Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-10-24
ECLI:NL:GHARL:2017:9212
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.181.387/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3761499 MC EXPL 15-245 BmR/842) arrest van 24 oktober 2017 in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [appellante] , advocaat: mr. R.G.M. van der Pas, kantoorhoudend te Breda, tegen Stichting Nederlandse Publieke Omroep, gevestigd te Hilversum, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: NPO , advocaat: mr. M.A. Kuyt-Fokkens, kantoorhoudend te Voorburg, 1 Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 3 juni 2015 dat de kantonrechter in rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft gewezen. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 september 2015, - het arrest van 26 januari 2016, - het proces-verbaal van comparitie na aanbrenging van 15 februari 2016, - de memorie van grieven met producties, - de memorie van antwoord, - een akte van [appellante] met een productie en een antwoordakte van NPO. 2.2 Vervolgens heeft NPO de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 [appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellante] alsnog toe te wijzen met veroordeling van NPO in de kosten van de procedure in beide instanties. Aanvullend (bij memorie van grieven) heeft [appellante] , voor het geval ook het hof het beroep op verjaring van NPO honoreert, verzocht voor recht te verklaren dat 1 april 1978 heeft te gelden als de aanvangsdatum van de arbeidsverhouding tussen [appellante] en NPO. 3 De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.6. van het (bestreden) vonnis van 3 juni 2015 en zoals in het navolgende vermeld. 3.2 De Raad van Bestuur van de NPO heeft na consultering van de ondernemingsraad op 28 juli 2011 het besluit genomen tot implementatie van de nieuwe hoofdstructuur van de NPO. Het besluit had personele gevolgen. Ten behoeve daarvan is een Sociaal Plan Landelijke Publieke Omroepen opgesteld en van toepassing verklaard voor de periode van 1 juni 2010 t/m 31 december 2013. 3.3 Ten behoeve van de beëindiging van het dienstverband met [appellante] is tussen partijen op 13 februari 2013 een vaststellingsovereenkomst (verder: vso) ex artikel 7:900 BW overeengekomen, waarbij het dienstverband is beëindigd met ingang van 1 mei 2013 en waarbij onder meer de financiële gevolgen voor [appellante] conform het Sociaal Plan zijn geregeld. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “in overweging nemende, dat (…) - u in dienst getreden bent bij de NPO [in] 1978, en geboren bent [in] 1953; - u voor indiensttreding gedurende een periode van 3 jaar (1975 – 1977) op freelance basis werkzaamheden voor de NPO heeft verricht; - uw functie van Manager MOA in het kader van deze reorganisatie komt te vervallen; - overleg heeft plaatsgevonden over de voorwaarden en condities die gelden bij einde dienstverband; (…) zijn wij onderstaande regeling overeengekomen: (…) 4 Aan c.q. ten behoeve van u, zal de NPO conform het bepaalde in artikel 8 sub b. en artikel 9 van het Sociaal Plan bij einde dienstverband een bedrag betalen van € 330.776,57 bruto op grond van artikel 8 alsmede € 10.125,81 op grond van artikel 9 van het Sociaal Plan. Dit bedrag is gelijk aan respectievelijk 49 en 1,5 keer uw bruto maandsalaris per 1 januari 2013, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. (...) 8 Wij komen met betrekking tot u alle verplichtingen na die uit het dienstverband en/of de beëindiging daarvan voortvloeien t.a.v. de Pensioenwet en/of uit de bepalingen van de geldende pensioenregeling.(…) 15 Met inachtneming v 5.4 [appellante] heeft nog aangevoerd dat de verjaring moet worden beoordeeld op basis van artikel 3:311 lid 1 BW. In dat artikel(lid) is bepaald: Een rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan. Indien de vordering van [appellante] al kan worden aangemerkt als een vordering tot herstel van een tekortkoming en ervan uitgaande dat [appellante] pas op 11 maart 2013 bekend is geworden met die tekortkoming, geldt echter dat ook in dit artikel is opgenomen dat de vordering in ieder geval verjaart twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan. In de nu besproken grondslag van de vordering is de tekortkoming uiterlijk op 1 april 1981 ontstaan en is de vordering dus, ook op basis van artikel 3:311 lid 1 BW, per 1 april 2001 verjaard. 5.5 Op basis van de nu besproken, veronderstelde, grondslag van de vordering heeft de kantonrechter juist geoordeeld en slaagt de eerste grief niet. Pensioenpremie 1 november 1978 tot 1 april 1981: vso 5.6 In grief 2 komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep van [appellante] op de vso, waarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst is aangevangen op 1 april 1978, niet afdoet aan het gegeven verjaringsoordeel. 5.7 De kantonrechter heeft de stellingen van [appellante] met betrekking tot de verschuldigde pensioenpremies over de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981 kennelijk aldus opgevat dat het enkele feit dat in de vso als datum aanvang dienstverband is genoemd 1 april 1978 de grondslag van de vordering (nakoming arbeidsovereenkomst) onverlet laat. Dat oordeel is begrijpelijk en in zoverre faalt grief 2. 