Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-06-01
ECLI:NL:GHARL:2021:5319
Civiel recht
Hoger beroep
3,587 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.277.978/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 7262783)
arrest van 1 juni 2021
in de zaak van
[de bewindvoerder] h.o.d.n. [A] Bewindvoering in de hoedanigheid van bewindvoerder van [B] (hierna: [B] ),
wonende te [C] ,
appellante,
bij de rechtbank: eiseres
hierna: de bewindvoerder,
advocaat: mr. M.A.M. Timmermans, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] h.o.d.n. Ambulante Zorg [geïntimeerde],
wonende te [D] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. I. Rhodes, kantoorhoudend te Amsterdam.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van dit hof van 26 januari 2021;
- de (met toestemming van partijen) enkelvoudige comparitie van partijen op 15 april 2021,
- het hiervan opgemaakte proces-verbaal (verslag) met daaraan gehecht de pleitaantekeningen van mr. Timmermans.
Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd op het voor de comparitie overgelegde dossier aangevuld met het proces-verbaal.
2Waar gaat de zaak over?
Op 15 augustus 2015 heeft het Zorgkantoor een beschikking subsidievaststelling persoonsgebonden budget (PGB) afgegeven waaruit volgt dat door [B] een bedrag van
€ 15.085,92 moet worden terugbetaald over het jaar 2014, omdat van het toegekende budget dat bedrag niet is verantwoord. De bewindvoerder vindt dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [B] moet vergoeden, omdat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar contractuele verplichting om
niet alleen zorg te verlenen, maar ook een deugdelijke financiële verantwoording hierover aan [B] af te leggen. De rechtbank heeft de vorderingen van de bewindvoerder afgewezen.
Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
[geïntimeerde] heeft sinds 12 januari 2010 een bureau waarbij zij ambulante hulp biedt aan onder meer ouderen en mensen met psychosociale of somatische aandoeningen.
3.2
[B] is 72 jaar en heeft onder andere een zeer slecht gezichtsvermogen. Zij is vanaf mei 2014 onder bewind gesteld. Als bewindvoerder is [A] Bewindvoering aangesteld, contactpersoon is [de bewindvoerder] .
3.3
[B] ontvangt een Persoonsgebonden Budget (PGB). Daarnaast wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) huishoudelijke zorg vergoed.
3.4
[B] en [geïntimeerde] hebben op 1 januari 2014 een zorgovereenkomst gesloten waarbij maandelijks een variabel aantal uren aan zorg wordt geleverd, te weten persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding individueel en begeleiding in groep tegen verschillende uurtarieven. [geïntimeerde] werd betaald vanuit het PGB.
3.5
Op 15 augustus 2015 heeft het Zorgkantoor een beschikking subsidievaststelling afgegeven waaruit volgt dat van het netto toegekende PGB 2014 van € 23.535,98 een bedrag ad € 15.085,92 moet worden terugbetaald, omdat het niet is verantwoord.
3.6
Op 11 februari 2016 heeft het Zorgkantoor in het kader van een ambtshalve beoordeling de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld alsnog een verantwoording te geven over 2014. De bewindvoerder moet daartoe de volgende stukken opsturen:
1. Verantwoordingsformulier
2. Kopieën van zorgovereenkomsten
3. Kopieën van wijzigingsovereenkomsten
4. Kopieën van facturen of loonstroken van (alle) zorgverlener(s)
5. Kopieën van urendeclaraties van (alle) zorgverlener(s)
6. Kopieën van uw bankafschriften met betalingen aan de zorgverleners
7. Toelichting op de aard van de gegeven zorg.
3.7
Bij brief van 12 augustus 2016 heeft het Zorgkantoor geschreven wat er mis is met de aangeleverde stukken en dat het terug te vorderen bedrag ongewijzigd blijft op € 15.085,95.
3.8
Vanaf september 2016 betaalt [B] maandelijks € 100,- terug aan het Zorgkantoor.
Beoordeling
De vorderingen in hoger beroep
4.1
Tijdens de comparitie in hoger beroep heeft de bewindvoerder aangegeven dat de vordering met het Zorgkantoor is geschikt voor een door de bewindvoerder/ [B] terug te betalen bedrag van € 5.681,80. Zij vermindert haar vordering tot betaling van dit bedrag, de proceskosten en de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente. De vijf grieven van de bewindvoerder strekken er toe dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat de verminderde vordering wordt toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide procedures.
