Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-10-06
ECLI:NL:GHARL:2020:8090
Civiel recht
Hoger beroep
6,265 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.267.043/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/184466)
arrest van 6 oktober 2020
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. E.D. Kruidhof-Dijk, kantoorhoudend te Emmen,
tegen
Accountants-Administratieconsulenten-Kantoor [geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [B] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] B.V.,
advocaat: mr. J.W. Kastelein, kantoorhoudend te Groningen.
1
1. Het verloop van de procedure bij de rechtbank
1.1
Het verloop van de procedure bij de rechtbank blijkt uit de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank) van 1 mei 2018,13 juni 2018, 5 december 2018 en 17 april 2019.
2
2. Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- het appelexploot van 12 juli 2019;
- de memorie van grieven;- de memorie van antwoord, tevens inhoudende incidentele memorie van grieven;- de memorie van antwoord in incidenteel appel. 2.2 Vervolgens hebben beide partijen de processtukken ingediend bij de griffie en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.
2.3
De vordering van [appellant] in het principaal appel houdt in dat het hof de vonnissen van de rechtbank van 13 juni 2018, 5 december 2018 en 17 april 2019 vernietigt en [geïntimeerde] B.V. veroordeelt om aan hem te betalen € 12.342,62 te vermeerderen met wettelijke rente en (buitengerechtelijke kosten) en te verminderen met wat [geïntimeerde] B.V. inmiddels op basis van het eindvonnis van de rechtbank heeft betaald.
2.4
De vordering van [geïntimeerde] B.V. in incidenteel appel houdt in dat de vonnissen van 5 december 2018 en 17 juni 2019 [het hof leest 17 april 2019] worden vernietigd en dat [appellant] in de proceskosten van beide instanties wordt veroordeeld. Het hof leidt uit de memorie van grieven in incidenteel appel af dat de vordering van [geïntimeerde] B.V. er ook toe strekt dat de vorderingen van [appellant] alsnog geheel worden afgewezen.
3
3. Waar gaat het om?
3.1
In een arrest van 28 januari 2014 (hersteld op 1 april 2014) heeft dit hof [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 18.350,74 te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 14 september 2005 tot aan de dag van betaling. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze rente enkelvoudig of samengesteld berekend moet worden.
3.2
Het hof volgt het oordeel van de rechtbank, dat erop neerkomt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen de werkzaamheden van [geïntimeerde] voor de (voormalige) bedrijven van [appellant] en voor [appellant] in privé. Voor zover de vordering betrekking heeft op de eerstgenoemde werkzaamheden moet de contractuele rente samengesteld berekend worden. Voor zover de vordering betrekking heeft op de privésituatie van [appellant] , is een enkelvoudige berekening op zijn plaats.
4De vaststaande feiten
4.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
4.2
[appellant] heeft agrarische bedrijven gehad. Die bedrijven zijn in 1998 beëindigd.
4.3
[geïntimeerde] B.V. heeft vanaf medio 2002 tot november 2004 werkzaamheden voor [appellant] verricht. De werkzaamheden betroffen de fiscale afwikkeling van de bedrijven van [appellant] en de boedelscheiding tussen [appellant] en diens gewezen echtgenote.
4.4
[geïntimeerde] B.V. heeft voor haar werkzaamheden aan [appellant] op 25 januari 2003,
25 april 2003 en 1 november 2004 een bedrag van in totaal € 61.109,47 in rekening gebracht. [appellant] heeft [geïntimeerde] € 12.204,- betaald, zodat € 48.905,47 onbetaald is gebleven.
4.5
Bij aktes van 14 januari 2003 en 24 januari 2003 heeft [appellant] zijn vorderingen op de belastingdienst betreffende diverse belastingen over een aantal jaren aan [geïntimeerde] B.V. gecedeerd. In deze aktes is bepaald dat [geïntimeerde] B.V. een rente van 1% per maand in rekening mag brengen. 4.6 Partijen hebben een gerechtelijke procedure gevoerd, die heeft geleid tot een arrest van dit hof van 28 januari 2014 (hersteld op 1 april 2014). In deze procedure vorderde [appellant] schadevergoeding vanwege een door [geïntimeerde] B.V. gemaakte beroepsfout en vorderde [geïntimeerde] B.V. betaling van de openstaande facturen. Nadat een deskundigenbericht was uitgebracht veroordeelde het hof [geïntimeerde] B.V. tot betaling van € 17.357,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2005, aan schadevergoeding en [appellant] tot betaling van een bedrag van € 18.350,74, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 14 september 2005. Over de contractuele rente overwoog het hof (rov. 2.17):“Nu er geen grief is geformuleerd tegen de hoogte van de door [geïntimeerde] gevorderde en door de rechtbank toegewezen contractuele rente, zal ook het hof de contractuele rente toewijzen over genoemd bedrag en wel, bij gebreke van aanknopingspunten voor een andere ingangsdatum, vanaf 14 september 2005 (de dag van het instellen van de vordering in reconventie).” 4.7 In een brief van 28 april 2015 heeft de Belastingdienst aan [appellant] meegedeeld dat “begin 2014” een bedrag van € 27.752,- aan [geïntimeerde] B.V. is betaald - door middel van verrekening met belastingschulden van [geïntimeerde] B.V. - op grond van de aktes van cessie.
