Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-12-23
ECLI:NL:GHARL:2021:11814
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
6,447 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.271.744/01
CJIB-nummer
: 222388612
Uitspraak d.d.
: 23 december 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 25 september 2019, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd voor: “op een weg een caravan, kampeer-/aanhangwagen e.d. plaatsen of hebben langer dan de vastgestelde termijn”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 december 2018 om 20:08 uur op de [adres] in [woonplaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Velsen (hierna: APV) geen onderscheid wordt gemaakt of het voertuig wel of niet wordt gebruikt. Daarmee heeft de kantonrechter in strijd met de regels van de APV geoordeeld. De betrokkene geeft aan dat de zinsnede in artikel 5:5 van de APV (het hof begrijpt: artikel 5:6) “voor andere dan verkeersdoeleinden” betekent dat het verbod wel degelijk een uitzondering kent, namelijk als het voertuig deelneemt aan het verkeer. Ter onderbouwing verwijst de betrokkene naar een beleidsnotitie die is te vinden op internet onder beleidsnotitie parkeerexcessen-overheid.nl. Uit punt 3.7 van de betreffende notitie kan volgens de betrokkene de conclusie worden getrokken dat het verbod vervalt als met het voertuig dagelijks wordt deelgenomen aan het verkeer. Daarvan is sprake geweest. In de betreffende week heeft de betrokkene namelijk zijn boxen - die dienen voor het opslaan van hulpgoederen - dagelijks bezocht in verband met voorbereidingen voor een hulptransport naar Roemenië. De sanctie is dan ook ten onrechte opgelegd.
3. In de APV zoals die ten tijde van de gedraging gold, is - voor zover hier van belang - de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 5:6 Kampeermiddelen/aanhangwagens
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan
verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de
weg te plaatsen of te hebben (…)”.
4. Dit betreft een bepaling die is ontleend aan de Model-Algemene plaatselijke verordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De toelichting op die bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen."
Het hof stelt vast dat dit overeenkomt met hetgeen is opgenomen in de door de betrokkene genoemde beleidsnotitie die overigens afkomstig is van de gemeente Dronten.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb met betrekking tot deze overtreding de bestuurder niet staandegehouden maar op kenteken geschreven omdat er geen persoon aanwezig was bij de aanhanger.
Opmerkingen ambtenaar: Ik, verbalisant [naam1] , heb de aanhanger met kenteken [kenteken] samen met collega's, [naam2] en [naam3] , langer dan 3 dagen waargenomen op dezelfde locatie. Verbalisant [naam2] heeft in het verleden de eigenaar op de hoogte gesteld van de plaatselijke regelgeving en de eigenaar verteld dat wij gaan beginnen met het vastleggen van het betrokken voertuig. Tevens heeft collega [naam2] de eigenaar officieel gewaarschuwd.
Ik, verbalisant, heb op 4-12 omstreeks 11:35 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 5-12 omstreeks 14:30 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 6-12 omstreeks 16:02 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 7-12 omstreeks 14:09 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie en geverbaliseerd.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen / aanhangwagens.
(…)
De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”
6. Daarnaast bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2019 bij de stukken. Hierin herhaalt de ambtenaar in grote lijnen zijn verklaring zoals in het zaakoverzicht opgenomen, namelijk dat het voertuig langer dan drie opeenvolgende dagen in [woonplaats] geparkeerd stond en de eigenaar eerder een waarschuwing had gekregen en meermalen is aangesproken. Verder verklaart de ambtenaar dat Team Handhaving Openbare Ruimte gebruikt maakt van een waarnemingssysteem. Hiermee werd de geparkeerde aanhangwagen elke dag door diverse collega’s digitaal vastgelegd.
7. Uit de verklaringen van de ambtenaar volgt dat is waargenomen dat de aanhangwagen van de betrokkene op 4, 5, 6 en 7 december 2018 op de [adres] in de bebouwde kom van [woonplaats] stond. Dit wordt door de betrokkene ook niet betwist.
