Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2019-05-21
ECLI:NL:GHARL:2019:4331
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,677 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer 17/00948
uitspraakdatum: 21 mei 2019
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 september 2017, nummer LEE 17/320, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking vernietigd en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 246.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [A] .
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 15 oktober 2014 aangifte bpm gedaan voor een gebruikte personenauto van het merk Volkswagen, type Scirocco. Belanghebbende heeft met behulp van een taxatierapport de verschuldigde bpm berekend op € 1.192. Belanghebbende heeft de bpm op 28 oktober 2014 voldaan.
2.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 16 december 2015 in kennis gesteld van zijn voornemen om hem met betrekking tot de in 2.1 bedoelde aangifte en voldoening een naheffingsaanslag bpm op te leggen ten bedrage van € 1.620. In die brief heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Bij brief van 28 december 2015 heeft belanghebbende de Inspecteur onder meer bericht een en ander graag mondeling te willen toelichten. Vervolgens heeft belanghebbende, bij brief van 6 januari 2016, de Inspecteur bericht alsnog af te zien van de mogelijkheid tot het horen.
2.3.
Met dagtekening 24 februari 2016 is de onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van € 1.620 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is hem € 72 aan belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft het totaalbedrag van € 1.692 niet betaald omdat daarvoor uitstel van betaling is verleend door de Belastingdienst.
2.4.
Belanghebbende heeft op 10 maart 2017 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de belastingrente. In het bezwaarschrift is door belanghebbende verzocht om te worden gehoord en om vergoeding van de werkelijke proceskosten.
2.5.
De Inspecteur heeft, zonder belanghebbende te horen, op 11 januari 2017 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd tot nihil. Met betrekking tot de beschikking inzake de belastingrente is niet expliciet een beslissing genomen door de Inspecteur. Het verzoek tot vergoeding van de werkelijke proceskosten is afgewezen door de Inspecteur. Aan belanghebbende is een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend van € 246.
2.6.
Met dagtekening 6 juni 2017 is aan (de gemachtigde van) belanghebbende een ‘kennisgeving vermindering naheffingsaanslag BPM naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar d.d. 11 januari 2017’ gestuurd. Daarin is medegedeeld dat de naheffingsaanslag en de belastingrente is verminderd en dat de belasting en belastingrente nihil bedragen.
2.7.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
Geschil
Tussen partijen is in geschil of: (i) de Inspecteur heeft verzuimd uitspraak op bezwaar met betrekking tot de beschikking inzake de belastingrente te doen, (ii) de hoorplicht is geschonden door de Inspecteur, (iii) belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente over het griffierecht en (iv) of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten en op vergoeding van wettelijke rente.
Overwegingen
Nader stuk
4.1.
Belanghebbende heeft op 13 maart 2019 per fax een nader stuk met opschrift ‘hoger beroepschrift/herstel verzuimen’ aan het Hof verzonden. Dit stuk dient kan als een nader stuk in de zin van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden bestempeld. Dat artikel bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Aan die termijn heeft belanghebbende zich niet gehouden. De vraag of het stuk niettemin tot de procedure in hoger beroep kan worden toegelaten, beantwoordt het Hof ontkennend. In de uitnodigingsbrief voor de zitting is nadrukkelijk vermeld dat tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. Reden waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, heeft belanghebbende niet gegeven en niet valt in te zien waarom belanghebbende het nu overgelegde stuk niet eerder in de procedure had kunnen inbrengen. Gelet hierop weegt het belang dat belanghebbende heeft bij het overleggen van het stuk – welke belang niet door belanghebbende is toegelicht, maar klaarblijkelijk bestaat uit het innemen van een aantal nieuwe stellingen – naar het oordeel van het Hof niet zwaarder dan het algemene belang van een doelmatige procesgang (vgl. onder meer HR 10 april 2009, nr. 42.681, ECLI:NL:HR:2009:BI0562). Daarbij betrekt het Hof het belang van de Inspecteur om op dergelijke nieuwe stellingen naar behoren te kunnen reageren. Daarom wordt het stuk niet tot de procedure toegelaten. Op de inhoud ervan wordt derhalve geen acht geslagen door het Hof.
Uitspraak op bezwaar inzake de belastingrente
4.2.
De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof in overweging 9 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat met het geschrift van 11 januari 2017 niet alleen uitspraak op bezwaar is gedaan met betrekking tot het bezwaar tegen de naheffingsaanslag maar ook met betrekking tot het bezwaar tegen de beschikking inzake de belastingrente. Dit vindt bevestiging in de hiervoor in 2.6 vermelde kennisgeving van 6 juni 2017.
