Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2021-05-18
ECLI:NL:GHARL:2021:4778
Strafrecht
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.250.614/01 CJIB-nummer : 211452392 Uitspraak d.d. : 18 mei 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 13 september 2018, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. Het tussenarrest De inhoud van het tussenarrest van 13 november 2020 wordt hier als ingelast beschouwd. Het verdere procesverloop Op 8 maart 2021 is een schriftelijk standpunt van de advocaat-generaal ontvangen. Een afschrift daarvan is naar de gemachtigde van de betrokkene gezonden. De zaak is behandeld op de zitting van 4 mei 2021. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] . 1. Gelet op de inhoud van het tussenarrest, is het hoger beroep ontvankelijk en zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie 2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Als namens de betrokkene door een gemachtigde beroep is ingesteld, moet de post in ieder geval aan de gemachtigde worden toegestuurd (artikel 6:17 van de Awb). 3. In dit geval heeft eerst de betrokkene op 23 oktober 2017 administratief beroep ingesteld. Vervolgens is op 24 november 2017 via het digitaal loket ook door de gemachtigde voor de betrokkene beroep ingesteld. Op 12 december 2017 is een brief van het CJIB aan de betrokkene verzonden die als beslissing op het beroep zou moeten gelden. Uit het dossier blijkt echter niet dat toen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep aan de gemachtigde is toegestuurd. Deze beslissing is dus niet op de juiste wijze bekendgemaakt. Daarom heeft de beroepstermijn geen aanvang genomen. Dat brengt mee dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ontvankelijk is. 4. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de officier van justitie vernietigd dient te worden wegens schending van de informatieplicht, het niet geven van een termijn voor aanvulling van de gronden en schending van de hoorplicht. 5. Het verweer dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden treft doel. Er doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, vernietigen. het beroep tegen de inleidende beschikking 6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 36,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 6 km/h (verkeersbord A1).” Deze gedraging zou zijn verricht op 8 oktober 2017 om 17:51 uur op de N211 Wippolderlaan kruising Laan van Wateringse Veld, richting Naaldwijk, in Wateringen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] . 7. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden omdat niet vaststaat van welk voertuig de snelheid is gemeten, een onvoldoende nauwkeurige meting heeft plaatsgevonden en aanvullende informatie ontbreekt. Op basis van de foto's van de gedraging, waarop verschillende voertuigen zichtbaar zijn, stelt de gemachtigde dat zich tenminste drie voertuigen in de radarbundel bevinden. Onduidelijk is hoe het radarapparaat al die voertuigen simultaan op snelheid kan meten, fotograferen en verbaliseren en hoe dit proces is geijkt, nu het radarapparaat slechts is getest voor zover zich één voertuig in de radarbundel (meetgebied) bevindt. De Concept regeling Voorschriften Meetmiddelen Politie (CVMP) licht niet toe wat onder meetgebied dient te worden verstaan. Ook de Handleidingen van met deze installatie vergelijkbare apparaten bevatten hierover geen nadere verduidelijking. Mogelijk is het opleggen van de sanctie aan de betrokkene het gevolg van reflectie. 8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Naast de gegevens in de inleidende beschikking houdt het zaakoverzicht in dat de snelheidsoverschrijding geautomatiseerd is vastgesteld door middel van goedgekeurde en geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal. Het dossier bevat verder twee foto’s van de gedraging. Daarop is te zien dat ter plaatse drie rijstroken voor rechtdoorgaand verkeer zijn. Op elk daarvan rijdt een auto die de groen licht uitstralende verkeerslichten passeert. In het fotobijschrift staat dat het snelheidsmeetmiddel het typegoedkeuringsnummer TP8290 heeft en dat de snelheid is gemeten van het voertuig in rijstrook 3 voor rechtdoor (RD), dit is het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] . Dat kenteken staat ook uitvergroot rechts onderin op de tweede foto. In het fotobijschrift bij de foto's is verder onder meer datum, tijdstip, locatie en de gemeten snelheid opgenomen zoals vermeld in de inleidende beschikking. 10. In het aanvullend proces-verbaal van 5 januari 2021 verklaart een bij het CJIB werkzame buitengewoon opsporingsambtenaar: “De digitale flitspalen zijn in staat meerdere voertuigen tegelijkertijd te detecteren, te volgen en indien noodzakelijk te verbaliseren. Dit geldt zowel voor flitspalen die gebruik maken van detectielussen als flitspalen die zijn uitgerust met een radar.” 11. Anders dan de gemachtigde stelt kan op basis van de gegevens op de foto's wel worden vastgesteld van welk voertuig de snelheid is gemeten. Gelet op het typegoedkeuringsnummer TP8290 mag ook worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van het meetmiddel. Dat niet exact bekend is hoe de apparatuur werkt, doet daaraan niet af. De gemachtigde heeft zijn stelling dat het radarapparaat slechts is getest voor zover zich één voertuig in de radarbundel bevindt en de suggestie dat er mogelijk sprake is van reflectie, niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden te twijfelen aan de juistheid van de meting. 12. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond. het verzoek om de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom vast te stellen wegens niet tijdig beslissen op het administratief beroep 13. De gemachtigde van de betrokkene verzoekt te bepalen dat de officier van justitie een dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen op het administratief beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente. De eerste beslissing die de betrokkene of de gemachtigde heeft ontvangen, is een beslissing van 31 mei 2018. Dat is te laat. De in het dossier aanwezige beslissing van 4 december 2017, gericht aan de betrokkene, is de betrokkene niet bekend en de ontvangst ervan wordt betwist. Deze beslissing is ook niet aan de gemachtigde toegezonden. De officier van justitie is in gebreke gesteld bij brief van 22 maart 2018, ontvangen bij de CVOM op 23 maart 2018. 14. Ingevolge artikel 7:24 van de Awb eindigde de beslistermijn op 22 maart 2018. Het zaakoverzicht vermeldt dat de officier van justitie op 4 december 2017 op het beroep heeft beslist en dat die beslissing voorzien van de dagtekening 12 december 2017 door het CJIB aan de betrokkene is verzonden. In het dossier bevindt zich een afschrift van de door de CVOM verzonden beslissing van de officier van justitie van 4 december 2017, gericht aan de betrokkene. De ontvangst daarvan wordt ontkend en de advocaat-generaal heeft meegedeeld dat hij de verzending ervan niet aannemelijk kan maken. Dat het CJIB op 12 december 2017 een brief aan de betrokkene heeft verzonden staat wel vast. Wat daarin heeft gestaan is niet duidelijk. De advocaat-generaal heeft gesteld dat hij niet aannemelijk kan maken dat door het CJIB een brief aan de betrokkene of gemachtigde is gezonden die kwalificeert als een beslissing van de officier van justitie. Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond; stelt vast dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 1.260,- is verschuldigd, te vermeerderen met wettelijke rente; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 7_24 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 9 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 3 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 6_17 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 6_8 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 9 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 3_41 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 8 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 7 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 6_7 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 4_17 — Algemene wet bestuursrecht