Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2019-10-30
ECLI:NL:GHARL:2019:9276
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
944 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.236.311/01
CJIB-nummer
: 201254422
Uitspraak d.d.
: 30 oktober 2019
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de medewerker van de CVOM die de gemachtigde heeft gehoord in de fase van administratief beroep daartoe niet bevoegd was. Er is geen mandaatbesluit te vinden waaruit blijkt dat deze medewerker bevoegd is. Dat de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie ter zitting bij de kantonrechter heeft medegedeeld dat de medewerker bevoegd was, had de kantonrechter niet zonder meer voor waar mogen aannemen. De kantonrechter had tenminste moeten verzoeken om bewijs in te brengen.
2. Het hof heeft in zijn arrest van 24 november 2016 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:9412) vastgesteld dat namens de officier van justitie op administratief beroepschriften wordt beslist door medewerkers van de CVOM die daartoe via mandaat en ondermandaat zijn aangesteld. In zijn algemeenheid mag er dan ook van worden uitgegaan dat een door het CJIB namens de officier van justitie verzonden beslissing op een administratief beroep bevoegd is genomen. Ditzelfde geldt voor een onderdeel van de bevoegdheid tot het beslissen op administratief beroep; het horen van de betrokkene of diens gemachtigde. Dat kan slechts anders zijn wanneer blijkt van concrete feiten of omstandigheden die in een individuele zaak aan de bevoegdheid doen twijfelen. Van dergelijke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Het verweer faalt.
3. Verder richten de gronden van de gemachtigde zich tegen de beslissing van de kantonrechter om de inleidende beslissing in stand te laten. Daartoe voert de gemachtigde echter gronden aan die hij ook bij de kantonrechter heeft aangevoerd, zonder aan te geven waarom de kantonrechter die onjuist zou hebben beoordeeld. Het hof ziet op basis daarvan geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen en zal deze verweren verder onbesproken laten.
4. Gelet op het voorgaande zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.