringende taak.
10. De ambtenaar voerde, zo volgt uit het relaas van de betrokkene, (in ieder geval) optische signalen. Bij een (politie)voertuig dat met een zwaailicht onderweg is mag, gelet op het bovenstaande, ervan worden uitgegaan dat er sprake is van een dringende taak, zodat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De omstandigheid dat een zwaailicht werd gevoerd onderscheidt deze situatie van de situatie(s) in de door de gemachtigde aangehaalde arresten, waaronder ECLI:NL:GHARL:2020:7087.
11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing daarom bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenvergoeding is er niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.293.319/01
CJIB-nummer
: 228455464
Uitspraak d.d.
: 4 juli 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 4 maart 2021, betreffende
[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder zich links van doorgetrokken streep bevinden (streep tussen verkeer in beide richtingen)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 september 2019 om 18:40 uur op de Anna Paulownaweg in Anna Paulowna met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert – kort samengevat – aan dat de verklaring van de ambtenaar dat er sprake was van een spoedmelding niet voldoende is om vast te stellen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Hij verwijst daartoe onder meer naar een arrest van het hof van 8 september 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:7087).
3. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond en verwijst in dit verband naar artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en artikel 2 van de Regeling optische en geluidssignalen 2009.
4. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: verbalisanten zien voertuig voorzien van kenteken [kenteken] de dubbele doorgetrokken streep in het midden van de rijbaan overschrijden en vervolgens een voertuig inhalen. (…) Reden geen staandehouding: in verband met een spoedmelding geen tijd voor een staandehouding. (…)”
6. In het administratieve beroepschrift heeft de betrokkene het volgende verklaard:
“Ik reed achter een voertuig aan dat waarschijnlijk wat problemen had want hij begon steeds minder snel te rijden en dat merkte ik op. Ik zag in de zijspiegel een politieauto met zwaailichten op ruim 1,5 kilometer afstand aan komen rijden, dus ik was ervan bewust dat er daadwerkelijk een agent was, maar de auto voor mij deed zijn gevarenlichten aan, en dat gaf mij de reden opzij te gaan en hem in te halen gezien ik gewoon mijn weg wilde vervolgen.”
7. In artikel 29, eerde lid, van het RVV 1990 is het volgende bepaald:
“Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.”
8. Artikel 2 van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 luidt:
“Er is slechts sprake van een dringende taak als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en in artikel 1, eerste lid, in geval van:
a. een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp van de betrokken hulpverleningsdiensten vergt;
b. het voorkomen van een voor mens levensbedreigende situatie of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat;
c. een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is.”
9. Uit de Brancherichtlijn Politie (versie 2018) volgt dat het gebruik van signalen uitsluitend is toegestaan na toestemming van de centralist van de meldkamer. Deze verleent slechts toestemming indien er sprake is van een dringende taak.
10. De ambtenaar voerde, zo volgt uit het relaas van de betrokkene, (in ieder geval) optische signalen. Bij een (politie)voertuig dat met een zwaailicht onderweg is mag, gelet op het bovenstaande, ervan worden uitgegaan dat er sprake is van een dringende taak, zodat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De omstandigheid dat een zwaailicht werd gevoerd onderscheidt deze situatie van de situatie(s) in de door de gemachtigde aangehaalde arresten, waaronder ECLI:NL:GHARL:2020:7087.
11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing daarom bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenvergoeding is er niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.