Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2018-04-17
ECLI:NL:GHARL:2018:3623
Civiel recht
Hoger beroep
3,808 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.201.071/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/394412/HL ZA 15-174)
arrest van 17 april 2018
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. W.W.P. Mei, kantoorhoudend te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [A] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. K. Spaargaren, kantoorhoudend te Hilversum.
1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 december 2016 hier over.
1.2
In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie gelast. De comparitie heeft geen doorgang gevonden.
1.3
Het verdere verloop van de procedure na het tussenarrest van 20 december blijkt uit:
- de memorie van grieven van 28 maart 2017,
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties,
- de memorie van antwoord in incidenteel appel.
1.4
Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
1.5
[appellant] vordert in hoger beroep -kort samengevat- vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 3 augustus 2016 en alsnog [geïntimeerde] in haar oorspronkelijke vordering(en) niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen.
1.6
[geïntimeerde] vordert in incidenteel hoger beroep alsnog haar vorderingen, zoals zij die bij de rechtbank heeft ingesteld, geheel toe te wijzen.
2De vaststaande feiten
2.1
Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderszins onvoldoende weersproken.
2.2
[appellant] en [geïntimeerde] zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Zij zijn getrouwd [in] 1964.
2.3
Hun huwelijk is ontbonden [in] 1985 door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 2 januari 1985 in de registers van de burgerlijke stand.
2.4
In het vonnis van 2 januari 1985 zijn partijen bevolen met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen. In geval van geschil is een notaris benoemd en in geval van weigerachtigheid of nalatigheid tot medewerking heeft de rechtbank twee onzijdige personen benoemd. Partijen zijn niet bij de notaris geweest om hun huwelijksgemeenschap te verdelen.
2.5
[appellant] heeft pensioenrechten opgebouwd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP). Deze pensioenrechten zijn nooit verdeeld of verevend.
2.6
De advocaat van [geïntimeerde] heeft bij brief van 28 januari 2015 aanspraak gemaakt op verdeling van de helft van het opgebouwde ouderdomspensioen, tot aan de datum van echtscheiding.
2.7
[geïntimeerde] is geboren [in] 1938 en [appellant] [in] 1940. Beiden zijn inmiddels geruime tijd AOW-gerechtigd.
2.8
Het ABP heeft op 30 maart 2016 aan [appellant] bericht dat de voorwaardelijke uitkering voor [geïntimeerde] € 1.164,11 bruto per jaar bedraagt, gerekend over de periode van 2 december 1959 tot 23 mei 1985.
dat
Geschil
3.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd:
- veroordeling van [appellant] opgave te doen van de contante waarde van het tot 2 januari 1985 opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen met opgave van het aan [geïntimeerde] toekomende deel alsmede van deze gegevens per gelijke post een afschrift toe te zenden aan [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat [appellant] nalatig blijft hieraan te voldoen;
- de verdeling vast te stellen van de door [appellant] opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioenrechten over de periode tot aan 2 januari 1985 in die zin dat de contante waarde van het aan [geïntimeerde] toekomende deel binnen 4 weken na opgaaf aan haar wordt betaald, althans subsidiair in goede justitie de verdeling vast te stellen van de ouderdoms- en nabestaandenpensioenrechten;
- compensatie van de proceskosten.
3.2
De rechtbank heeft bij vonnis van 3 augustus 2016 de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap voor wat betreft de pensioenaanspraken van [appellant] als volgt vastgesteld:
a. deelt de pensioenaanspraken van [appellant] opgebouwd voorafgaande aan 2 januari 1985 jegens het ABP toe aan [appellant] ,
b. veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen -zolang partijen in leven zijn- een bedrag van € 97,00 bruto per maand ingaande 1 februari 2015,
- bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan deze verdeling, te voldoen,
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Beoordeling
4.1
Als meest verstrekkende verweer heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, omdat hij niet op tijd hoger beroep heeft ingesteld tegen het deelvonnis van de rechtbank van 24 februari 2016. In dit vonnis zijn volgens haar de belangrijkste beslissingen genomen en zijn de verweren van [appellant] alle gemotiveerd verworpen.
