Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-10-08
ECLI:NL:GHARL:2021:9479
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,468 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.278.614/01
CJIB-nummer
: 225986453
Uitspraak d.d.
: 8 oktober 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 13 februari 2020, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Handelen i.s.m. een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12/20”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 mei 2019 om 07:57 uur op de Bosscheweg in Erp met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert ten eerste aan dat er geen verkeersbesluit ten grondslag ligt aan de plaatsing van het betreffende bord C12. Er mocht dus geen sanctie worden opgelegd voor het handelen in strijd met dat bord.
3. Dit verweer treft geen doel. Het ontbreken van een verkeersbesluit betreft geen omstandigheid die aanleiding geeft de sanctie achterweg te laten (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2020:1055). Overigens heeft de advocaat-generaal een afschrift van het verkeersbesluit met betrekking tot de plaatsing van het bord C12/20 in het geding gebracht. De gemachtigde heeft hierop niet meer gereageerd.
4. Voorts voert de gemachtigde aan dat de bestuurder van het voertuig niet is staande gehouden, terwijl dat best had gekund. Het lijkt immers om een geplande verkeerscontrole te gaan. De sanctie is daarom ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd, aldus de gemachtigde.
5. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal d.d. 25 juni 2019 van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Hierin verklaart hij onder meer dat het vanwege de drukte van auto’s die de geslotenverklaring negeerden niet mogelijk was tot staandehouding over te gaan. Daarnaast verklaart de ambtenaar dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene de geslotenverklaring op de Bosscheweg negeerde en zonder te stoppen de straat uitreed reed en dat er ook veel auto's waren die hem, de (in uniform geklede) ambtenaar, bij zijn opvallende dienstauto zagen staan en rechtsomkeert maakten. Ook zijn een kopie van het brondocument en foto's bijgevoegd. Op één van de foto's is de voorzijde van het voertuig met voormeld kenteken te zien.
7. Het hof leidt uit deze gegevens af dat de ambtenaar een gerichte controle hield op de naleving van de ter plaatse geldende geslotenverklaring en dat de voertuigen die in strijd met die geslotenverklaring naar het dienstvoertuig van de ambtenaar toe reden - zoals dat van de betrokkene- werden gefotografeerd, terwijl de ambtenaar zich naast dat voertuig bevond. Voorts blijkt dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene zonder te stoppen door reed. Dit brengt mee dat de ambtenaar, om de bestuurder van het betreffende voertuig een stopteken te geven en hem staande te houden, eerst in zijn dienstvoertuig had moeten stappen, dat voertuig had moeten starten en het voertuig van de betrokkene had moeten volgen en derhalve ook de geslotenverklaring had moeten negeren. Voorts heeft de ambtenaar verklaard dat er meer bestuurders waren die het bord met de geslotenverklaring negeerden. Kennelijk heeft de ambtenaar ervoor gekozen om die overtreders eveneens te bekeuren. Dat zou niet hebben gekund, wanneer de ambtenaar de betrokkene zou hebben staande gehouden. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Het verweer faalt. Het voorgaande brengt mee dat de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.