Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-11-04
ECLI:NL:GHARL:2020:11371
Strafrecht
Hoger beroep
7,956 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002685-19
Uitspraak d.d.: 4 november 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 mei 2019 met parketnummer 08-993088-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. A.E. van der Wal, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Overijssel heeft verdachte bij vonnis van 9 mei 2019 veroordeeld ter zake van
–kort gezegd– belastingfraude tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur. Verdachte heeft op 14 mei 2019 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld, omdat hij het niet eens is met de door de rechtbank opgelegde straf en de motivering die daaraan grondslag is gelegd.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks de periode vanaf 7 april 2015 tot en met
6 oktober 2017, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name gesteld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de maanden
- februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2015, en/of
- januari en/of februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2016, en/of
- januari en/of februari en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2017,
onjuist of onvolledig heeft gedaan althans heeft laten doen/heeft doen plegen bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst [plaats] , terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende genoemde maanden een te laag bedrag bij netto omzet was vermeld.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft bekend dat hij in samenwerking met medeverdachte [naam] onjuiste aangiften omzetbelasting (op naam van de [bedrijf 1] ) heeft gedaan om de af te dragen belastingbedragen in overeenstemming te brengen met de aanwezige liquide middelen. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de periode tot 31 januari 2016 bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken, omdat hij niet de normadressaat van de strafbepaling is. Zij heeft daartoe verwezen naar twee recente uitspraken van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat slechts degene die tot het doen van aangifte is gehouden, als ‘pleger’ van het delict kan worden aangemerkt. De raadsvrouw heeft vervolgens betoogd dat verdachte evenmin als medepleger kan worden veroordeeld, omdat de beweerdelijke medepleger [naam] geen van de aangiften heeft gedaan. Als de rechtspersoon de beoogde medepleger zou zijn, dient volgens de raadsvrouw eveneens vrijspraak te volgen, nu de enkele omstandigheid dat de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, niet kan leiden tot de conclusie dat het feit tezamen met die rechtspersoon is gepleegd.
Ten aanzien van de periode na 31 januari 2016 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het doen plegen. Verdachte was immers slechts uitvoerder van het strafbare feit.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van het doen van onjuiste aangiften voor de periode tot 31 januari 2016 en voor de periode daarna tot bewezenverklaring van de deelnemingsvorm ‘doen plegen’.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
In het bijzonder overweegt het hof het volgende.
In de uitspraken van de Hoge Raad die ten grondslag liggen aan het verweer van de raadsvrouw, is telkens ook overwogen:
“Opmerking verdient dat - zoals ook blijkt uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis - de art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.”
Het hof is van oordeel dat verdachte in de periode tot 31 januari 2016 als medepleger kan worden aangemerkt. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte [naam] en verdachte bij het doen van de onjuiste aangiften. Verdachte diende de aangiften in op basis van de door [naam] aangeleverde bedragen. [naam] was in deze periode bestuurder van de vennootschap en op grond van artikel 42 AWR verantwoordelijk voor het uitoefenen van de bevoegdheden (en verplichtingen) van die vennootschap. Beiden wisten dat [naam] maandelijks een opgave deed van het bedrag dat het bedrijf op dat moment aan belasting kon betalen, waarna verdachte de aangifte zo invulde dat de te betalen bedragen omzetbelasting daarmee in overeenstemming waren.