5.8 De stellingen van [appellante] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep lijken echter ook aldus te moeten worden opgevat dat [appellante] als alternatieve of subsidiaire grond onder haar vordering heeft geschoven de stelling dat de vso zelf (en niet de arbeidsovereenkomst) de verplichting tot aanvullende pensioenpremiebetaling in het leven riep. Uitgaande van die grondslag en vaststellende dat de vso is gesloten op 13 februari 2013 geldt dat de vordering van [appellante] binnen vijf jaren na die datum is ingesteld en derhalve, hoe dan ook, niet is verjaard. 5.9 De nu te bespreken stelling van [appellante] houdt, naar het hof begrijpt, het volgende in. Op 13 februari 2013 hebben partijen de rechtstoestand tussen hen uitdrukkelijk vastgelegd in de vso. In die overeenkomst is bepaald dat het dienstverband is aangevangen op 1 april 1978. Ook is daarin (onderdeel 8) bepaald dat NPO alle verplichtingen die uit het dienstverband voortvloeien met betrekking tot de Pensioenwet en/of bepalingen uit geldende pensioenregelingen zal nakomen. De vso verplichtte aldus tot het (alsnog) betalen van de pensioenpremies aan het desbetreffende pensioenfonds over de periode van 1 november 1978 (toen [appellante] gerechtigd werd tot deelname aan het pensioenfonds) tot 1 april 1981. 5.10 NPO heeft deze uitleg van de vso bestreden stellende dat de passage "u in dienst getreden bent bij de NPO op 1 april 1978" daarin slechts is opgenomen om aldus te kunnen bewerkstelligen dat aan [appellante] op basis van het geldende Sociaal Plan een hogere uitkering kon worden verstrekt. 5.11 Voorop staat dat het voor de beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen steeds aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). 5.12 Als productie 6 bij conclusie van antwoord is door NPO overgelegd het Sociaal Plan. In dat plan is neergelegd welke financiële regeling getroffen wordt voor hen met wie de arbeidsovereenkomst wor In de aangevallen rechtsoverweging 4.3 heeft de kantonrechter tot uitgangspunt voor beoordeling genomen de hypothese dat, zoals [appellante] heeft gesteld, per 1 april 1978 sprake is geweest van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Bij de beoordeling van de aanvangsdatum van de door de kantonrechter genoemde verjaringstermijn van vijf jaren heeft hij ter verdere beoordeling als hypothese overwogen dat als aanvangsdatum van de opeisbaarheid van de vordering heeft te gelden de door [appellante] genoemde datum van 1 april 1978, zijnde aanvang dienstverband volgens [appellante] en dus zijnde de te beoordelen datum binnen de geformuleerde hypothese. Van een onvoorwaardelijk, buiten de besproken hypothese liggend, oordeel dát het dienstverband in 1978 is aangevangen is geen sprake. De grief faalt. Nadere vorderingen van [appellante] 5.20 Aanvullend (bij memorie van grieven) heeft [appellante] , voor het geval ook het hof het beroep op verjaring van NPO honoreert, verzocht voor recht te verklaren dat 1 april 1978 heeft te gelden als de aanvangsdatum van de arbeidsverhouding tussen [appellante] en NPO. 5.21 In het midden wordt gelaten of deze nadere vordering moet worden opgevat als toelaatbare vermeerdering van eis of toelaatbare nadere grief. [appellante] stelt wel belang te hebben bij beoordeling van haar vordering, maar zij vermeldt niet welk belang dat dan is. Dat belang is ook niet zo evident dat afzonderlijke benoeming ervan achterwege gelaten kon worden. Beoordeling van de vordering kan immers niet leiden tot een andere in deze zaak vast te stellen rechtsbetrekking tussen partijen nu de aanspraken van [appellante] jegens NPO, al uitgaande van het bestaan van een arbeidsovereenkomst per 1 april 1978, verjaard zijn en het reeds per 1 april 1978 bestaan van een arbeidsovereenkomst niet redengevend is geoordeeld voor de vraag of partijen in de vso (alsnog) zijn overeengekomen ervan uit te gaan dat een arbeidsovereenkomst reeds per 1 april 1978 bestond en dat NPO op basis daarvan aanvullende pensioenpremiebetalingen zou doen. Vordering NPO 5.22 NPO, van haar kant, heeft bij memorie van antwoord verzocht, voor het geval het hof zou oordelen dat uit de desbetreffende overweging in de beëindigingsovereenkomst voor NPO de verplichting is ontstaan met terugwerkende kracht pensioenpremies af te dragen ten behoeve van [appellante] over de periode 1978 - 1981, die overeenkomst in zoverre te vernietigen. 5.23 Daargelaten de vraag of de vordering van NPO in hoger beroep voor het eerst kan worden ingesteld geldt dat aan de voorwaarde waaronder deze is ingesteld niet is voldaan. Die vordering kan op die grond buiten behandeling blijven. 6 De slotsom 6.1. De grieven falen, zodat het bestreden vonnis, onder aanvulling en verbetering van gronden, moet worden bekrachtigd. 6.2. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van NPO zullen worden vastgesteld op: - griffierecht € 711,-- - salaris advocaat € 1.788,-- (2 punten x tarief II) Totaal € 2.499,--. 6.3. Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld. 7 De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 3 juni 2015, voor zover aan hoger beroep onderworpen; veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NPO vastgesteld op € 711,-- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [app