Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2019-02-04
ECLI:NL:GHARL:2019:984
Strafrecht
WAHV 200.221.831 4 februari 2019 CJIB 153496383 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 7 juli 2017 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , wonende te [C] . 1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter door zijn beslissing te beginnen met de overweging "Aan betrokkene is op 11 juli 2011 een sanctie opgelegd…", de indruk wekt ervan uit te gaan dat wel degelijk een sanctie is opgelegd. Het standpunt van de betrokkene was en is dat nooit een sanctie is opgelegd. De kantonrechter wekt zo de schijn van vooringenomenheid ten opzicht van het standpunt van de betrokkene. 2. De kantonrechter is zijn opsomming van wat ter zitting is voorgevallen, besproken en door de kantonrechter is overwogen, begonnen met voormelde passage. Hij heeft dit uit het oogpunt van het bieden van rechtsbescherming van de betrokkene kunnen doen, om zichzelf aldus op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bevoegd te achten om de namens de betrokkene aangevoerde bezwaren te bespreken, zoals de kantonrechter ook met zoveel woorden heeft overwogen. Het argument van de gemachtigde vormt daarom geen reden voor vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. 3. De gemachtigde is verder van mening dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de zogenoemde "inleidende beschikking" met dagtekening 11 juli 2011 niet heeft te gelden als de beschikking waarbij ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wahv de sanctie wordt opgelegd. Er is geen sanctie opgelegd. Slechts het bevoegde bestuursorgaan, de aangewezen ambtenaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wahv, kan en mag een sanctie opleggen. Deze aangewezen ambtenaar moet een rechtshandeling verrichten, dat wil zeggen dat hij een op een rechtsgevolg gerichte wilsverklaring moet geven houdende het besluit tot oplegging van de sanctie aan de betrokkene. Die rechtshandeling moet in een Wahv-zaak blijken uit een schriftelijk stuk, afkomstig van de aangewezen ambtenaar zelf. Een betrokkene moet zonder daarvoor al te veel moeite te hoeven doen kunnen controleren welke aangewezen ambtenaar jegens hem heeft besloten tot oplegging van een sanctie. De bekendmaking van de beslissing tot oplegging van de sanctie moet bovendien gebeuren door het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd. Er moet dus niet alleen worden voldaan aan de eisen van de Wahv, maar ook aan die van de Awb (in het bijzonder de artikelen 10:11 en 10:12) en het Burgerlijk Wetboek (BW), in het bijzonder artikel 3:33 BW. In deze zaak ontbreekt een van de aangewezen ambtenaar afkomstige schriftelijke verklaring dat hij heeft besloten tot het opleggen van de sanctie aan de betrokkene. Ook blijkt niet dat de aangewezen ambtenaar de slechts aan hem toekomende bevoegdheid tot bekendmaking van zijn veronderstelde besluit tot oplegging van een sanctie heeft gemandateerd aan het CJIB. Over de noodzaak van mandaatkwestie heeft de kantonrechter zich niet uitgelaten. 4. Het hof stelt vast dat aan de betrokkene een op 11 juli 2011 gedateerd, van het CJIB afkomstig, document is toegezonden waarbij hem is meegedeeld dat een verkeersvoorschrift is overtreden en dat de betrokkene deze beschikking, waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, ontvangt. 5. Met betrekking tot de vraag of aldus op juiste wijze een sanctie op grond van de Wahv is opgelegd, stelt het hof voorop dat de Wahv, die eerder in werking is getreden dan de Awb, een speciale wet is ten opzichte van de Awb. Bij de invoering van de Awb is de Wahv op onderdelen aangepast. Een en ander betekent dat niet in de Wahv opgenomen bepalingen uit de Awb niet zonder meer gelding hebben en dat het gevoerde verweer primair dient te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het document bij en krachtens de Wahv bepaalde. 6. Artikel 2, eerste lid, van de Wahv houdt - voor zover hier van belang - in: "Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet (Stb. 1992, 96), worden op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties opgelegd." 7. Artikel 3 van de Wahv houdt - voor zover hier van belang - in: "1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren. 2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt." 8. Artikel 4 van de Wahv houdt - voor zover hier van belang - in: "1. De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen. 2. Zo mogelijk wordt aanstonds een aankondiging van de beschikking uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of wordt deze achtergelaten in of aan het motorrijtuig. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking." 9. Artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie houdt in: "Het model van de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vermeldt in ieder geval: a. de naam van de overtreder; b. de gedraging, alsmede het overtreden voorschrift; c. het te betalen sanctiebedrag; d. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden; e. een aanduiding van de plaats waar en de datum en het tijdstip waarop de gedraging is geconstateerd." 10. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau is het Centraal Justitieel Incassobureau belast met de taken die hem bij algemene maatregel van bestuur zijn opgedragen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel verricht het Centraal Justitieel Incassobureau de werkzaamheden die uit de taken, als bedoeld in het eerste lid, voortvloeien en die Onze Minister van Justitie of het openbaar ministerie van hem verlangen. 11. Artikel 5 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (hierna: Bahv) houdt in: "1. Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak het openbaar ministerie te ondersteunen bij zijn taak met betrekking tot de inning van de administratieve sancties en de daarop gevallen verhogingen en kosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet. 2. Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen. 3. De bevoegde ambtenaren verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens, die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel." 12. De hiervoor weergegeven bepalingen eisen niet dat er een schriftelijk besluit moet zijn van de ambtenaar die de sanctie oplegt, dat deze de sanctie oplegt. Het hof heeft in vaste jurisprudentie aanvaard dat het besluit tot oplegging van de sanctie (door de betrokkene omschreven als de op rechtsgevolg gerichte wilsverklaring) door de aangewezen ambtenaar kan worden genomen door het aanleveren van de gegevens van de gedraging aan het CJIB. Het CJIB is op zijn beurt, op de voet van artikel 5, tweede lid, Bahv, belast met het neerleggen van dat besluit in een document en het bekend maken van dat document (vgl. de arresten van 19 februari 2014 en 31 oktober 2014, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2014:1243 respectievelijk ECLI:NL:GHARL:2014:8369). 13. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Het hoger beroepschrift is aangevuld bij schrijven d.d. 22 mei 2018. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 11 januari 2019 zijn nog aanvullende stukken van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. De zaak is behandeld op de zitting van 21 januari 2019. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen, bijgestaan door dhr. [D] . De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [E] . Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.