4.2
De bewindvoerder baseert haar vordering op wanprestatie dan wel onrechtmatige daad van [geïntimeerde] . Zij stelt dat er weliswaar zorg is geleverd, maar dat onbekend is hoeveel uren zorg is geleverd, welke vorm van zorg, tegen welk tarief en hoeveel en waarvoor is betaald. [geïntimeerde] is tot op heden in gebreke gebleven om die informatie te verstrekken. De bewindvoerder verwijt [geïntimeerde] dat [B] hierdoor geen verantwoording kan geven aan het Zorgkantoor over de aan haar geleverde zorg en besteding van het budget. Zij houdt [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade die [B] hierdoor lijdt. De omvang van de schade stelt zij gelijk aan de hoogte van het schikkingsbedrag met rente en kosten.
4.3
Volgens [geïntimeerde] is [B] als budgethouder zelf verantwoordelijk voor haar administratie en heeft zij [B] facturen verstrekt. Bovendien heeft de bewindvoerder in strijd gehandeld met de klachtplicht van artikel 6:89 BW door [geïntimeerde] niet binnen bekwame tijd op de hoogte te stellen van de terugvordering en pas na 2,5 jaar na de terugvorderingsbeschikking te klagen over de wijze van factureren.
Overeenkomst van opdracht
4.4
Vaststaat dat tussen [B] en [geïntimeerde] een overeenkomst van opdracht is gesloten, die door partijen wordt betiteld als zorgovereenkomst. Volgens die zorgovereenkomst wordt maandelijks een variabel aantal uren aan zorg geleverd, te weten persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding in groep.
[geïntimeerde] heeft niet als een goed opdrachtnemer gehandeld
4.5
Uitgangspunt is dat [geïntimeerde] bij de uitvoering van de zorgovereenkomst gehouden is als goed opdrachtnemer te handelen. De maatstaf daarvoor is of [geïntimeerde] als opdrachtnemer heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Wat dat inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld vanwege het volgende. [geïntimeerde] wist dat [B] een persoonsgebonden budget ontving om zorg in te kopen en dat de door haar verleende zorg werd betaald vanuit dit budget. [geïntimeerde] wist ook dat [B] verantwoording moest afleggen aan het Zorgkantoor over de besteding van het budget. Hoewel [B] als budgethouder zelf verantwoordelijk is om aan het Zorgkantoor verantwoording af te leggen, is het de taak van [geïntimeerde] om [B] daartoe de benodigde informatie en gegevens te verstrekken. Dit houdt in ieder geval in dat zij gespecificeerde facturen verstrekt, waarop duidelijk wordt vermeld wat de aard is van de verleende zorg en
tegen welk tarief die is verleend. Daarnaast moet duidelijk zijn op welke periode de facturen betrekking hebben. Het is aan [geïntimeerde] om haar administratie zo in te richten dat zij die informatie en gegevens kan verstrekken, ook na enige tijd, om [B] in staat te stellen aan het Zorgkantoor verantwoording af te leggen over de besteding van het budget.