De betrokkene stelt dat hij de aanhangwagen dagelijks voor verkeersdoeleinden heeft gebruikt en dat daarom geen sprake is van overtreding van artikel 5:6 van de APV.
8. Artikel 5:6, eerste lid, is opgenomen in de APV ter bestrijding van parkeerexcessen; de bepaling heeft als opschrift "kampeermiddelen/aanhangwagens". De aanhef van het eerste lid heeft, ook gelet op de hierboven onder 4 opgenomen toelichting, anders dan de betrokkene meent, niet betrekking op individuele voertuigen maar op categorieën voertuigen die voor andere dan verkeersdoeleinden plegen te worden gebruikt (vergelijk rechtsoverweging 2.4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2009, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:RVS:2009:BI1079). De aanhangwagen van de betrokkene valt hier onder, een aanhangwagen pleegt niet dagelijks als vervoermiddel te worden gebruikt.
9. De ambtenaren hebben waargenomen dat de aanhangwagen van de betrokkene gedurende (meer dan) drie achtereenvolgende dagen ter plaatse stond. De omstandigheid dat de betrokkene, naar hij stelt, in de betreffende week de aanhangwagen dagelijks heeft gebruikt, doet hieraan niet af. Het hof wijst in dit verband op zijn arrest van 6 augustus 2021, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2021:7602.
10. Gelet op het voorgaande falen de verweren van de betrokkene. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.271.744/01
CJIB-nummer
: 222388612
Uitspraak d.d.
: 23 december 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 25 september 2019, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd voor: “op een weg een caravan, kampeer-/aanhangwagen e.d. plaatsen of hebben langer dan de vastgestelde termijn”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 december 2018 om 20:08 uur op de [adres] in [woonplaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Velsen (hierna: APV) geen onderscheid wordt gemaakt of het voertuig wel of niet wordt gebruikt. Daarmee heeft de kantonrechter in strijd met de regels van de APV geoordeeld. De betrokkene geeft aan dat de zinsnede in artikel 5:5 van de APV (het hof begrijpt: artikel 5:6) “voor andere dan verkeersdoeleinden” betekent dat het verbod wel degelijk een uitzondering kent, namelijk als het voertuig deelneemt aan het verkeer. Ter onderbouwing verwijst de betrokkene naar een beleidsnotitie die is te vinden op internet onder beleidsnotitie parkeerexcessen-overheid.nl. Uit punt 3.7 van de betreffende notitie kan volgens de betrokkene de conclusie worden getrokken dat het verbod vervalt als met het voertuig dagelijks wordt deelgenomen aan het verkeer. Daarvan is sprake geweest. In de betreffende week heeft de betrokkene namelijk zijn boxen - die dienen voor het opslaan van hulpgoederen - dagelijks bezocht in verband met voorbereidingen voor een hulptransport naar Roemenië. De sanctie is dan ook ten onrechte opgelegd.
3. In de APV zoals die ten tijde van de gedraging gold, is - voor zover hier van belang - de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 5:6 Kampeermiddelen/aanhangwagens
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan
verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de
weg te plaatsen of te hebben (…)”.
4. Dit betreft een bepaling die is ontleend aan de Model-Algemene plaatselijke verordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De toelichting op die bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen."
Het hof stelt vast dat dit overeenkomt met hetgeen is opgenomen in de door de betrokkene genoemde beleidsnotitie die overigens afkomstig is van de gemeente Dronten.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb met betrekking tot deze overtreding de bestuurder niet staandegehouden maar op kenteken geschreven omdat er geen persoon aanwezig was bij de aanhanger.
Opmerkingen ambtenaar: Ik, verbalisant [naam1] , heb de aanhanger met kenteken [kenteken] samen met collega's, [naam2] en [naam3] , langer dan 3 dagen waargenomen op dezelfde locatie. Verbalisant [naam2] heeft in het verleden de eigenaar op de hoogte gesteld van de plaatselijke regelgeving en de eigenaar verteld dat wij gaan beginnen met het vastleggen van het betrokken voertuig. Tevens heeft collega [naam2] de eigenaar officieel gewaarschuwd.
