Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-11-14
ECLI:NL:GHARL:2017:9974
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.169.608 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle 148679) arrest van 14 november 2017 in de zaak van mr. Dingenis Meulenberg handelende in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lyempf B.V. , woonplaats kiezende te Zwolle, appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: de curator, advocaat: mr. M.A. Kerkdijk, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Frésena-Salland B.V. , gevestigd te Raalte, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Frésena, advocaat: mr. J.V. van Ophem. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 4 februari 2015 dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle heeft gewezen. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 30 april 2015, - de memorie van grieven (met productie), - de memorie van antwoord, - de schriftelijke pleidooien overeenkomstig de pleitnotities (met producties bij de pleitnotitie van de curator). 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De curator vordert in het hoger beroep – kort gezegd – vernietiging van het vonnis van 4 februari 2015 met toewijzing van zijn in eerste aanleg ingestelde vordering en met veroordeling van Frésena in de kosten van beide instanties. 3 De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het (bestreden) vonnis van 4 februari 2015. 4 De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Deze zaak gaat kort gezegd om het volgende. Lyempf is op 7 april 2011 in staat van faillissement verklaard. Frésena had enige tijd voor dat faillissement een schuld van € 208.250,-- aan Lyempf. Frésena heeft op 8 februari 2011 van Romeva een vordering van € 208.250,-- gekocht en vervolgens haar schuld aan Lyempf met deze overgenomen vordering verrekend. Romeva is een zustervennootschap van Frésena die een onroerende zaak/bedrijfspand aan Lyempf verhuurde. De curator stelt dat Frésena niet tot deze verrekening bevoegd was omdat zij niet te goeder trouw in de zin van artikel 54 van de Faillissementswet (Fw) heeft gehandeld. Hij vordert een verklaring voor recht van die strekking en veroordeling van Frésena tot betaling van € 208.750,00 vermeerderd met rente. Het meest vergaande verweer van Frésena is dat – wat er ook zij van het beroep op artikel 54 Fw – de vordering van Lyempf op Frésena in het kader van een activa-transactie op 19 april 2011 is verkocht aan Hyproca Dairy Investments B.V. (hierna: Hyproca). Die verkoop heeft volgens Frésena bedoelde vordering omvat omdat in de koopovereenkomst tussen de curator en Hyproca is vermeld in artikel 1.1 sub c dat tot de verkochte activa behoorden ‘de vorderingen op handelsdebiteuren als onder meer vermeld op de als bijlage 3 aangehechte lijst’ . De rechtbank heeft geoordeeld dat dit verweer opgaat en daarom is de vordering van de curator afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank verworpen het standpunt van de curator dat de vordering van Lyempf op Frésena pas herleefde toen de curator na het faillissement stelde dat Frésena niet tot verrekening bevoegd was. 4.2 Met grief 1 komt de curator op tegen dit laatste oordeel (in rov. 4.3 van het vonnis). De curator betoogt daartoe dat de vordering van Lyempf op Frésena met het beroep op artikel 54 Fw en de honorering van dat beroep door de rechter herleeft. Pas dan krijgt de boedel daarover weer de beschikking, althans eerst op dat moment komt vast te staan dat het beroep op verrekening geen rechtsgevolg heeft gehad en dat de verbintenissen altijd zijn blijven bestaan. De curator wijst er daarbij op dat een andere uitleg niet aannemelijk is en tot onwenselijke situaties zou leid De curator voert voorts aan dat tussen hem en Hyproca nooit is gesproken over ‘de situatie van’ artikel 54 Fw, dat het nimmer de bedoeling is geweest om vorderingen die ‘ontstaan’ als gevolg van een beroep op artikel 54 Fw onder de reikwijdte van de overeenkomst te laten vallen en dat alleszins aannemelijk is dat Hyproca die bedoeling evenmin heeft gehad omdat zij niet wist van de overdracht en de verrekening. Omdat er onvoldoende tijd was om de administratie van Lyempf te onderzoeken en het dus niet bekend was of de lijst met handelsdebiteuren volledig was, is volgens de curator op verzoek en onder druk van Hyproca in de overeenkomst kort gezegd ‘onder meer’ opgenomen. Hiermee wilden partijen voorkomen dat een enkele vergeten of nog niet verwerkte vordering niet onder de overdracht zou vallen. De woorden ‘onder meer’ hebben betrekking op die situatie en niet op een situatie van artikel 54 Fw. 4.5 Het hof is met de curator van oordeel dat de uitleg van de genoemde overeenkomst dient te geschieden met inachtneming van de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Deze houdt in dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen de contractspartijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1427, DSM/Fox) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak wel van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Met inachtneming van het voorgaande overweegt het hof als volgt. Blijkens de tekst van de koopovereenkomst zijn - dit is ook niet in geschil - niet alleen verkocht de handelsdebiteuren zoals vermeld op genoemde bijlage 3. Het is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst onder grote tijdsdruk is gesloten en dat de curator noch Hyproca de tijd heeft gehad de debiteurenvorderingen in de administratie van Lyempf te onderzoeken en dat de curator evenmin tijd had om onderzoek te doen naar eventuele situaties zoals bedoeld in artikel 54 Fw. Dit doet er niet aan af dat de curator heeft ingestemd met de uitdrukkelijke eis van Hyproca dat alle vorderingen van handelsdebiteuren zouden worden overgedragen. De curator heeft aldus welbewust aanvaard dat er mogelijk meer vorderingen waren dan die op de genoemde bijlage 3 waren vermeld. De curator heeft deze bedoeling nader afgegrensd door te stellen dat het ging om ‘een enkele’, mogelijk vergeten of niet verwerkte vordering, maar hij heeft dit niet nader uitgewerkt terwijl Hyproca zich in haar brief van 16 oktober 2014 aan de advocaat van de curator (zie rov. 2.8 van het bestreden vonnis) op het standpunt heeft gesteld dat alle vorderingen zijn verkocht, ‘dus ook die om welke reden dan ook niet waren vermeld op de bijgevoegde lijst’ en dat enige beperking ten aanzien van de verkochte vorderingen niet door de curator is gestipuleerd. De curator heeft aldus niet geconcretiseerd waaruit de gestelde bedoeling van partijen bleek. Dit klemt te meer nu niet alleen uit de tekst maar ook uit de context, zoals door de curator geschetst, kan worden afgeleid dat alle handelsdebiteuren, zonder ‘mit