4.8
[geïntimeerde] B.V. heeft op 20 juli 2016 een bedrag van € 8.965,35 aan [appellant] betaald.
Geschil
5.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] B.V. gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van € 12.342,62, te vermeerderen met wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten. Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij dit bedrag onverschuldigd heeft betaald, gelet op het arrest van het hof van 28 januari 2014 en het door de belastingdienst al aan [geïntimeerde] B.V. betaalde bedrag. [appellant] voert in dat verband aan dat de contractuele rente enkelvoudig berekend moet worden en niet samengesteld, zoals [geïntimeerde] B.V. stelt.
5.2
Nadat [geïntimeerde] B.V. verweer had gevoerd en een comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de rechtbank in het vonnis van 5 december 2018 overwogen dat gelet op het feit dat in de aktes van cessie niet uitdrukkelijk is overeengekomen dat de contractuele rente samengesteld mag worden berekend het uitgangspunt moet zijn dat de contractuele rente enkelvoudig moet worden berekend. Dat is anders voor zover de aan [geïntimeerde] B.V, gegeven opdracht moet worden beschouwd als een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Volgens de rechtbank heeft [geïntimeerde] B.V. het door het deskundigenbericht onderbouwde betoog van [appellant] , dat de verhouding tussen de privéwerkzaamheden en de zakelijke werkzaamheden in een verhouding van twee derde tot een derde staat, onvoldoende weersproken. Dat betekent dat over een derde deel van de hoofdsom samengestelde rente mag worden berekend. De rechtbank stelde partijen in de gelegenheid een daarop gebaseerde renteberekening te vervaardigen.Nadat beide partijen een renteberekening hadden overgelegd, heeft de rechtbank in het eindvonnis van 17 april 2019 overwogen dat de renteberekening van [appellant] moet worden gevolgd. Deze berekening sluit op een nog door [geïntimeerde] B.V. te betalen bedrag van € 8.810,44. De rechtbank heeft [geïntimeerde] B.V. veroordeeld tot betaling van dit bedrag, met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2017, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten (€ 759,81) en proceskosten.
6
6. De bespreking van de grievenInleiding6.1 Ook in hoger beroep staat de vraag centraal of de contractuele rente samengesteld of enkelvoudig berekend moet worden. Het gaat om de rente die verschuldigd is op grond van het arrest van dit hof van 28 januari 2014. Dat arrest is in kracht van gewijsde gegaan en heeft tussen partijen gezag van gewijsde. Partijen zijn elkaar verschuldigd waartoe het hof hen in dat arrest heeft veroordeeld. In dat arrest is [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 18.350,74, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per jaar over dit bedrag vanaf 14 september 2005.