Ik, verbalisant, heb op 4-12 omstreeks 11:35 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 5-12 omstreeks 14:30 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 6-12 omstreeks 16:02 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 7-12 omstreeks 14:09 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie en geverbaliseerd.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen / aanhangwagens.
(…)
De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”
6. Daarnaast bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2019 bij de stukken. Hierin herhaalt de ambtenaar in grote lijnen zijn verklaring zoals in het zaakoverzicht opgenomen, namelijk dat het voertuig langer dan drie opeenvolgende dagen in [woonplaats] geparkeerd stond en de eigenaar eerder een waarschuwing had gekregen en meermalen is aangesproken. Verder verklaart de ambtenaar dat Team Handhaving Openbare Ruimte gebruikt maakt van een waarnemingssysteem. Hiermee werd de geparkeerde aanhangwagen elke dag door diverse collega’s digitaal vastgelegd.
7. Uit de verklaringen van de ambtenaar volgt dat is waargenomen dat de aanhangwagen van de betrokkene op 4, 5, 6 en 7 december 2018 op de [adres] in de bebouwde kom van [woonplaats] stond. Dit wordt door de betrokkene ook niet betwist.
De betrokkene stelt dat hij de aanhangwagen dagelijks voor verkeersdoeleinden heeft gebruikt en dat daarom geen sprake is van overtreding van artikel 5:6 van de APV.
8. Artikel 5:6, eerste lid, is opgenomen in de APV ter bestrijding van parkeerexcessen; de bepaling heeft als opschrift "kampeermiddelen/aanhangwagens". De aanhef van het eerste lid heeft, ook gelet op de hierboven onder 4 opgenomen toelichting, anders dan de betrokkene meent, niet betrekking op individuele voertuigen maar op categorieën voertuigen die voor andere dan verkeersdoeleinden plegen te worden gebruikt (vergelijk rechtsoverweging 2.4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2009, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:RVS:2009:BI1079). De aanhangwagen van de betrokkene valt hier onder, een aanhangwagen pleegt niet dagelijks als vervoermiddel te worden gebruikt.
9. De ambtenaren hebben waargenomen dat de aanhangwagen van de betrokkene gedurende (meer dan) drie achtereenvolgende dagen ter plaatse stond. De omstandigheid dat de betrokkene, naar hij stelt, in de betreffende week de aanhangwagen dagelijks heeft gebruikt, doet hieraan niet af. Het hof wijst in dit verband op zijn arrest van 6 augustus 2021, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2021:7602.
10. Gelet op het voorgaande falen de verweren van de betrokkene. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.271.744/01
CJIB-nummer
: 222388612
Uitspraak d.d.
: 23 december 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 25 september 2019, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd voor: “op een weg een caravan, kampeer-/aanhangwagen e.d. plaatsen of hebben langer dan de vastgestelde termijn”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 december 2018 om 20:08 uur op de [adres] in [woonplaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Velsen (hierna: APV) geen onderscheid wordt gemaakt of het voertuig wel of niet wordt gebruikt. Daarmee heeft de kantonrechter in strijd met de regels van de APV geoordeeld. De betrokkene geeft aan dat de zinsnede in artikel 5:5 van de APV (het hof begrijpt: artikel 5:6) “voor andere dan verkeersdoeleinden” betekent dat het verbod wel degelijk een uitzondering kent, namelijk als het voertuig deelneemt aan het verkeer. Ter onderbouwing verwijst de betrokkene naar een beleidsnotitie die is te vinden op internet onder beleidsnotitie parkeerexcessen-overheid.nl. Uit punt 3.7 van de betreffende notitie kan volgens de betrokkene de conclusie worden getrokken dat het verbod vervalt als met het voertuig dagelijks wordt deelgenomen aan het verkeer. Daarvan is sprake geweest. In de betreffende week heeft de betrokkene namelijk zijn boxen - die dienen voor het opslaan van hulpgoederen - dagelijks bezocht in verband met voorbereidingen voor een hulptransport naar Roemenië. De sanctie is dan ook ten onrechte opgelegd.