Voor de periode na 31 januari 2016 geldt dat verdachte dit ‘aangiftebeleid’ zelfstandig voortzette. Er is geen enkele aanwijzing dat de rechtspersoon wetenschap had van het feit dat er onjuiste aangiften werden ingediend.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 (honderdzestig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. R.G.J. Welbergen, voorzitter,
mr. G. Dam en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,
en op 4 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Hoge Raad, 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121 en Hoge Raad, 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1372
In beide arresten: r.o. 2.5
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002685-19
Uitspraak d.d.: 4 november 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 mei 2019 met parketnummer 08-993088-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. A.E. van der Wal, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Overijssel heeft verdachte bij vonnis van 9 mei 2019 veroordeeld ter zake van
–kort gezegd– belastingfraude tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur. Verdachte heeft op 14 mei 2019 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld, omdat hij het niet eens is met de door de rechtbank opgelegde straf en de motivering die daaraan grondslag is gelegd.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks de periode vanaf 7 april 2015 tot en met
6 oktober 2017, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name gesteld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de maanden
- februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2015, en/of
- januari en/of februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2016, en/of
- januari en/of februari en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2017,
onjuist of onvolledig heeft gedaan althans heeft laten doen/heeft doen plegen bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst [plaats] , terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende genoemde maanden een te laag bedrag bij netto omzet was vermeld.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft bekend dat hij in samenwerking met medeverdachte [naam] onjuiste aangiften omzetbelasting (op naam van de [bedrijf 1] ) heeft gedaan om de af te dragen belastingbedragen in overeenstemming te brengen met de aanwezige liquide middelen. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de periode tot 31 januari 2016 bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken, omdat hij niet de normadressaat van de strafbepaling is. Zij heeft daartoe verwezen naar twee recente uitspraken van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat slechts degene die tot het doen van aangifte is gehouden, als ‘pleger’ van het delict kan worden aangemerkt. De raadsvrouw heeft vervolgens betoogd dat verdachte evenmin als medepleger kan worden veroordeeld, omdat de beweerdelijke medepleger [naam] geen van de aangiften heeft gedaan. Als de rechtspersoon de beoogde medepleger zou zijn, dient volgens de raadsvrouw eveneens vrijspraak te volgen, nu de enkele omstandigheid dat de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, niet kan leiden tot de conclusie dat het feit tezamen met die rechtspersoon is gepleegd.
Ten aanzien van de periode na 31 januari 2016 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het doen plegen. Verdachte was immers slechts uitvoerder van het strafbare feit.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van het doen van onjuiste aangiften voor de periode tot 31 januari 2016 en voor de periode daarna tot bewezenverklaring van de deelnemingsvorm ‘doen plegen’.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
In het bijzonder overweegt het hof het volgende.
In de uitspraken van de Hoge Raad die ten grondslag liggen aan het verweer van de raadsvrouw, is telkens ook overwogen:
“Opmerking verdient dat - zoals ook blijkt uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis - de art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.”
Het hof is van oordeel dat verdachte in de periode tot 31 januari 2016 als medepleger kan worden aangemerkt. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte [naam] en verdachte bij het doen van de onjuiste aangiften. Verdachte diende de aangiften in op basis van de door [naam] aangeleverde bedragen. [naam] was in deze periode bestuurder van de vennootschap en op grond van artikel 42 AWR verantwoordelijk voor het uitoefenen van de bevoegdheden (en verplichtingen) van die vennootschap. Beiden wisten dat [naam] maandelijks een opgave deed van het bedrag dat het bedrijf op dat moment aan belasting kon betalen, waarna verdachte de aangifte zo invulde dat de te betalen bedragen omzetbelasting daarmee in overeenstemming waren.
Voor de periode na 31 januari 2016 geldt dat verdachte dit ‘aangiftebeleid’ zelfstandig voortzette. Er is geen enkele aanwijzing dat de rechtspersoon wetenschap had van het feit dat er onjuiste aangiften werden ingediend.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 (honderdzestig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. R.G.J. Welbergen, voorzitter,
mr. G. Dam en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,
en op 4 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Hoge Raad, 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121 en Hoge Raad, 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1372
In beide arresten: r.o. 2.5
Inleiding
De straffeloosheid van de vennootschap brengt mee dat er naar het oordeel van het hof sprake is van ‘doen plegen’ door verdachte.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks in de periode vanaf 7 april 2015 tot en met
31 januari 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name gesteld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de maanden
- februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2015,
onjuist of onvolledig heeft gedaan althans heeft laten doen/ heeft doen plegen bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst [plaats] , terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende genoemde maanden een te laag bedrag bij netto omzet was vermeld
en dat
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks in de periode vanaf
31 januari 2016 tot en met 6 oktober 2017 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting
ten name gesteld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de maanden
- januari en/of februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2016, en/of
- januari en/of februari en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2017,
onjuist heeft doen plegen bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst [plaats] terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende genoemde maanden een te laag bedrag bij netto omzet was vermeld.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
meermalen gepleegd
en
het doen plegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- het volgende.