4.2
Het hof verwerpt dit verweer van [geïntimeerde] . In het vonnis van 24 februari 2016 heeft de rechtbank een aantal inhoudelijke overwegingen gegeven, [appellant] opgedragen informatie van het ABP in het geding te brengen en verder iedere beslissing aangehouden. Dit vonnis kan niet worden aangemerkt als een deelvonnis, aangezien de rechtbank niet door een uitdrukkelijk dictum aan enig deel van het gevorderde een einde heeft gemaakt. [appellant] is ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Beoordeling
5.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] een gedeelte van zijn ouderdomspensioen aan [geïntimeerde] moet betalen. Bij een positieve beantwoording van deze vraag is verder in geschil vanaf welke datum [appellant] moet betalen en of dat een bedrag ineens moet zijn of een uitkering per maand. [appellant] en [geïntimeerde] zijn gescheiden op 23 mei 1985. In die periode was de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding nog niet van toepassing. Die wet is op 1 mei 1995 in werking getreden. Het ouderdomspensioen dat de pensioengerechtigde tijdens de duur van het huwelijk heeft opgebouwd, moest vanaf dat moment bij helfte verevend worden.
5.2
Daarvóór golden andere regels. Tot 1 mei 1995, de datum van inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, dienden de tot de datum van ontbinding van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten verrekend te worden met inachtneming van de uitgangspunten die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271 (Boon/Van Loon). De verdeling van het ouderdomspensioen is op grond van dat arrest anders dan onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Het pensioen, dat voor het huwelijk is opgebouwd, telt ook mee voor de berekening evenals het tot de datum van de ontbinding van het huwelijk opgebouwde weduwenpensioen.
5.3
In grief 1 in het principaal hoger beroep komt [appellant] op tegen rechtsoverweging 4.9 van het tussenvonnis van 24 februari 2016. In deze rechtsoverweging oordeelt de rechtbank dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij [appellant] het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat [geïntimeerde] geen aanspraak meer zou maken op verdeling van de pensioenrechten. Hij stelt dat [geïntimeerde] , nadat zij bij haar huidige echtgenoot was ingetrokken, nog een paar keer terug is gegaan naar de echtelijke woning om kleding, persoonlijke spullen en een aantal zaken die zij graag wilde meenemen, op te halen. [appellant] heeft, zo voert hij aan, redelijkerwijs aangenomen dat daarmee de gemeenschap van partijen was verdeeld, niet wetende dat de pensioenrechten ook in die gemeenschap vielen en destijds verdeeld hadden moeten worden. Daarnaast heeft [geïntimeerde] jarenlang niets gedaan om de pensioenrechten op te eisen en door haar stilzitten is bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de gemeenschap was verdeeld.
5.4
[geïntimeerde] bestrijdt de stelling van [appellant] dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat zij geen aanspraak meer zou maken op verdeling van de pensioenrechten. Volgens haar hebben beide partijen de boedelverdeling laten liggen. Er is gewoon niet over gedacht of gesproken. Volgens de wet verjaren boedel- en pensioenverdeling niet. Zij heeft [appellant] aangeschreven, omdat haar schoondochter haar daarover informeerde.
5.5
Naar het oordeel van het hof kan van rechtsverwerking slechts sprake zijn wanneer de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht onverenigbaar is. Enkel tijdsverloop of enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan, hetzij bij de wederpartij van de gerechtigde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827).
5.6
Het is juist dat [geïntimeerde] 30 jaar heeft gewacht voordat zij een vordering tot verdeling van de pensioenrechten heeft ingesteld. Gelet op de onder rechtsoverweging 5.5 genoemde maatstaf kan dit enkel stilzitten niet leiden tot een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan bij hem, in combinatie met het lange stilzitten van [geïntimeerde] , het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat [geïntimeerde] haar aanspraak op pensioenrechten niet meer geldend zou maken.