6.2
In het arrest zelf komt de vraag of de rente enkelvoudig of samengesteld berekend moet worden niet aan de orde. Het hof stelt slechts vast dat ook de rechtbank de contractuele rente heeft toegewezen en dat daar geen grief tegen is gericht. Gesteld noch gebleken is dat de rechtbank wel een oordeel heeft gegeven over het karakter van de contractuele rente. Bij gebreke van een duiding door rechtbank of hof van het karakter van de toegewezen contractuele rente, dient het uitgangspunt te zijn dat het hof de rente heeft toegewezen waarop [geïntimeerde] B.V. recht zou hebben gehad indien partijen daarover bij het hof (of in eerste aanleg bij de rechtbank) zouden hebben gedebatteerd. Partijen lijken daar ook vanuit te gaan. Zij verschillen alleen van mening over het antwoord op de vraag of dat leidt tot toepassing van samengestelde of enkelvoudige rente. Daarmee is het debat dat in de vorige procedure tussen hen niet is gevoerd, verschoven naar deze procedure. Dat betekent dus ook dat, anders dan [appellant] meent, bij de interpretatie van het arrest van het hof niet geabstraheerd kan worden van de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen. Die rechtsverhouding is bepalend voor het antwoord op de vraag wat het hof heeft bedoeld met toewijzing van de contractuele rente van 1% per maand; een samengestelde of een enkelvoudige rente. Om die reden falen de grieven 1 en 2 in het principaal appel, die erop neerkomen dat bij de uitleg van de door het hof uitgesproken veroordeling kan worden geabstraheerd van de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen. Berekening van de contractuele rente bij een handelsovereenkomst en een niet-handelsovereenkomst6.3 Partijen zijn het erover eens dat indien en voor zover op de vordering van [geïntimeerde] B.V. de wettelijke handelsrente van toepassing is, de contractuele rente samengesteld berekend moet worden. Dat volgt ook uit artikel 6:119a lid 9 BW. [geïntimeerde] B.V. meent bovendien dat ook indien en voor zover over haar vordering de wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd is, de contractuele rente samengesteld berekend moet worden. Volgens [appellant] ligt dat anders. Hij stelt dat indien de ‘gewone’ wettelijke rente op de vordering van toepassing zou zijn de contractuele rente over deze vordering enkelvoudig berekend moet worden. De rechtbank is [appellant] daarin gevolgd.
6.4
De rechtbank heeft in rov. 4.4 van het vonnis van 5 december 2018 uitvoerig gemotiveerd waarom de contractuele rente die verschuldigd is over een vordering uit een overeenkomst die geen handelsovereenkomst is enkelvoudig berekend dient te worden (tenzij partijen anders zijn overeengekomen). Het hof kan zich volledig vinden in wat de rechtbank op dit punt overwogen heeft en neemt dat over. Het hof voegt daaraan toe dat in een zaak waarin contractuele rente was gevorderd het hof Amsterdam in een arrest van 12 april 2007 overwoog:“Naast de grieven heeft [verweerder] in de memorie van grieven aangevoerd dat geen rechtsgrond bestaat voor verschuldigdheid harerzijds van samengestelde rente, zoals [eiseres] haar kennelijk op grond van het beroepen vonnis heeft berekend, nu [eiseres] contractuele rente vordert en ter zake geen contractueel beding is overeengekomen. Ter voorkoming van een afzonderlijk executiegeschil op dit punt, merkt het hof op dat dit standpunt juist is, nu [verweerder] conform het gevorderde veroordeeld is tot voldoening van de overeengekomen rente en niet is gesteld of gebleken dat berekening van samengestelde rente door [eiseres] is bedongen."
Het hof oordeelde dus dat bij gebreke van een andersluidende afspraak tussen partijen de contractuele rente enkelvoudig berekend dient te worden.In cassatie werd tegen dit oordeel opgekomen. AG Timmerman meende in zijn conclusie onder verwijzing naar wetsgeschiedenis en literatuur dat de cassatieklacht tegen het oordeel van het hof niet slaagde. In zijn arrest van 9 oktober 2009 verwierp de Hoge Raad de cassatieklachten tegen het hiervoor geciteerde oordeel van het hof met artikel 81 RO. Het hof ziet in wat [geïntimeerde] B.V. aanvoert geen reden af te wijken van genoemd arrest van de Hoge Raad en de heersende lijn in literatuur en feitenrechtspraak.
6.5
Dat betekent dat grief 1 in het incidenteel appel faalt. Omdat gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over het karakter van de contractuele rente en dus ook niet dat zij hebben afgesproken dat indien en voor zover geen sprake is van een handelsovereenkomst de contractuele rente toch een samengesteld karakter heeft, is doorslaggevend of de vordering van [geïntimeerde] B.V. waarover de contractuele rente is toegewezen, is gebaseerd op een handelsovereenkomst of niet. Voor zover dat het geval is, moet de rente samengesteld worden berekend, voor zover dat niet het geval is, is een enkelvoudige berekening op zijn plaats. Handelsovereenkomst of niet6.6 Het gaat er dus om of de vordering van [geïntimeerde] B.V. is gebaseerd op een handelsovereenkomst. Het hof merkt daarbij op dat [appellant] zich er niet op heeft beroepen dat de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde] B.V. is aangegaan voor 1 december 2002, waardoor de regeling van de wettelijke handelsrente niet op de overeenkomst van toepassing is.
