Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2022-02-22
ECLI:NL:GHARL:2022:1321
Strafrecht
Hoger beroep
2,211 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003882-21
Uitspraak d.d.: 22 februari 2022
TEGENSPRAAK
Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 31 augustus 2021 met parketnummer 16-114989-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-002123-20, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 februari 2022.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A. Boumanjal, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Procesgang
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft op 31 augustus 2021 vonnis gewezen tegen verdachte. Op 2 september 2021 heeft de raadsman per e-mail de strafgriffie van de rechtbank verzocht hoger beroep in te stellen tegen dit vonnis. De e-mail bevat een afbeelding van een gescande handtekening van de raadsman (dit betreft geen gewaarmerkte digitale handtekening). Per e-mail van 4 februari 2022 heeft de advocaat-generaal aan het hof en de raadsman laten weten dat het appel volgens hem niet rechtsgeldig is ingesteld nu het appel is ingesteld door middel van een e-mail met daarin een gescande handtekening. Ter terechtzitting van het hof van 8 februari 2022 hebben de advocaat-generaal en de raadsman hun standpunten (verder) uiteengezet met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de door de raadsman verzonden e-mail als schriftelijke volmacht en met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Kort en zakelijk weergegeven, heeft de advocaat-generaal daartoe het volgende aangevoerd. Het e-mailbericht van de raadsman van 2 september 2021 ging niet vergezeld van een bijlage met een afzonderlijke, ondertekende volmacht en was evenmin voorzien van een deugdelijke elektronische handtekening. Met het enkele invoegen in een e-mail van een afbeelding van een digitaal gescande handtekening is niet voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 5 en 6 van het Besluit digitale stukken Strafvordering (hierna: het Besluit). Acceptatie van een niet juist ondertekend e-mailbericht als geldige bijzondere volmacht zou die eisen overbodig maken.
Voorts kan bij een onvolkomen volmacht het verzuim enkel voor gedekt worden gehouden als het gaat om een gebrek ten aanzien van de nadere vereisten voor volmachten van artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Het gebruik van een gescande handtekening betreft het bepaalde in artikel 450, eerste lid, onder b, Sv en raakt aan de volmachtverlening zelf. Nu een e-mailbericht sowieso niet als bijzondere volmacht kan worden aangemerkt, moet verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich onder verwijzing naar de conclusie van 13 januari 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:3) van Advocaat-Generaal Harteveld en jurisprudentie van de Hoge Raad primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een rechtsgeldige volmacht tot het instellen van hoger beroep en dat verdachte ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. Een eventueel verzuim dient voor gedekt te worden gehouden, nu ter terechtzitting verdachte en zijn ouders zijn verschenen en het de wil van verdachte was om hoger beroep te doen instellen.
Subsidiair heeft hij het hof verzocht hem in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen. Meer subsidiair heeft hij verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad over de in deze zaak aan de orde zijnde problematiek.
Oordeel hof
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het e-mailbericht van de raadsman van 2 september 2021 om 09:44 uur aan de strafgriffie van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, kan worden aangemerkt als een bijzondere schriftelijke volmacht in de zin van artikel 450, eerste lid, onder b Sv, nu een schriftelijke en ondertekende bijzondere volmacht als bijlage bij deze e-mail ontbreekt.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, Sv het instellen van hoger beroep onder meer kan geschieden door tussenkomst van een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. De raadsman van een verdachte heeft zo de mogelijkheid om door middel van een bijzondere schriftelijke volmacht een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen.
Uit HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654 (en eerder: HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1241, en HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3253) volgt daarnaast dat een e-mailbericht dat niet van een elektronische handtekening is voorzien op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een bijzondere schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Een als bijlage bij een e-mailbericht gevoegde en daarmee binnen de appeltermijn ingekomen brief die voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een bijzondere schriftelijke volmacht en die naar een voor het instellen van rechtsmiddelen aangewezen e-mailadres is gestuurd, geldt wel als bijzondere volmacht.
Het hof stelt vast dat het op 2 september 2021 bij de strafgriffie van de rechtbank Midden-Nederland ingekomen e-mailbericht kennelijk bedoeld was als bijzondere schriftelijke volmacht in de zin van artikel 450, eerste lid, onder b, Sv (die voldeed aan de voorwaarden genoemd in artikel 450, derde lid, Sv). Het hof heeft geen reden om aan deze kennelijke bedoeling te twijfelen, mede in aanmerking genomen dat verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van 8 februari 2022 zijn verschenen en daarbij uitdrukkelijk de wens om op rechtsgeldige wijze hoger beroep te doen instellen naar voren hebben gebracht. Het hof stelt daarnaast vast dat in het e-mailbericht een digitale scan/afbeelding is ingevoegd/geplakt van de handtekening van de raadsman.
Het hof overweegt in verband met het voorgaande dat handtekeningen strekken tot waarborging van de authenticiteit en de herkomst van (proces)stukken. Van belang is daarnaast dat artikel 450, vierde lid, Sv de mogelijkheid biedt om een volmacht per elektronische voorziening over te dragen. In de artikelen 5 en 6 van het Besluit zijn eisen gesteld aan de elektronische voorziening en (de authenticatie van) elektronische handtekeningen. Een afbeelding van een handtekening die in een e-mailbericht is geplakt, voldoet niet aan deze eisen en is ook voor het overige in strijd met de waarde die in het Besluit aan de authenticiteit van digitale processtukken en aan de controleerbaarheid daarvan wordt gehecht. De acceptatie van een digitale handtekening onder een e-mailbericht als geldige bijzondere schriftelijke volmacht zou de regeling uit het Besluit in grote mate overbodig maken.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte ontvankelijk in het hoger beroep.
Heropent het onderzoek.
Schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman en de benadeelde partij.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. K.A.J.M. Wetzels en mr. J.H. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.G. Ruissaard, griffier,
en op 22 februari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.H. van Dijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.