Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-10-05
ECLI:NL:GHARL:2021:9403
Strafrecht
Hoger beroep
746 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000635-20
Uitspraak d.d.: 5 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, van 6 februari 2020 met parketnummer 16-229724-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 09-218087-18, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. E. Tamas, naar voren is gebracht.
Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep
De tenlastelegging dient krachtens het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering te vermelden waar ter plaatse het feit zou zijn begaan. De enkele vermelding in de tenlastelegging van “Nijverheidsweg 12/a//b/c” zonder daarbij de pleegplaats te noemen, is te onbepaald en voldoet niet aan dit vereiste.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen wijziging tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gevorderd.
Nu uit de jurisprudentie volgt dat het toevoegen van een plaatsnaam aan de tenlastelegging niet het herstellen van een kennelijke misslag betreft maar een wijziging oplevert in de zin van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ligt het in dit geval niet op de weg van het hof de tenlastelegging te verbeteren (vgl. HR 30-09-2008, LJN:BD3662 en ECLI:NL:HR:2011:BT8787).
De tenlastelegging kan daarom niet dienen als grondslag van de terechtzitting zodat het hof de dagvaarding nietig zal verklaren.
Dictum
Het hof:
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. M. Nooijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.E. Schoenmakers, griffier,
mr. M. Nooijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
en op 5 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.