Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2022-04-12
ECLI:NL:GHARL:2022:2793
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,138 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.271.276/01
CJIB-nummer
: 223013655
Uitspraak d.d.
: 12 april 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2019, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “R315B - niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 december 2018 om 12:55 uur op de Burgemeester de Vlugtlaan in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de bevoegdheid van de ambtenaar. De ambtenaar is op grond van de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: de Regeling) in gevallen als de onderhavige bevoegd tot handhaving bij het negeren van G-borden. In casu is echter geen sprake van een G-bord. Verder wordt met handhaven met behulp van scanauto’s artikel 5 van de Wahv omzeild. Dit is in strijd met de strekking van de Wahv.
3. Blijkens de stukken in het dossier is de onderhavige sanctie opgelegd door ambtenaar [naam1] , die is beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar voor het domein Openbare Ruimte.
4. In de Bijlage bij de Regeling, in werking getreden op 19 september 2018, staat onder het kopje “Domein I. Openbare ruimte” onder 16, voor zover hier van belang, het volgende:
“Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, maar alleen voor zover het stilstaand verkeer betreft. De artikelen 4, 5, 6, 10, 60, 82 en 62 juncto bijlage I hoofdstuk C (geslotenverklaring) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer. Handhaving op negatie van C borden (RVV 1990) is toegestaan in relatie tot de leefbaarheid, waaronder het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht) auto’s, zoals de zogeheten milieuzones. Op www.om.nl/geslotenverklaring is het toepasselijke kader voor de gemeente opgenomen indien zij digitaal wil handhaven op het negeren van een C-bord of op de overtreding van artikel 5, 6, of 10 RVV 1990 die volgt uit het negeren van een G-bord.”
5. De Regeling bepaalt verder voor buitengewoon opsporingsambtenaren als hier die behoren tot het domein openbare ruimte dat, zoals hiervoor onder 4. is weergegeven, digitaal handhaven mogelijk is voor het negeren van een C-bord of voor de overtreding van artikel 5, 6 of 10 van het RVV 1990 die volgt uit het negeren van een G-bord. De toepasselijke kaders voor digitaal handhaven door gemeenten zijn te vinden op www.om.nl/geslotenverklaring.
6. In deze zaak is weliswaar sprake van een (vermeende) overtreding van artikel 10 van het RVV 1990, maar niet een die volgt uit het negeren van een G-bord. Dit betekent dat de buitengewoon opsporingsambtenaar niet bevoegd was om een sanctie op te leggen (vergelijk het arrest van
18 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:265). De inleidende beschikking kan om die reden niet in stand blijven. De overige gronden behoeven geen bespreking.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De grond die leidt tot vernietiging van de inleidende beschikking heeft de gemachtigde voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Weliswaar kennen de beroepsprocedures op grond van de Wahv in beginsel geen grondenfuik, maar in het onderhavige geval valt niet in te zien waarom deze grond niet al in een eerder stadium had kunnen worden aangevoerd. Het hof ziet hierin aanleiding en acht het redelijk om slechts een vergoeding toe te kennen voor de proceskosten in de fase van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 379,50 (= 1 x € 759,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 379,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.271.276/01
CJIB-nummer
: 223013655
Uitspraak d.d.
: 12 april 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2019, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “R315B - niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 december 2018 om 12:55 uur op de Burgemeester de Vlugtlaan in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de bevoegdheid van de ambtenaar. De ambtenaar is op grond van de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: de Regeling) in gevallen als de onderhavige bevoegd tot handhaving bij het negeren van G-borden. In casu is echter geen sprake van een G-bord. Verder wordt met handhaven met behulp van scanauto’s artikel 5 van de Wahv omzeild. Dit is in strijd met de strekking van de Wahv.
3. Blijkens de stukken in het dossier is de onderhavige sanctie opgelegd door ambtenaar [naam1] , die is beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar voor het domein Openbare Ruimte.
4. In de Bijlage bij de Regeling, in werking getreden op 19 september 2018, staat onder het kopje “Domein I. Openbare ruimte” onder 16, voor zover hier van belang, het volgende:
“Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, maar alleen voor zover het stilstaand verkeer betreft. De artikelen 4, 5, 6, 10, 60, 82 en 62 juncto bijlage I hoofdstuk C (geslotenverklaring) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer. Handhaving op negatie van C borden (RVV 1990) is toegestaan in relatie tot de leefbaarheid, waaronder het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht) auto’s, zoals de zogeheten milieuzones. Op www.om.nl/geslotenverklaring is het toepasselijke kader voor de gemeente opgenomen indien zij digitaal wil handhaven op het negeren van een C-bord of op de overtreding van artikel 5, 6, of 10 RVV 1990 die volgt uit het negeren van een G-bord.”
5. De Regeling bepaalt verder voor buitengewoon opsporingsambtenaren als hier die behoren tot het domein openbare ruimte dat, zoals hiervoor onder 4. is weergegeven, digitaal handhaven mogelijk is voor het negeren van een C-bord of voor de overtreding van artikel 5, 6 of 10 van het RVV 1990 die volgt uit het negeren van een G-bord. De toepasselijke kaders voor digitaal handhaven door gemeenten zijn te vinden op www.om.nl/geslotenverklaring.
6. In deze zaak is weliswaar sprake van een (vermeende) overtreding van artikel 10 van het RVV 1990, maar niet een die volgt uit het negeren van een G-bord. Dit betekent dat de buitengewoon opsporingsambtenaar niet bevoegd was om een sanctie op te leggen (vergelijk het arrest van
18 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:265). De inleidende beschikking kan om die reden niet in stand blijven. De overige gronden behoeven geen bespreking.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De grond die leidt tot vernietiging van de inleidende beschikking heeft de gemachtigde voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Weliswaar kennen de beroepsprocedures op grond van de Wahv in beginsel geen grondenfuik, maar in het onderhavige geval valt niet in te zien waarom deze grond niet al in een eerder stadium had kunnen worden aangevoerd. Het hof ziet hierin aanleiding en acht het redelijk om slechts een vergoeding toe te kennen voor de proceskosten in de fase van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 379,50 (= 1 x € 759,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 379,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.