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan belastingfraude, waarbij de aangiften omzetbelasting evident onjuist waren en die uitsluitend waren gebaseerd op de betalingsmogelijkheden van de fiscale eenheid op het moment van aangifte. De belastingdienst is zo gebruikt om de liquiditeitsproblemen van de vennootschap op te lossen. Dat klemt temeer, omdat van verdachte, als eigenaar van een administratiekantoor, verwacht mag worden dat hij integer handelt en er niet aan meewerkt dat zijn cliënten zich schuldig maken aan strafbare feiten bij het voeren van hun administratie. Verdachte heeft dat wel gedaan en die handelwijze ook voortgezet op het moment dat er vanuit de rechtspersoon niemand meer verlangde dat hij die handelwijze voortzette.
Hoewel volgens de rechterlijke oriëntatiepunten oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zou zijn, houdt het hof ten voordele van verdachte rekening met het volgende.
Verdachte heeft zijn betrokkenheid direct tegenover de Belastingdienst en de aandeelhouders erkend en volledige opening van zaken gegeven. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid genomen en een deel van de aan de fiscale eenheid opgelegde boete in privé voldaan en afgezien van de vorderingen die hij nog op de vennootschap had. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inziet dat hij dom heeft gehandeld en dat hij daar spijt van heeft. Hij heeft verder verklaard dat een langdurige gevangenisstraf tot gevolg zou hebben dat zijn bedrijf ophoudt te bestaan en zijn gezinsleven zwaar onder druk komt te staan.
Verder heeft het hof er rekening mee gehouden dat verdachte overigens een blanco strafblad heeft en dat hij ook na de –inmiddels al wat oudere feiten– niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden is. Daarboven zal het hof een geldboete opleggen van € 25.000,--. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij over voldoende draagkracht beschikt om deze boete te kunnen voldoen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Inleiding
De straffeloosheid van de vennootschap brengt mee dat er naar het oordeel van het hof sprake is van ‘doen plegen’ door verdachte.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks in de periode vanaf 7 april 2015 tot en met
31 januari 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name gesteld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de maanden
- februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2015,
onjuist of onvolledig heeft gedaan althans heeft laten doen/ heeft doen plegen bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst [plaats] , terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende genoemde maanden een te laag bedrag bij netto omzet was vermeld
en dat
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks in de periode vanaf
31 januari 2016 tot en met 6 oktober 2017 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting
ten name gesteld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de maanden
- januari en/of februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2016, en/of
- januari en/of februari en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december 2017,
onjuist heeft doen plegen bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst [plaats] terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende genoemde maanden een te laag bedrag bij netto omzet was vermeld.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
meermalen gepleegd
en
het doen plegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- het volgende.
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan belastingfraude, waarbij de aangiften omzetbelasting evident onjuist waren en die uitsluitend waren gebaseerd op de betalingsmogelijkheden van de fiscale eenheid op het moment van aangifte. De belastingdienst is zo gebruikt om de liquiditeitsproblemen van de vennootschap op te lossen. Dat klemt temeer, omdat van verdachte, als eigenaar van een administratiekantoor, verwacht mag worden dat hij integer handelt en er niet aan meewerkt dat zijn cliënten zich schuldig maken aan strafbare feiten bij het voeren van hun administratie. Verdachte heeft dat wel gedaan en die handelwijze ook voortgezet op het moment dat er vanuit de rechtspersoon niemand meer verlangde dat hij die handelwijze voortzette.
Hoewel volgens de rechterlijke oriëntatiepunten oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zou zijn, houdt het hof ten voordele van verdachte rekening met het volgende.
Verdachte heeft zijn betrokkenheid direct tegenover de Belastingdienst en de aandeelhouders erkend en volledige opening van zaken gegeven. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid genomen en een deel van de aan de fiscale eenheid opgelegde boete in privé voldaan en afgezien van de vorderingen die hij nog op de vennootschap had. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inziet dat hij dom heeft gehandeld en dat hij daar spijt van heeft. Hij heeft verder verklaard dat een langdurige gevangenisstraf tot gevolg zou hebben dat zijn bedrijf ophoudt te bestaan en zijn gezinsleven zwaar onder druk komt te staan.
Verder heeft het hof er rekening mee gehouden dat verdachte overigens een blanco strafblad heeft en dat hij ook na de –inmiddels al wat oudere feiten– niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden is. Daarboven zal het hof een geldboete opleggen van € 25.000,--. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij over voldoende draagkracht beschikt om deze boete te kunnen voldoen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.