Conclusie
6.17
De conclusie is dat het hof de bestreden vonnissen van de rechtbank van
5 december 2018 en 17 april 2019 zal bekrachtigen. In het hoger beroep tegen het vonnis van 13 juni 2018 (bepaling comparitie) wordt [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen dat vonnis geen hoger beroep open staat. [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal appel (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief I), [geïntimeerde] B.V. in de proceskosten van het incidenteel appel (geliquideerd salaris van de advocaat: 0,5 punt, tarief I).
6.18
Bij deze stand van zaken faalt grief 3 in het incidenteel appel, waarmee [geïntimeerde] B.V. opkomt tegen de door de rechtbank uitgesproken veroordeling.
7
Dictum
Het gerechtshof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van 13 juni 2018;
bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland van 5 december 2018 en 17 juni 2019;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel en bepaalt deze kosten voor zover tot nu toe aan de zijde van [geïntimeerde] B.V. gevallen op € 741,- aan verschotten en op € 759,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
veroordeelt [geïntimeerde] B.V. in de kosten van het incidenteel appel en bepaalt deze kosten voor zover tot nu toe aan de zijde van [appellant] gevallen op nihil aan verschotten en op € 379,50 voor geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, W.P.M. ter Berg en G. van Rijssen en is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.
Te vinden in ECLI:NL:HR:2009:BJ2678.
ECLI:NL:PHR:2009:BJ2678, onder 3.4.
ECLI:NL:HR:2009:BJ2678.
HvJEU 15 december 2016, ECLI:EU:C:2016:954 (https://www.navigator.nl/groeneserie/WKNL_CSL_419/document/id53a406dc908a42c784f6d34edcf85071), rov. 30 e.v.
Geschil
Het hof heeft een dergelijke stelling ook niet kunnen lezen in de grieven van [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank, dat de vordering van [geïntimeerde] B.V. deels is gebaseerd op een handelsovereenkomst. Dat de overeenkomst van opdracht tussen partijen is aangegaan voor 1 december 2002 kan dan ook geen rol spelen bij het oordeel van het hof.
6.7
Volgens [appellant] zijn partijen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht geen contractuele rente overeengekomen. Volgens hem is de rente van 1% per maand pas afgesproken in het kader van de totstandkoming van de cessie-akten, waarin is bepaald dat [geïntimeerde] B.V. een rente van 1% per maand in rekening mag brengen. De rente maakt dan ook deel uit van een (nadere) betalingsafspraak, die niet voortvloeit uit de oorspronkelijke overeenkomst van opdracht. [geïntimeerde] B.V. heeft dat (in de procedure in eerste aanleg) weersproken. Volgens haar zijn partijen de verschuldigdheid van contractuele rente overeengekomen en is die afspraak bevestigd in de cessie-akten, die ook nog eens dateren van de beginfase van de werkzaamheden.
6.8
Het hof volgt [geïntimeerde] B.V. in dit betoog. De cessieakten dateren van
14 en 24 januari 2003. [geïntimeerde] B.V. was toen nog volop voor [appellant] aan het werk - zij heeft van medio 2002 tot november 2004 werkzaamheden voor [appellant] verricht. Op
25 januari 2005, dus nadat de cessieakten ondertekend waren, heeft [geïntimeerde] B.V. haar eerste declaratie (voor haar werkzaamheden tot die datum) gestuurd. Onder deze omstandigheden kan de in de cessieakten vastgelegde afspraak over de verschuldigdheid van contractuele rente niet los worden gezien van de overeenkomst van opdracht tussen partijen, die toen nog lang niet was afgerond. Het is gelet op het feit dat [geïntimeerde] B.V. ten tijde van het ondertekenen van de cessieakten nog geen declaratie had verstuurd, laat staan dat de betalingstermijn van een factuur verstreken was, ook niet aannemelijk dat de afspraak over de contractuele rente een nadere betalingsafspraak is, noodzakelijk omdat de oorspronkelijke afspraak niet is, of kan worden, nagekomen. Om deze reden faalt grief 3 in het principaal appel.
6.9
Het komt er dus op aan of de overeenkomst van opdracht, waarvan de afspraak over de contractuele rente deel uitmaakt, een handelsovereenkomst is of niet. Een handelsovereenkomst is een overeenkomst waarbij (1) om baat (2) een of meer partijen verplicht worden iets te geven of te doen en die (3) tot stand is gekomen tussen één of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen anders dan een overheidsinstantie.Dat in dit geval aan de beide eerste elementen is voldaan, staat tussen partijen niet ter discussie. Zij verschillen van mening of ook aan het derde element is voldaan. Volgens [appellant] heeft hij niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf gehandeld, maar als privépersoon, omdat zijn bedrijven al waren beëindigd toen hij [geïntimeerde] B.V. inschakelde. [geïntimeerde] B.V. stelt dat met haar inschakeling een zakelijk doel werd nagestreefd: [appellant] wilde de met zijn ex echtgenote gesloten vaststellingsovereenkomst aantasten om zo alsnog de financiële middelen te krijgen die nodig waren voor de voortzetting van zijn (bedrijfsmatige) veehandel.