3. In de APV zoals die ten tijde van de gedraging gold, is - voor zover hier van belang - de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 5:6 Kampeermiddelen/aanhangwagens
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan
verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de
weg te plaatsen of te hebben (…)”.
4. Dit betreft een bepaling die is ontleend aan de Model-Algemene plaatselijke verordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De toelichting op die bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen."
Het hof stelt vast dat dit overeenkomt met hetgeen is opgenomen in de door de betrokkene genoemde beleidsnotitie die overigens afkomstig is van de gemeente Dronten.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb met betrekking tot deze overtreding de bestuurder niet staandegehouden maar op kenteken geschreven omdat er geen persoon aanwezig was bij de aanhanger.
Opmerkingen ambtenaar: Ik, verbalisant [naam1] , heb de aanhanger met kenteken [kenteken] samen met collega's, [naam2] en [naam3] , langer dan 3 dagen waargenomen op dezelfde locatie. Verbalisant [naam2] heeft in het verleden de eigenaar op de hoogte gesteld van de plaatselijke regelgeving en de eigenaar verteld dat wij gaan beginnen met het vastleggen van het betrokken voertuig. Tevens heeft collega [naam2] de eigenaar officieel gewaarschuwd.
Ik, verbalisant, heb op 4-12 omstreeks 11:35 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 5-12 omstreeks 14:30 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 6-12 omstreeks 16:02 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie.
Ik, verbalisant, heb op 7-12 omstreeks 14:09 uur de aanhanger waargenomen op de genoemde locatie en geverbaliseerd.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen / aanhangwagens.
(…)
De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”
6. Daarnaast bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2019 bij de stukken. Hierin herhaalt de ambtenaar in grote lijnen zijn verklaring zoals in het zaakoverzicht opgenomen, namelijk dat het voertuig langer dan drie opeenvolgende dagen in [woonplaats] geparkeerd stond en de eigenaar eerder een waarschuwing had gekregen en meermalen is aangesproken. Verder verklaart de ambtenaar dat Team Handhaving Openbare Ruimte gebruikt maakt van een waarnemingssysteem. Hiermee werd de geparkeerde aanhangwagen elke dag door diverse collega’s digitaal vastgelegd.
7. Uit de verklaringen van de ambtenaar volgt dat is waargenomen dat de aanhangwagen van de betrokkene op 4, 5, 6 en 7 december 2018 op de [adres] in de bebouwde kom van [woonplaats] stond. Dit wordt door de betrokkene ook niet betwist.
De betrokkene stelt dat hij de aanhangwagen dagelijks voor verkeersdoeleinden heeft gebruikt en dat daarom geen sprake is van overtreding van artikel 5:6 van de APV.
8. Artikel 5:6, eerste lid, is opgenomen in de APV ter bestrijding van parkeerexcessen; de bepaling heeft als opschrift "kampeermiddelen/aanhangwagens". De aanhef van het eerste lid heeft, ook gelet op de hierboven onder 4 opgenomen toelichting, anders dan de betrokkene meent, niet betrekking op individuele voertuigen maar op categorieën voertuigen die voor andere dan verkeersdoeleinden plegen te worden gebruikt (vergelijk rechtsoverweging 2.4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2009, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:RVS:2009:BI1079). De aanhangwagen van de betrokkene valt hier onder, een aanhangwagen pleegt niet dagelijks als vervoermiddel te worden gebruikt.
9. De ambtenaren hebben waargenomen dat de aanhangwagen van de betrokkene gedurende (meer dan) drie achtereenvolgende dagen ter plaatse stond. De omstandigheid dat de betrokkene, naar hij stelt, in de betreffende week de aanhangwagen dagelijks heeft gebruikt, doet hieraan niet af. Het hof wijst in dit verband op zijn arrest van 6 augustus 2021, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2021:7602.
10. Gelet op het voorgaande falen de verweren van de betrokkene. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.