Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-10-21
ECLI:NL:GHARL:2021:9965
Civiel recht
Wraking
1,668 tokens
Dictum
inzake het verzoek tot wraking, gedaan door
[verzoeker] , en
[verzoekster] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers,
advocaat: mr. A.J. Verweij
Procesverloop
1.1
Bij dit hof is onder zaaknummer 200.285.503/01 een procedure aanhangig tussen verzoekers enerzijds en [naam1] (in haar hoedanigheid als executeur in de nalatenschap van [erflater] ) (hierna: [naam1] ) anderzijds.
1.2
Op 10 september 2021 heeft in die procedure een zogenoemde ‘mondelinge behandeling na aanbrengen’ plaatsgevonden ten overstaan van mr. B.J. Engberts die in de zaak als raadsheer-commissaris is benoemd.
1.3
Tijdens die mondelinge behandeling hebben verzoekers mr. Engberts gewraakt. De wrakingsgronden zijn opgenomen in het van die mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal. Dit proces-verbaal is aan de advocaat van verzoekers toegezonden. Na het wrakingsverzoek is de mondelinge behandeling geschorst en is de zaak verwezen naar de wrakingskamer.
1.4
Mr. Engberts heeft niet in de wraking berust. Hij heeft een schriftelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek. Die reactie is aan de advocaat van verzoekers toegezonden.
1.5
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 7 oktober 2021 plaatsgevonden. Daarbij waren verzoekers aanwezig en zij werden bijgestaan door hun advocaat mr. Verweij. Ook was aanwezig mr. J.J. Wisse Smit, de advocaat van [naam1] . Op die mondelinge behandeling heeft mr. Verweij de wrakingsgronden toegelicht aan de hand van een spreeknotitie, welke notitie aan de wrakingskamer is overgelegd.
Beoordeling
de ontvankelijkheid van het verzoek
2.1
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van de zitting kan het verzoek ook mondeling worden gedaan. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen (artikel 36 en 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
2.2
Verzoekers zijn ontvankelijk in hun wrakingsverzoek, nu dit na aanvang van de mondelinge behandeling mondeling en gemotiveerd is gedaan.
de gronden van het verzoek
2.3
Uit het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal volgt dat er twee gronden zijn voor de wraking. De eerste grond is dat het [naam1] is toegestaan om aan de mondelinge behandeling van 10 september 2021 via Skype deel te nemen. De tweede grond betreft het feit dat verzoekers niet over de machtiging beschikken waarmee [naam1] mevrouw [naam2] heeft gemachtigd.
2.4
Ter toelichting op de gronden is namens verzoekers samengevat aangevoerd dat zij al in een vroeg stadium, bij het opgeven van de verhinderdata, hebben verzocht om een fysieke zitting. Een zitting via Skype zou voor hen niet acceptabel zijn. Niettemin heeft [naam1] op 1 september 2021 verzocht van haar zijde een zitting via Skype toe te staan en werd mevrouw [naam2] als gemachtigde van [naam1] aangekondigd. Volgens verzoekers echter is dat verzoek door [naam1] te laat gedaan en hebben zij daar dan ook bezwaar tegen aangetekend. Het hof heeft echter bepaald dat de zitting van 10 september 2021 door zal gaan en dat [naam1] wordt toegestaan om via Skype deel te nemen. Tijdens de zitting op 10 september 2021 bleek dat [naam1] op 3 september 2021 nog een nader bericht heeft ingediend, waarbij een machtiging was toegevoegd voor deelname door mevrouw [naam2] . Dat bericht en de machtiging is aan de zijde van verzoekers echter in de spambox terechtgekomen en door hen niet gezien. Weliswaar is de machtiging op de zitting nog overhandigd aan verzoekers, maar het stuk had sowieso niet mogen worden toegelaten omdat het te laat was ingediend. Voorts vinden verzoekers dat de raadsheer-commissaris de wederpartij had moeten vragen wie er bij haar aanwezig was.
Verzoekers zijn van mening dat een en ander tot gevolg heeft dat zij in hun belangen zijn geschaad en dat sprake is van vooringenomenheid bij mr. Engberts.
Beoordeling
2.5
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek gelden de volgende uitgangspunten. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit vermoeden lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.6
Verder brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich dat een rechterlijke tussenbeslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Het middel van wraking dient niet een verkapt rechtsmiddel te zijn tegen de verzoeker onwelgevallige tussenbeslissingen. Evenmin kan de motivering van een dergelijke tussenbeslissing grond vormen voor wraking, ook indien het gaat om eventueel door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motiveringen of om het ontbreken van een motivering (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770). Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om gaande de procedure beslissingen te nemen over (onder meer) procedurele aspecten. Dit kunnen voor partijen nadelige beslissingen zijn. Grond voor wraking bestaat in dat geval alleen als in het licht van alle feiten en omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen) die beslissing of de motivering ervan niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
2.7
Dictum
De wrakingskamer van het gerechtshof, beslissende op het verzoek tot wraking:
wijst het verzoek tot wraking van mr. B.J. Engberts af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, voorzitter, R. den Ouden en M.E. van Wees, is getekend door de voorzitter en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2021.