Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-10-24
ECLI:NL:GHARL:2017:9215
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.187.727 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/151659 / HA ZA 14-60) arrest van 24 oktober 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant] , advocaat: mr. P.T. Pel, kantoorhoudend te Hattem, tegen: de naamloze vennootschap ASR Schadeverzekering N.V. , gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: ASR , advocaat: mr. Ph. Ekering, kantoorhoudend te Rotterdam. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 11 maart 2015 en 14 oktober 2015 die de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle heeft gewezen. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 maart 2016, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord,- het tussenarrest uitgesproken op 25 april 2017,- de comparitie van partijen gehouden op 7 september 2017, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. 2.2 Na afloop van de comparitie heeft het hof arrest bepaald op het door [appellant] voorafgaand aan de comparitie overgelegde procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie. 2.3 [appellant] vordert in hoger beroep bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van de vonnissen van 11 maart 2015 en 14 oktober 2015, met afwijzing van de vorderingen van ASR in eerste aanleg en veroordeling van ASR in de proceskosten in beide instanties en in de nakosten. 3 De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het (bestreden) tussenvonnis van 11 maart 2015. Aangevuld met enkele feiten waar in hoger beroep eveneens van kan worden uitgegaan, komen de feiten neer op het volgende. 3.2 Op 10 juli 2011 is [appellant] met zijn personenauto betrokken geweest bij een verkeersongeval in Apeldoorn. [appellant] is toen op de kruising van de [a-straat] met de [b-straat] in botsing gekomen met een andere auto. Door die botsing is schade ontstaan aan de beide auto’s. Daarnaast heeft de inzittende in de auto van [appellant] , mw. [B] , letsel opgelopen. 3.3 Ten tijde van de aanrijding was de auto van [appellant] tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ASR. ASR is als WAM-verzekeraar van de auto aangesproken tot vergoeding van de door de aanrijding ontstane schade aan de andere auto en van de letselschade van de inzittende in de auto van [appellant] . ASR heeft als WAM-verzekeraar van [appellant] de aansprakelijkheid van [appellant] voor het ongeval erkend en de schade vergoed. 3.4 Op de verzekering van [appellant] bij ASR zijn onder andere de “Bijzondere Voorwaarden Personenverzekering Aansprakelijkheid” (hierna: de bijzondere polisvoorwaarden) van toepassing. Hierin is onder meer opgenomen: “Artikel 9 Aanvullende uitsluitingen Naast de uitsluitingen die in de Algemene Voorwaarden zijn opgenomen, gelden de volgende bepalingen. Wij verlenen geen dekking voor schade die is ontstaan: (…) 3 Rijbewijs ais de feitelijke bestuurder niet in het bezit is van een geldig wettelijk voorgeschreven rijbewijs voor de personenauto, met de eventueel daaraan gekoppelde aanhanger. (…) . 4 Rijbevoegdheid als de feitelijke bestuurder niet bevoegd is een motorrijtuig te besturen op grond van een wet of van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak waarin de rijbevoegdheid is ontzegd; (…) De uitsluitingen in lid 1 t/m 4 gelden niet voor de verzekerde die aantoont dat de genoemde omstandigheden zich buiten zijn medeweten en tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem redelijkerwijs geen verwijt treft. Artikel 10 Verhaal op de verzekerde Het is mogelijk dat wij volgens de WAM, een overeenkomende buitenlandse wet of op grond van deze verzekering schade en kosten moeten voldoen, die wij, door het ontbreken van dekking op grond van de Algemene of Bijzondere Voorwaarden van deze verzekering, n Daarbij is grief 1 gericht tegen het tussenvonnis en zijn de overige grieven zijn gericht tegen het eindvonnis. 5.2 De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 11 maart 2015 onder 4.5, samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat zij behoefte heeft aan nadere informatie over de status van het rijbewijs van [appellant] op 10 juli 2011, en heeft op de voet van artikel 22 Rv. aan [appellant] opgedragen om stukken die daar meer licht op kunnen werpen in te brengen. Daarbij is overwogen dat vooral [appellant] toegang tot die informatie zal kunnen krijgen, bijvoorbeeld door die op te vragen bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Ook is [appellant] opgedragen nadere stukken over te leggen met betrekking tot een staandehouding op 25 juli 2011 vanwege overtreding van artikel 9 lid 4 Wegenverkeerswet 1994 [toevoeging hof: rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd dan wel de overgifte daarvan is gevorderd]. In grief 1 komt [appellant] hiertegen op. Volgens hem miskent de rechtbank dat op ASR de bewijslast rust dat op 10 juli 2011 zijn rijbewijs ongeldig was en dat hij daarmee ook bekend was. 5.3 Deze grief faalt bij gebrek aan belang. De vraag op wie in deze zaak de bewijslast rust en of daaraan is voldaan, komt in hoger beroep ook via de andere grieven al aan de orde. Voor zover de grief beoogt aan te voeren dat [appellant] ten onrechte is opgedragen nadere stukken in het geding te brengen, is de grief zonder belang. Nadere stukken die [appellant] ter uitvoering van die opdracht in het geding heeft gebracht, behoren tot de gedingstukken en kunnen daaruit niet meer worden verwijderd en/of weggedacht. Het hof merkt daarbij nog op dat [appellant] ook niet vóór het inbrengen van die stukken bezwaar heeft gemaakt tegen de door de rechtbank aan hem verstrekte opdracht. Terzijde stelt het hof vast dat [appellant] ter uitvoering van die opdracht overigens geen aanvullende bescheiden in het geding heeft gebracht over de status van zijn rijbewijs; [appellant] heeft alleen de eerder bij het proces-verbaal al gevoegde uitdraai van het CRB (zie 3.7) opnieuw overgelegd. Wel heeft hij nog aanvullende stukken (het proces-verbaal van politie) ingebracht over de staandehouding op 25 juli 2011. Voor de beoordeling van deze zaak zijn die nader overgelegde stukken echter niet van doorslaggevend belang. [appellant] is door de (uitvoering van de) opdracht derhalve ook niet in zijn belang getroffen. 5.4 Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat moet worden aangenomen dat [appellant] niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en dat hij daarvan op de hoogte was. Volgens [appellant] miskent de rechtbank dat voor het ontbreken van polisdekking vereist is dat het rijbewijs ongeldig was én dat hij daarmee ook bekend was. Volgens [appellant] geldt dat, zo er al vanuit zou moeten worden gegaan dat zijn rijbewijs op 10 juli 2011 ongeldig was, hij daarvan toen in ieder geval niet op de hoogte was. De grief stelt aldus de vraag aan de orde of op 10 juli 2011 was voldaan aan de voorwaarden voor uitsluiting van de dekking, op de grond dat het rijbewijs van [appellant] toen ongeldig zou zijn geweest. 5.5 Voor het hof staat genoegzaam vast dat het rijbewijs van [appellant] op 10 juli 2011 inderdaad ongeldig was. Dat blijkt op zichzelf al uit de overgelegde en niet (gemotiveerd) betwiste uitdraai uit het CRB-register dat is gevoegd bij het proces-verbaal van de aanrijding (zie 3.8) en het strookt ook met wat [appellant] in hoger beroep nader heeft verklaard aangaande zijn rijbewijs. Hij heeft verklaard dat vóór het ongeval aan hem een EMG (Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer) was opgelegd -naar het hof begrijpt: de educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid als bedoeld in artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994. Ook heeft hij verklaard dat hij enige tijd vóór het ongeval een keer voor die cursus te laat is gekomen - volgens [appellant] maar vier minuten, maar enige onderbouwing daarvan heeft hij Indien als gevolg daarvan een naar zijn inschrijvingsadres in [D] verzonden mededeling [appellant] niet mocht hebben bereikt, dient dat in beginsel voor zijn rekening en risico te blijven, nu dit dan geweten dient te worden aan een niet tijdige inschrijving op zijn nieuwe adres en aan het feit dat hij kennelijk heeft verzuimd om zorg te dragen voor (doorzending van) postbezorging naar zijn nieuwe adres.