Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2018-05-22
ECLI:NL:GHARL:2018:4669
Civiel recht
Hoger beroep
2,405 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.230.833
(zaaknummer rechtbank Overijssel 167343)
arrest van 22 mei 2018
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [plaatsnaam] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. R.H.H. Schepers,
tegen:
[geïntimeerde]
,
wonende te [plaatsnaam] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M. Meijer.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 26 juli 2017 dat de rechtbank Overijssel heeft gewezen.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 december 2017,- de verwijzing door het hof van de zaak naar de rol voor uitlating door partijen over de (mogelijke) overschrijding van de appeltermijn,
- de akte uitlating appellant,- de antwoordakte (met producties),- de antwoordakte uitlating appellant.
2.2
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier.
3De ontvankelijkheid
3.1
Het hof moet beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep van het vonnis van 26 juli 2017.
3.2
Het vonnis van 26 juli 2017 is een vonnis waarvan partijen, op grond van artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in hoger beroep kunnen komen.
3.3
Op grond van artikel 339 Rv is de termijn voor het instellen van hoger beroep drie maanden, in dit geval te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis (op 26 juli 2017).
3.4
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, geoordeeld: “3.4.2 (…) Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van art. 339 Rv, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering (vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).
3.4.3
De toepassing van de art. 140 en 339 Rv in een concreet geval mag niet tot gevolg hebben dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast (vgl. voor de regeling van de verzettermijnen: HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629). Daarom is overschrijding van de appeltermijn niet zonder meer fataal in een geval als het onderhavige, waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend, en (…) het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn. Niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding moet dan achterwege blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt.”
3.5
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2814, geoordeeld: “3.3.1 Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel (…) zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering. (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894)
3.3.2
In de rechtspraak is een uitzondering op deze regel aanvaard voor het geval degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim, niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359).
(…)
3.5.1 In het hiervoor in 3.3.1 vermelde arrest heeft de Hoge Raad inmiddels ook in een dagvaardingsprocedure een uitzondering aanvaard op de hiervoor in dat arrest aangehaalde strikte regel. Voor het maken van een uitzondering op deze regel kan zowel in verzoekschrift- als in dagvaardingsprocedures aanleiding zijn gezien de ratio van die uitzondering, namelijk dat iemand niet buiten zijn schuld als gevolg van een fout of verzuim van (de griffie van) een rechtbank of gerechtshof kan worden afgesneden van een rechtsmiddel dat de wet hem toekent.”
3.6
Op grond van artikel 229 Rv bepaalt de rechter de dag waarop hij uitspraak zal doen en deelt hij deze dag aan de eiser en aan de in het geding verschenen gedaagde mede.
3.7
Op grond van artikel 231 lid 1 Rv verstrekt de griffier op de dag van de uitspraak
een afschrift van het vonnis aan de eiser en aan de gedaagde die in het geding is verschenen.
3.8
Bij dagvaarding van 22 januari 2015 heeft [geïntimeerde] bij de rechtbank Overijssel een vordering tegen [appellant] ingesteld. Nadat mr Snellink zich bij de rechtbank als advocaat voor [appellant] had gesteld en de zaak op de rol van 17 mei 2017 was geplaatst voor indiening door [appellant] van de conclusie van antwoord, heeft mr Snellink zich op 17 mei 2017 onttrokken als advocaat voor [appellant] . Mr Snellink heeft met het zogenoemde B2-formulier aan de rechtbank meegedeeld: “De heer en mevrouw [appellant] zijn door mij meerdere keren gewezen op de gevolgen. Ik heb hen aangegeven dat zij geen proceshandelingen kunnen verrichten”. [appellant] en de advocaat van [geïntimeerde] , mr Meijer, hebben via e-mails (van in ieder geval 12 en 15 mei 2017 en 3, 11 en 12 juli 2017) contact met elkaar gehad, onder meer over het toezenden van stukken uit het dossier aan [appellant] . Op 30 mei 2017 is op verzoek van [geïntimeerde] en ten laste van [appellant] conservatoir beslag gelegd. Op de rol van 14 juni 2017 heeft mr Meijer aan de rechtbank gevraagd om vonnis te wijzen. In zijn e-mail van 3 juli 2017 heeft [appellant] aan mr Meijer het volgende geschreven: “Zoals u weet treedt de heer Snellink niet meer op als onze advocaat. Fatsoenshalve informeerde hij ons over het feit dat het wijzen van vonnis voor 26 juli a.s. bij de rechtbank in Almelo op de rol staat. (…)”.
Op 26 juli 2017 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Op 6 oktober 2017 is het vonnis op verzoek van [geïntimeerde] door de deurwaarder aan (de huisgenote van) [appellant] betekend.
[appellant] is bij appeldagvaarding van 20 december 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 26 juli 2017.
3.9
[appellant] stelt:- dat het vonnis eerst ter kennis is gekomen van hem door de betekening van het vonnis op 6 oktober 2017;
- dat het vonnis niet eerder aan hem is toegezonden (door de rechtbank of (namens) de wederpartij) of uitgereikt;
- dat hij ten tijde van het vonnis niet langer werd vertegenwoordigd door een professionele rechtsbijstandverlener;
- dat hij geen toegang had tot het digitale rolsysteem van de rechtbank, zodat hij zich niet kon vergewissen van een (rol-)datum waarop de uitspraak gepland stond;
- dat hij niet door de rechtbank of [geïntimeerde] op de hoogte is gesteld van het voornemen van de rechtbank om op een bepaalde datum ook daadwerkelijk vonnis te wijzen,
- dat de zaak eerder op de parkeerrol was geplaatst (in verband met onderhandelingen) en dat de zaak daardoor al eerder langere tijd stil lag;
- dat hij in zijn e-mail van 3 juli 2017 aan mr Meijer een handreiking had gedaan om te komen tot een minnelijke regeling en dat het verzoek om tot een minnelijke regeling te komen onbeantwoord is gebleven;
- dat hij geen kennis had van het voeren van procedures.
3.10
Uitgangspunt is dat [appellant] niet binnen de (in artikel 339 Rv bedoelde) termijn van drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis op 26 juli 2017 hoger beroep heeft ingesteld. Hij heeft namelijk pas op 20 december 2017 hoger beroep ingesteld.
Dictum
Het hof, recht doende:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis van 26 juli 2017;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.628,-- voor verschotten en op € 537,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, C.J.H.G. Bronzwaer en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.