5.7
Grief 1 faalt.
5.8
Grief 2 in het principaal beroep is gericht tegen rechtsoverweging 4.11 van het tussenvonnis van 24 februari 2016. Hierin overweegt de rechtbank dat vanaf 1 februari 2015 geen sprake is van onredelijke benadeling van [appellant] indien [geïntimeerde] alsnog haar aanspraak op verdeling van de pensioenrechten geldend maakt. [appellant] vindt het vreemd dat de rechtbank het beroep op rechtsverwerking wel toewijst tot en met de maand januari 2015 en vanaf 1 februari 2015 niet. Hij acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank eerst tot het oordeel komt dat hij de eerste tien jaren van zijn pensioen zo heeft ingericht dat hij van zijn inkomen die uitgaven kan doen die hij gewend is te doen, terwijl hij nu naar aanleiding van de vordering van [geïntimeerde] op bepaalde uitgaven moet bezuinigen. Volgens hem druist dit in tegen de redelijkheid en billijkheid en valt dit oordeel ook niet te verenigen met een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:1873). Verder voert [appellant] aan dat zijn gewezen echtgenote en haar man in nagenoeg dezelfde financiële omstandigheden verkeren als hij en zijn echtgenote. Volgens hem is het redelijk om de financiële positie van hem en zijn echtgenote te vergelijken met die van [geïntimeerde] en haar echtgenoot. In dat kader zou het volgens [appellant] redelijk zijn te kijken naar de beperkende werking van de jusvergelijking in alimentatiezaken.
5.9
[geïntimeerde] betwist deze grief van [appellant] . Zij stelt dat de rechtbank het bezwaarlijk heeft geoordeeld dat [appellant] een grote som ineens zou moeten betalen. Volgens haar komt de rechtbank met deze overweging [appellant] grotendeels tegemoet, hetgeen zeer in zijn voordeel moet worden geacht. In de zaak van het hof Den Haag van 29 april 2014 wisten partijen -anders dan in de onderhavige casus- dat er pensioenrechten moesten worden verdeeld. [geïntimeerde] voert verder aan dat niet aannemelijk is dat het voor [appellant] bezwaarlijk is dat hij € 97,- per maand bruto aan haar moet betalen. Hij heeft dat ook niet expliciet gemaakt, omdat hij dat volgens haar niet kan. Het gaat hier om een vergeten vermogensbestanddeel en niet om alimentatie, aldus [geïntimeerde] .
5.10
Het hof stelt vast dat beide partijen nooit hebben nagedacht over verdeling van de pensioenrechten en van de mogelijkheid daartoe niet hebben geweten. [appellant] heeft dit op de comparitie bij de rechtbank van 11 januari 2016 verklaard. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij eerst van de mogelijkheid van verdeling van pensioenrechten op de hoogte raakte, toen haar schoondochter daarover een opmerking maakte. [appellant] bestrijdt deze stelling van [geïntimeerde] in hoger beroep ook niet langer. Voor het hof ligt de vraag voor of de gevolgen van deze onwetendheid geheel voor rekening en risico van [appellant] zijn (zoals [geïntimeerde] wenst) of geheel voor rekening en risico van [geïntimeerde] (zoals [appellant] voorstaat). Ook tussen gewezen echtgenoten geldt het beginsel van redelijkheid en billijkheid. Het hof is van oordeel dat de gevolgen van het niet-weten niet in zijn geheel op [appellant] of op [geïntimeerde] kunnen worden afgewenteld. Partijen zullen ieder een deel hiervan voor hun rekening moeten nemen en in dat kader is het hof met de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van onredelijke benadeling of verzwaring van de positie van [appellant] , indien [geïntimeerde] vanaf 1 februari 2015 alsnog haar aanspraak op verdeling van de pensioenrechten geldend maakt.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 3 augustus 2016;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Jonkman, mr. W. Breemhaar en mr. J.D.S.L. Bosch en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 17 april 2018.