6.10
Artikel 6:119a BW moet worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de EG-richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (Richtlijn 2000/35/EG; PbEG L 200/35 d.d. 8 augustus 2000 - hierna: de richtlijn). Het doel van deze richtlijn is de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties. Het begrip handelstransactie wordt in artikel 2 van de richtlijn als volgt gedefinieerd: "transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of diensten".
Het begrip "onderneming" wordt als volgt gedefinieerd: "elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend".
Dit vereiste impliceert dat bedoelde persoon, ongeacht zijn rechtsvorm en zijn statuut naar nationaal recht, die activiteit gestructureerd en duurzaam uitoefent, zodat het bij die activiteit niet slechts dient te gaan om één geïsoleerde verrichting, en dat de betrokken transactie wordt gesloten in het kader van genoemde activiteit.
Om te bepalen of een persoon - ongeacht diens rechtsvorm en statuut - een onderneming voert, in het kader van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit handelt en of bijgevolg de door hem gesloten transacties handelstransacties zijn, moeten alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken.
6.11
Het hof stelt vast dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de werkzaamheden van [geïntimeerde] B.V. die zijn verricht in het kader van de fiscale afwikkeling van de bedrijven van [appellant] zijn te beschouwen als werkzaamheden ter uitvoering van een handelsovereenkomst. Het gaat er dan ook om of ook de werkzaamheden die verband houden met de afwikkeling van de echtscheiding en de boedelscheiding als werkzaamheden ter uitvoering van een handelsovereenkomst hebben te gelden. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Het aangaan en beëindigen van een huwelijk is uiteraard geen economische activiteit, ook niet wanneer de echtgenoten ondernemer zijn. Het afwikkelen van de financiële consequenties van een huwelijk is dat evenmin en het verlenen van professionele bijstand aan een ondernemer bij de afwikkeling van een boedelscheiding is dan ook geen transactie tussen ondernemingen in de zin van artikel 2 van de richtlijn. Daarbij is niet relevant wat de opdrachtgever met de eventuele baten van de hem verleende bijstand wil doen: investeren in zijn onderneming of een nieuw te starten onderneming, beleggen of aanwenden voor consumptieve bestedingen. Niet de besteding van de revenuen van een transactie, maar de aard van de transactie is doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een handelstransactie of niet.
6.12
Uit het voorgaande volgt dat het hof er met de rechtbank vanuit gaat dat alleen voor zover de werkzaamheden van [geïntimeerde] B.V. betrekking hebben gehad op de afwikkeling van de bedrijven van [geïntimeerde] B.V. sprake is van een handelsovereenkomst. Grief 2 in het incidenteel appel, waarin [geïntimeerde] B.V. opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat voor zover de werkzaamheden van [geïntimeerde] B.V. betrekking hebben op de afwikkeling van de boedelscheiding geen sprake is van een handelsovereenkomst, faalt dan ook.
Aandeel handelsovereenkomst
6.13 [geïntimeerde] B.V. komt met grief 2 in het incidenteel appel ook op tegen het oordeel van de rechtbank over de verdeling van de werkzaamheden van [geïntimeerde] B.V. tussen werkzaamheden in het kader van de afwikkeling van de bedrijven en werkzaamheden ten behoeve van de boedelscheiding. De rechtbank heeft zich voor dit oordeel gebaseerd op het deskundigenbericht dat in de vorige procedure tussen partijen is uitgebracht. [geïntimeerde] B.V. is het daar niet mee eens. Volgens haar is dat advies met een ander doel uitgebracht. Het hof volgt [geïntimeerde] B.V. daarin niet. Hoewel het (uitgebreide) advies niet is uitgebracht om antwoord te geven op de vraag naar de verdeling tussen - kort gezegd - zakelijke en privéwerkzaamheden biedt het wel inzicht in deze verdeling, doordat de deskundige nauwkeurig omschrijft welke werkzaamheden [geïntimeerde] B.V. heeft verricht. [geïntimeerde] B.V. werkt niet uit welke van de door de rechtbank op basis van het deskundigenrapport als privé aangemerkte werkzaamheden wel een zakelijk karakter hebben. In zoverre zijn haar stellingen onvoldoende concreet.