4.6
[geïntimeerde] is in gebreke gebleven om aan [B] een voldoende verantwoording af te leggen en informatie en gegevens te verstrekken. De door [geïntimeerde] bij de kantonrechter gemaakte afspraak dat zij de gegevens zou verstrekken, is zij niet nagekomen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij alle gevraagde gegevens al aan [B] heeft verstrekt, en maandelijks gespecificeerde facturen aan [B] heeft afgegeven, maar dit is door de bewindvoerder gemotiveerd weersproken. De stelling van [geïntimeerde] is niet geloofwaardig in het licht van het volgende. Nadat zij door de bewindvoerder meermalen was verzocht om de noodzakelijke informatie te verstrekken heeft [geïntimeerde] de volgende gegevens aangeleverd. Twee zorgovereenkomsten die op dezelfde periode zien, waarbij in de eerste overeenkomst voor de verschillende vormen van zorg verschillende tarieven worden gehanteerd en een tweede overeenkomst waarin voor alle soorten dienstverlening het maximale tarief (€ 45,-) wordt gehanteerd. In de zorgovereenkomst is afgesproken dat [geïntimeerde] persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding individueel en begeleiding in groep zou leveren. [geïntimeerde] heeft verschillende facturen overgelegd. De facturen overlappen elkaar deels met betrekking tot de maanden waarop zij zien (dubbele facturen over de maanden september, oktober en november). De facturen zijn niet gespecificeerd naar soort hulp en alles is onder de noemer persoonlijke verzorging tegen een bedrag van € 45,- per uur gefactureerd. Het is daardoor niet duidelijk welke zorg door [geïntimeerde] is geleverd. In dezelfde maanden op de verschillende facturen worden bovendien verschillende aantallen uren geleverde zorg gefactureerd. Zo wordt in de eerste factuur voor september 46 uren aan persoonlijke verzorging opgevoerd, in oktober 46 uren en november 47 uren. In de tweede factuur aan persoonlijke verzorging over september 43 uren, oktober 30 uren en november 30 uren, zonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven. Het is verder niet duidelijk wanneer de ongedateerde facturen zijn opgemaakt. De losse overgelegde urenstaten zijn wel gespecificeerd naar de verschillende soorten zorg maar sluiten op geen enkele wijze aan bij de uren die op de facturen staan vermeld of bij de bedragen die zijn betaald. Zo sluit de urenstaat voor persoonlijke verzorging over september op ongeveer 120 uren.
4.7
Doordat [geïntimeerde] heeft nagelaten deugdelijke informatie en gegevens te verstrekken is zij jegens [B] tekortgeschoten in de overeenkomst van opdracht en is zij in beginsel gehouden de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.
De bewindvoerder heeft niet te laat geklaagd.
4.8
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de bewindvoerder voor het eerst in november 2016 heeft geklaagd en pas 2,5 jaar later om aanvullende stukken heeft gevraagd en dat ertoe zou moeten leiden dat de vorderingen van de bewindvoerder moeten worden afgewezen. Voor de beantwoording van de vraag of op de voet van artikel 6:89 BW tijdig is geklaagd moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval. Vaststaat dat de bewindvoerder op
12 mei 2015 door middel van een e-mail aan [geïntimeerde] meldt dat het Zorgkantoor de benodigde stukken niet heeft ontvangen. In een e-mail van 13 mei 2015 stelt [geïntimeerde] dat zij op
5 maart 2015 en 29 april 2015 ‘de verantwoording van mevrouw [B] ’ heeft verzonden. Tussen partijen zijn verschillende contacten geweest over de terugvordering en van verantwoording aan het Zorgkantoor, waarbij onder meer is verzocht om de zorgovereenkomst, de facturen, een overzicht van de betalingen, de aard van de geleverde zorg (e-mails van: 5 juni 2015, 19 augustus 2015, 1 september 2015, 21 september 2015,
2 oktober 2015, 10 februari 2016, 12 februari 2016, 15 februari 2016, 24 februari 2016,
26 februari 2016, 21 maart 2016, 30 augustus 2016). Op 11 november 2016 schrijft de bewindvoerder dat er sprake is van fouten in de facturering. Op 9 januari 2018 wordt [geïntimeerde] in gebreke gesteld.
Conclusie
De grieven slagen. De (verminderde) vordering van de bewindvoerder zal alsnog worden toegewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de bewindvoerder van zowel de procedure bij de kantonrechter als in hoger beroep worden veroordeeld. De proceskosten van de bewindvoerder in de procedure bij de kantonrechter worden vastgesteld op € 185,48 aan verschotten en op € 1.080,- aan salaris advocaat in overeenstemming met het liquidatietarief (3 punten/tarief II). In hoger beroep worden de proceskosten van de bewindvoerder vastgesteld op € 433,06 aan verschotten en op € 2.228,- aan salaris advocaat (2 punten/tarief II).
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 10 juli 2019;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan de bewindvoerder van € 5.681,80 te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten aan de zijde van de bewindvoerder tot op heden
in eerste aanleg begroot op € 185,48 aan verschotten en op € 1.080,- aan salaris advocaat en in hoger beroep op een bedrag van € 433,06 aan verschotten en € 2.228,- aan salaris advocaat;
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Tubben, D.H. de Witte, J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.
Hoge Raad 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159.