Schending Unierechtelijke verdedigingsbeginsel/schending hoorplicht
4.3.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het Unierecht artikel 7:3 van de Awb buiten toepassing moet worden gelaten, de hoorplicht is geschonden en dat de zaak naar de Inspecteur moet worden teruggewezen. Belanghebbende doet daarbij een beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (eerbiediging van de rechten van verdediging) en – wanneer genoemd artikel 7:3 verbindend moet worden geacht – op een extensieve interpretatie van artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Awb.
4.4.
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, dat van toepassing is wanneer de administratieve overheid voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen, vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratieve overheid haar besluit wil baseren. Bij de beoordeling of het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, kan van belang zijn dat de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit wordt opgeschort, evenals het bestaan van de mogelijkheid het besluit administratief aan te vechten (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 20 december 2017, C-276/16, Prequ’Italia Srl, ECLI:EU:C:2017:1010). Dit Unierechtelijke beginsel is uitsluitend van toepassing in situaties waarin het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd.
4.5.
Het Hof is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het Unierecht reeds faalt omdat een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding geen rechtstreeks verband houdt met de bpm als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C‑565/11, ECLI:EU:C:2013:250. Daarnaast is het Hof van oordeel dat artikel 7:3 van de Awb niet meebrengt dat de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt, alleen al omdat in het onderhavige geval de naheffingsaanslag en de beschikking zijn vernietigd (vgl. HR 18 februari 2005, nr. 37690, ECLI:NL:HR:2005:AM3206). Hier voegt het Hof nog aan toe dat evenmin het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, dat eist dat nationale procedurevoorschriften voor het geldend maken van aan het Unierecht ontleende aanspraken niet ongunstiger zijn dan de procedurevoorschriften voor het geldend maken van soortgelijke aan het nationale recht ontleende aanspraken, wordt geschonden.
4.6.
Om diverse redenen baat het beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel belanghebbende niet. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dient te worden nageleefd voordat een bezwarend besluit wordt genomen. Dit betekent dat het beroep op het verdedigingsbeginsel belanghebbende om deze reden al niet kan baten voor zover het de naheffingsaanslag en de beschikking betreft, aangezien die besluiten zijn vernietigd. Het Hof is van oordeel dat het in de bezwaarfase genomen besluit om aan belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toe te kennen en geen werkelijke proceskostenvergoeding geen bezwarend besluit is in de zin van genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. Het Hof wijst er ten overvloede op dat voldoende is dat de belanghebbende de gelegenheid is geboden zijn standpunt nuttig kenbaar te maken. Dit kan ook schriftelijk gebeuren. Belanghebbende dan wel zijn gemachtigde heeft zowel in de fase vóór het opleggen van de naheffingsaanslag en de beschikking (de brief van 16 december 2015 waarin aan belanghebbende het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag kenbaar is gemaakt) als in de bezwaarfase (het bezwaarschrift en de aanvulling daarop) de gelegenheid gekregen het eigen standpunt nuttig kenbaar te maken. Niet is vereist dat een hoorgesprek plaatsvindt. Voorts staat vast dat belanghebbende de naheffingsaanslag en de belastingrente niet heeft hoeven betalen. De uitvoering van deze bezwarende besluiten is dan ook opgeschort. Tegen de beslissing van de Inspecteur om niet de werkelijke proceskosten te vergoeden, staan beroep en hoger beroep open. Belanghebbende heeft deze beslissing dan ook kunnen voorleggen aan een onafhankelijke rechter, wat hij ook heeft gedaan.
4.7.
De Inspecteur is in bezwaar in zoverre aan belanghebbende tegemoetgekomen dat hij de naheffingsaanslag en de beschikking heeft vernietigd. In zoverre kon de Inspecteur – gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Awb – afzien van het horen van belanghebbende.
4.8.
In de Memorie van Toelichting is over de procedurele aspecten van de beslissing op het verzoek om kostenvergoeding het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 8)
“In de opzet van het wetsvoorstel neemt het bestuursorgaan – desverzocht – in beginsel (eerst) zelf een beslissing omtrent vergoeding van kosten, en wel in de beslissing op het bezwaar- of beroepschrift.
(…)
Een belangrijk uitgangspunt is [..] dat – evenals bij artikel 8:75 van de Awb het geval is – het wettelijk stelsel voorziet in concentratie van rechtsgangen en leidt tot beperking van procedures. Daartoe stellen wij een stelsel voor waarin het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de bestuurlijke voorprocedure alleen mogelijk is indien de belanghebbende in de voorprocedure daarom verzoekt. In dat geval zal daarop door het bestuursorgaan bij de beslissing op het bezwaar of administratief beroep een uitdrukkelijke beslissing moeten worden gegeven. De beslissing op een dergelijk verzoek is daarmee onderdeel van de beslissing op bezwaar of beroep. Tegen die beslissing kan vervolgens desgewenst op de gewone wijze beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
Dictum
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Daarom is de uitspraak ondertekend door mr. G.B.A. Brummer
De griffier Namens de voorzitter,
(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 mei 2019
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.