[appellant] heeft er verder ook geen verklaring voor kunnen geven dat hij volgens [B] op 10 juli 2011 direct na het ongeval tegen haar gezegd zou hebben dat zijn rijbewijs ongeldig was (zie r.o. 3.8). [appellant] betwist die verklaring weliswaar ten stelligste, maar heeft niet kunnen verklaren hoe [B] ten tijde van het ongeval al bekend kon zijn met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Grief 2 faalt derhalve. 5.9 Voor zover [appellant] nog heeft aangeboden (nader) bewijs te leveren van het feit dat hij niet bekend was met een ongeldigverklaring van zijn rijbewijs wordt aan dat aanbod voorbijgegaan. [appellant] heeft niet aangegeven op welke wijze hij (nader) bewijs wenst te leveren, zodat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd. Bovendien omvat het aanbod niet tevens het aanbod om te bewijzen dat hij met de ongeldigverklaring redelijkerwijs ook niet bekend had kunnen zijn. Het hof gaat ook voorbij aan het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat er geen reden bestaat voor uitsluiting van de polisdekking. Aan dat aanbod komt geen zelfstandige betekenis toe naast het (verworpen) aanbod met betrekking tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Overigens is een juridisch oordeel over het al dan niet bestaan van een uitsluitingsgrond ook niet vatbaar voor bewijslevering. 5.10 De grieven 3 en 4 klagen erover dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op het (subsidiaire) verweer van [appellant] dat de bestuurder van de auto waarmee [appellant] in botsing is gekomen in een hoge mate medeschuld treft aan de botsing en dat de rechtbank bij de toewijzing van de verschillende schadeposten daar geen rekening mee heeft gehouden. 5.11 Die grieven zijn terecht voorgesteld in zoverre dat ook het hof uit het vonnis van de rechtbank niet blijkt dat de rechtbank op dat verweer is ingegaan. Zij slagen echter niet, in die zin dat zij niet resulteren in een vernietiging van het bestreden vonnis.Omtrent de toedracht van het ongeluk staat, mede op grond van hetgeen [appellant] daarover zelf heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling, vast dat [appellant] rijdend over de [a-straat] de met stoplichten beveiligde kruising met de [b-straat] is genaderd, dat hij daarbij reed over de rechterrijbaan bestemd voor het rechts afslaande verkeer, dat hij bij groen licht voor het rechts afslaande verkeer die kruising is opgereden maar daarbij rechtdoor is gereden terwijl het stoplicht voor het recht doorgaande verkeer nog op rood stond, en dat hij vervolgens op de kruising in botsing is gekomen met een auto die vanaf de [b-straat] de kruising opreed.Uit die toedracht volgt dat [appellant] in beginsel volledig aansprakelijk is voor het ongeluk; hij is immers door rood licht een kruising opgereden. Of [appellant] dat nu bewust heeft gedaan of, zoals hijzelf verklaart, bij vergissing is daarbij niet van belang. Voor medeschuld van de andere bestuurder heeft [appellant] zich erop beroepen dat die met een (veel) te hoge snelheid reed. [appellant] heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd die deze stelling onderbouwen. Hij heeft er alleen op gewezen dat de botsing met grote kracht heeft plaatsgevonden. Dat is echter onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de bestuurder van de andere auto met een (veel) te hoge snelheid heeft gereden. Uit niets blijkt dat de schade die is ontstaan alleen kan worden verklaard door aan te nemen dat de andere bestuurder met een te hoge snelheid moet hebben gereden. 5.12 De grieven 3 en 4 falen derhalve. Voor zover [appellant] nog heeft aangeboden bewijs te leveren van het feit dat hij niet volledig aansprakel